← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:8424

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05/014128-25 Datum uitspraak : 6 oktober 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1988 in [geboorteplaats 1] , wonende aan [adres 1] . Raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat in Zutphen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 14 december 2024 te [plaats], in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een Apple Watch, een Ring videodeurbel en/of een portemonnee met daarin een rijbewijs, identiteitskaart, twee ING-bankpassen en/of een geldbedrag van 230 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(

  1. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel; 2. hij op of omstreeks 14 december 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een slaapkamer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  2. n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte is op 14 december 2024 de woning van [slachtoffer 1] aan [adres 2] in [plaats] binnengegaan. Daarbij heeft hij de ruit van de voordeur kapot gemaakt. Uit de woning heeft hij een Apple watch meegenomen. Verdachte heeft de videodeurbel van de muur gehaald en weggegooid. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de diefstal van de onder feit 1 vermelde videodeurbel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal van de videodeurbel omdat verdachte niet het oogmerk had om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. Ook ten aanzien van de diefstal van de portemonnee moet vrijspraak volgen. Volgens de raadsman was er bovendien geen sprake van braak, omdat verdachte de voordeurruit niet opzettelijk heeft verbroken en het niet zijn bedoeling was om de woning binnen te dringen. Verdachte heeft ontkend de deur van de slaapkamer te hebben vernield, zodat hij van feit 2 moet worden vrijgesproken. Beoordeling door de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door de videodeurbel van de muur te trekken, zich de feitelijke heerschappij over de deurbel verschaft. Dat hij de videodeurbel vervolgens heeft weggegooid en niet heeft meegenomen, doet er niet aan af dat sprake is geweest van het wegnemen van de videodeurbel met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van feit 1. In haar aangifte van 14 december 2024 om 3:32 uur heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij rond 2:30 uur glasgerinkel hoorde en dat zij en getuige [slachtoffer 2] zich hebben opgesloten in de badkamer. Ze hoorde iemand op de trap van de begane grond naar de eerste verdieping lopen. Toen hoorde aangeefster een harde knal. Aangeefster verliet de badkamer en zag dat er een gat in de deur naar de slaapkamer zat. Bij de aangifte is een foto gevoegd met het onderschrift “deuk slaapkamerdeur.” Getuige [slachtoffer 2] is gehoord op 14 december 2024 om 3:39 uur en heeft verklaard dat hij, toen hij en [slachtoffer 1] in de badkamer waren, voetstappen naar boven hoorde komen en dat er tegen een deur getrapt werd. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de deur van de slaapkamer heeft beschadigd. Zij vindt van belang dat aangeefster en getuige [slachtoffer 2] kort na de inbraak zijn gehoord en dat hun verklaringen worden ondersteund door hetgeen te zien is op de foto van de deur. Dat is anders ten aanzien van de portemonnee met inhoud van getuige [slachtoffer 2] . Voor dat onderdeel van feit 1 is er geen ander bewijs dat de verklaring van aangeefster en getuige [slachtoffer 2] ondersteunt. Hoewel er voldoende wettig bewijs is voor de diefstal van de portemonnee met inhoud, heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte deze ook heeft meegenomen. Van dat onderdeel zal hij dan ook worden vrijgesproken. Met betrekking tot het verweer dat juridisch geen sprake was van braak overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft op 14 december 2024 om 12:19 uur het volgende bericht verstuurd via Telegram: “Ik klote hart op die deur! Ging die raam door.. was hele dunne enkel glas.. jaa bro ik ben naar boven gelopen!” Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door met kracht op de ruit van de voordeur te slaan, die ruit wel degelijk opzettelijk vernield. Of hij op dat moment wel of niet de bedoeling had de woning binnen te gaan, vindt de rechtbank niet relevant. Feitelijk heeft verdachte zich de toegang tot de woning verschaft door middel van braak en vervolgens ook inklimming. Dat betekent dat deze strafverzwarende omstandigheid wettig en overtuigend te bewijzen is. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op of omstreeks 14 december 2024 te [plaats], in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een woning gelegen aan [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een Apple Watch en een Ring videodeurbel en/of een portemonnee met daarin een rijbewijs, identiteitskaart, twee ING-bankpassen en/of een geldbedrag van 230 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  3. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, en inklimming en/of een valse sleutel; 2. hij op of omstreeks 14 december 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een slaapkamer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  4. n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming; feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden een contactverbod met [slachtoffer 1] en haar zoon en een locatieverbod. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte erkent dat hij een fout heeft gemaakt. Hij volgt nu agressieregulatietherapie en pakt zijn gedragsproblemen aan. Gelet op die problemen kunnen de feiten hem slechts in verminderde mate worden toegerekend. De raadsman heeft er verder op gewezen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Hij heeft er voor gepleit dat aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd dan de duur van het voorarrest en dat aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals eerder opgelegd bij het nog niet onherroepelijke vonnis van de Politierechter van 19 december 2024. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte is midden in de nacht met geweld de woning van zijn ex-vriendin binnen gegaan en heeft spullen gestolen en een deur vernield. Hij wilde verhaal halen en heeft op deze manier een beangstigende situatie veroorzaakt voor zijn ex-vriendin en een vriend van haar. Zij hoorden dat er iemand in de woning was en hebben zich opgesloten in de badkamer. In haar schriftelijke slachtofferverklaring heeft aangeefster vermeld dat de inbraak haar erg onrustig heeft gemaakt en dat zij zich onzeker voelt in haar eigen huis. Zij en haar zoon hebben de woning op advies van een aantal instanties een periode verlaten. In het reclasseringsadvies van 10 september 2025 is beschreven dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde disruptieve impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis, waarbij de agressieve uitlatingen minder dan twee keer per week in een periode van drie maanden hebben plaatsgevonden en zich met name lijken te manifesteren binnen de intieme relatie. Differentiaal diagnostisch kan worden gedacht aan hechtingsproblematiek/persoonlijkheidsproblematiek. Op 20 juni 2025 is verdachte gestart met een individuele module om zich voor te bereiden op deelname aan de Agressie Regulatie op Maat groep. Vanaf 24 juli 2025 neemt hij deel aan de groep. Hierin zet hij zich actief in. Wat opvalt, is dat het voor hem met regelmaat lastig lijkt om te duiden welke emoties hij zoal ervaart. Hierop wordt laagdrempelig ingestoken middels oefeningen. Hoewel hij aanvankelijk weinig momenten kan benoemen waarop frustraties oplopen, lukt het hem steeds beter om dit in kleinere vorm bij zichzelf te herkennen. Hij is open in het contact met de therapeuten en met de groepsleden. Het is enigszins positief te noemen dat verdachte, ondanks een druk werkschema, wel de tijd vrijmaakt voor de afspraken aangaande zijn behandelingstraject. Ook het netwerk van verdachte ondersteunt gedragsverandering en stimuleert een pro sociaal leven. Bij de reclassering heeft verdachte de woninginbraak ontkend, zodat geen risicofactoren konden worden vastgesteld. Interventies gericht op het beperken van een eventueel recidive risico achtte de reclassering om die reden niet geïndiceerd. Het recidiverisico werd als gemiddeld ingeschat en bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met een contactverbod en een locatieverbod. Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 10 september 2025 volgt dat verdachte op 19 december 2024 (niet onherroepelijk) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 dagen waarvan 56 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 160 uur in verband met mishandelingen en vernieling. In het reclasseringsadvies is vermeld dat deze veroordeling ziet op huiselijk geweld in de intieme relationele sfeer richting zijn ex-vriendin (tevens aangeefster in onderhavige zaak). Gelet op dit vonnis is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Eerder is verdachte enkele malen onherroepelijk veroordeeld wegens rijden onder invloed en eenmaal voor een bedreiging met zware mishandeling. De rechtbank constateert dat verdachte zich realiseert dat hij een fout heeft gemaakt en dat hij zich inzet om aan zichzelf te werken. Daarbij komt dat verdachte werk en een woning heeft en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de al ondergane inverzekeringstelling, die op zich passend zou zijn gezien de aard en de ernst van de gepleegde feiten en het feit dat verdachte als recidivist moet worden beschouwd, in dit geval niet de aangewezen strafrechtelijke reactie is, ook omdat deze de therapie die verdachte nu volgt, zou doorkruisen. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen van 90 dagen, waarvan 86 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden een proeftijd van twee jaar en enkele bijzondere voorwaarden verbonden. Verdachte heeft de inbraak bij de reclassering ontkend en om die reden is niet geadviseerd om naast een contact- en locatieverbod andere bijzondere voorwaarden op te leggen. Gelet op de (deels) bekennende verklaring van verdachte ter zitting en hetgeen de reclassering heeft beschreven over de problematiek van verdachte en de benodigde hulpverlening, zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden, in lijn met wat al eerder door de Politierechter op 19 december 2024 passend werd geacht, ook een meldplicht en behandeling bij een ambulante forensische polikliniek opleggen. Gelet op de ernst van met name de inbraak in de woning vindt de rechtbank alleen deze grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf niet afdoende en daarom legt zij ook een taakstraf van 120 uur aan verdachte op. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 1.081,57 aan materiële schade, te weten € 230,- contant geld, € 285,- vanwege schade aan de slaapkamerdeur, € 229,99 voor de Apple watch, € 179,- voor de videodeurbel, € 26,98 voor de aanschaf van twee buitenlampen met bewegingsmelder en € 130,60 voor de vervanging van een rijbewijs en een id-kaart. Daarnaast vordert [slachtoffer 1] € 850,- aan immateriële schade. Beide bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met uitzondering van de kosten van de videodeurbel, met toekenning van de wettelijke rente, en heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het gevoerde bewijsverweer, alleen de kosten voor vervanging van de Apple watch, de vernielde videodeurbel en de beveiligingskosten kunnen worden toegewezen. Voor toewijzing van de posten met betrekking tot de schade aan de slaapkamerdeur en de portemonnee met inhoud is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwing gesteld. Die posten kunnen dan ook niet worden toegewezen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman het causale verband tussen de inbraak en het gestelde psychische leed betwist, omdat de benadeelde partij al eerder contact had met de bedrijfsarts wegens ptss en zij al kalmeringsmiddelen gebruikte. De nadere beoordeling van die schadeclaim zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren; subsidiair dient het bedrag te worden gematigd tot € 250,-. Overweging van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat zij verdachte heeft vrijgesproken van de diefstal van de portemonnee van getuige [slachtoffer 2] met daarin onder meer contant geld, een rijbewijs en een id-kaart. Dan zou in beginsel de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de daarop gebaseerde vordering. In dit geval zal de rechtbank dit deel van de vordering echter afwijzen, omdat is gesteld noch gebleken dat de gevorderde kosten als vermogensschade van [slachtoffer 1] hebben te gelden. Ten aanzien van de gevorderde schade aan de slaapkamerdeur overweegt de rechtbank dat gelet op de bewezenverklaring sprake is van rechtstreekse schade, toegebracht door verdachte. De enkele, niet onderbouwde stelling dat de schade op 14 december 2024 al aanwezig was, maakt dat niet anders. Een offerte is, anders dan door de verdediging betoogd, voldoende voor vaststelling van de hoogte van het schadebedrag. Dat herstel (mogelijk) nog niet heeft plaatsgevonden, staat aan toewijzing van het daarop vermelde bedrag niet in de weg. Met betrekking tot de overige materiële schadeposten stelt de rechtbank vast dat de hoogte van de gevorderde bedragen door de verdediging niet is betwist. De feitelijke grondslag voor toewijzing van de kosten in verband met de aanschaf van de buitenlampen met bewegingsmelders is evenmin betwist, zodat deze kosten zullen worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag in verband met de gestolen Apple watch. Dit betekent dat de rechtbank in totaal een bedrag van € 720,97 aan materiële schade zal toewijzen. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld onder meer in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Op basis van de genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden doordat zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte midden in de nacht en door een ruit te vernielen de woning van de benadeelde partij is binnengedrongen en deze zich genoodzaakt heeft gezien zich op te sluiten in de badkamer tot de politie kwam. Daarna bleek dat er persoonlijke eigendommen waren weggenomen en beschadigd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de benadeelde volgt onder meer dat het vertrouwen in haar veilige thuissituatie ernstig is geschaad. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Dat de vaststelling van ptss en de naar aanleiding daarvan gevolgde EMDR-sessies mogelijk ook verband houden met éérdere incidenten tussen verdachte en de benadeelde partij, zoals lijkt te volgen uit de e-mail van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige/POH-GGZ, doet daaraan niet af. Het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de in dit geding gevorderde immateriële schade kan wel degelijk worden vastgesteld. De rechtbank zal de door de benadeelde partij tengevolge van de bewezenverklaarde feiten geleden schade schatten en houdt daarbij rekening met de aard en de ernst van die feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 850,- vaststellen. Verdachte is vanaf 14 december 2024 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 86 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;  stelt als bijzondere voorwaarden dat: - verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan telefonisch bij Reclassering Nederland te Lelystad, bereikbaar op telefoonnummer 088 8041102. Hij zal zich telkens weer melden, zo vaak en zolang deze reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht; - verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze –direct of indirect– contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1991 in [geboorteplaats 2] , en haar zoon, [adres 3] ; - verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 200 meter rondom de woning aan [adres 2] in [plaats], tenzij deze aanwezigheid plaatsvindt met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd, zolang de reclassering dit locatieverbod noodzakelijk acht; - verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een ambulante forensische polikliniek (Transfore) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is in ieder geval gericht op alcoholgebruik en agressieregulatie;  geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de meldplicht en de verplichting tot ambulante behandeling en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;  hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte: - meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; - meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;  beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;  legt op een taakstraf van 120 uur, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; Benadeelde partij [slachtoffer 1] veroordeelt verdachte in verband met de feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 720,97 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;  wijst de vordering tot materiële schade voor het overige af; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 720,97 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 25 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; Bevel tot voorlopige hechtenis  heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen, voorzitter, mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2025. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Nederland, rechercheteam Veluwe-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024584628, gesloten op 12 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 22 september 2025. Proces-verbaal van aangifte, p. 10-12. Bijlage bij de aangifte, p. 16. Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 21-22. Proces-verbaal van bevindingen, p. 103-104.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.