RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/54 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.F. van den Brink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afstemming van eiser zijn uitkering met ingang van 1 september 2023 op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft de uitkering van eiser verlaagd omdat eiser geen kosten heeft voor levensonderhoud. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht de uitkering van eiser met ingang van 1 september 2023 heeft afgestemd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep slaagt omdat het college niet in overeenstemming met zijn beleidsregels heeft gehandeld. Het college heeft ten onrechte de uitkering van eiser met ingang van 1 september 2023 afgestemd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het college heeft bij besluit van 5 september 2023 (het primaire besluit) de uitkering van eiser met € 284,40 per maand verlaagd omdat eiser geen kosten voor levensonderhoud heeft. Met het bestreden besluit van 18 december 2023 op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit herzien voor wat betreft de hoogte van het afstemmingsbedrag. De afstemming is in het bestreden besluit vastgesteld op € 86,67 per maand. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn bewindvoerder, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. 2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Deze termijn heeft de rechtbank ook niet gehaald. Beoordeling door de rechtbank Wat zijn de feiten? 3. Eiser ontvangt vanaf 1 augustus 2016 een uitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande. In 2023 is een onderzoek door de Sociale Recherche opgestart omdat uit de door eiser overgelegde bankafschriften afgeleid werd dat eiser € 50,- per week aan leefgeld ontvangt; hij vermoedelijk een voertuig in gebruik heeft omdat hij pint bij benzinestations; hij veel afschrijvingen heeft naar Holland Casino Online; hij nagenoeg geen afschrijvingen heeft voor levensonderhoud en hij regelmatig afschrijvingen heeft bij een coffeeshop. Volgens het rapport heeft eiser tijdens het verhoor onder meer verklaard dat hij geen kosten heeft voor levensonderhoud omdat zijn moeder en zijn familie hiervoor zorgen; hij niets voor zijn boodschappen en dergelijke betaalt; hij elke dag bij zijn moeder eet; hij ook nog wekelijks naar de voedselbank gaat en dat dat volgens hem de extraatjes zijn. In het rapport wordt berekend dat eiser op grond van de Nibud-normen € 9,35 aan kosten voor voeding bespaart; dit is omgerekend per maand € 284,40. Het college heeft hierop het primaire besluit genomen. In het bestreden besluit heeft het college het afstemmingbedrag verlaagd naar € 86,67 per maand, omdat rekening is gehouden met het feit dat eiser slechts € 50,- per week aan leefgeld ontvangt en hij gelet op zijn bankafschriften toch wel enige kosten voor voedsel maakt en hij daarnaast ook andere kosten maakt die vallen binnen de categorie algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De afstemming komt daarmee uit op € 20,- per week zodat eiser € 30,- per week overhoudt voor andere uitgaven. Toetsingskader 4. In artikel 18, eerste lid, van de Pw is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend. In het tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw is bepaald dat giften, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn, niet tot de middelen worden gerekend. 4.1. In de Beleidsregels Vrijlating giften Participatiewet gemeente Rheden (de Beleidsregels) is in artikel 1 (Begripsbepalingen), eerste lid, bepaald dat alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven dezelfde betekenis hebben als in de Pw en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het tweede lid van artikel 1 is onder f als definitie van een gift in natura opgenomen dat dit een schenking van goederen of een andere vorm, niet zijnde geld, is door een natuurlijke persoon of een instelling. In artikel 3 (Periodieke giften), eerste lid, van de Beleidsregels is bepaald dat periodieke giften, in geld of natura, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder m, van de wet worden vrijgelaten tot een bedrag ter hoogte van € 1.200,- per kalenderjaar. 4.2. Volgens vaste jurisprudentie moet onder het begrip middelen in de zin van de Pw worden verstaan alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin vrijelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit beschikken ziet op de mogelijkheid om de middelen feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Bij giften in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Pw, moet het, gelet op het uitzonderingskarakter van die bepaling, gaan om middelen in de zin van het eerste lid, die vervolgens kunnen worden vrijgelaten. Is de afstemming in overeenstemming met de Beleidsregels? 5. Eiser heeft aangevoerd dat voor zover er in zijn geval sprake is van een structurele en substantiële besparing, deze besparing valt binnen de grenzen van de Beleidsregels. Eiser verwijst daarbij ook naar de algemene toelichting bij de vaststelling van dit beleid: “Door giften niet in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen en/of personen. Gezien het minimumbehoeftekarakter van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat betreft de hoogte van (een) gift(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.