RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05.405152.24 Datum uitspraak : 26 september 2025 Tegenspraak vonnis van de politierechter in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , wonende aan het [adres] , [postcode] in [woonplaats] . Raadsman: mr. D.J. van Rinsum, advocaat in Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Zij op of omstreeks 13 november 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten: - het (na aanvang van de raadsvergadering) plaatsnemen en/of (vervolgens) ophouden in het midden van de raadszaal (door daar te zitten, staan, en/of (rond)lopen), - het op meerdere momenten houden van een toespraak, - het roepen van leuzen (waaronder “Kick out zwarte piet”, en/of “No justice, no peace”, en/of “Black lives matter”), - het joelen en/of applaudisseren, - het tonen van een spandoek (met daarop de tekst “Herdenkingsjaar Slavernijverleden Geen Zwarte Piet in [plaats] ”), en/of - het filmen van een of meer raadslieden en/of zich (daarbij)(voortdurend) in de directe nabijheid van een of meer raadslieden te begeven/op te houden, een geoorloofde openbare vergadering, te weten een openbare raadsvergadering van de gemeenteraad [plaats] , opzettelijk heeft gestoord. 2Feiten en omstandigheden Op 23 november 2023 vond er in de raadszaal van het gemeentehuis in [plaats] een openbare raadsvergadering plaats. Toen de vergadering 10 à 15 minuten bezig was, rond 19.45 uur, liepen er meerdere personen vanaf de publieke tribune naar het midden van de raadszaal, terwijl zij leuzen riepen. De burgermeester heeft toen de vergadering gestopt. Een aantal van deze mensen ging op de grond zitten in het midden van de zaal en een aantal bleef staan. Twee mensen hadden een spandoek met daarop een tekst vast. Vervolgens voegde de voorman van Kick Out Zwarte Piet (KOZP) zich bij de groep en nam het woord. De burgermeester probeerde hem herhaaldelijk te onderbreken. Ook vroeg de burgermeester hen op de publieke tribune te gaan zitten, zodat de vergadering kon worden voortgezet. Aan dit verzoek werd geen gehoor gegeven. De demonstranten eisten dat de burgermeester een convenant zou ondertekenen en stelden dat zij dan pas de raadszaal zouden verlaten. De burgermeester ervoer hierbij dwang. Hij weigerde het convenant te ondertekenen. Enkele raadsleden voelden zich geïntimideerd, onder andere omdat zij van zeer dichtbij werden gefilmd door de actievoerders. Rond 21.30 uur besloten de actievoerders de raadszaal te verlaten. De vergadering kon niet worden voortgezet en kon pas de volgende dag worden vervolgd. Die avond is er geen politieoptreden geweest en geen van de demonstranten is aangehouden. 3Het standpunt van de verdediging 3.1 De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie (OM) niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat de vervolging in strijd is met het verbod van willekeur en een schending van het gelijkheidsbeginsel. Allereerst omdat alleen de ‘meest actieve’ demonstranten die deelnamen aan de onderhavige demonstratie, waaronder verdachte, werden ontboden voor verhoor. Verdachte had een de-escalerende rol en haar handelen was daardoor juist minder laakbaar. Ten tweede omdat er soortgelijke demonstraties zijn geweest waarin niemand werd vervolgd en het OM in 2022 in één keer 1500 zaken heeft geseponeerd, waaronder veel feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten - zwaardere feiten dus dan de onderhavige. Bezien in dit licht is het vervolgen van geweldloze demonstranten in strijd met het verbod op willekeur. 3.2 Indien en voor zover de politierechter mocht oordelen dat het OM wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte heeft de verdediging subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er geen sprake is van een strafbare gedraging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat artikel 144 van het Wetboek van Strafrecht buiten toepassing moet worden gelaten, wegens strijd met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de rechten van de Mens (EVRM). De door verdachte en de medeverdachten uitgevoerde vreedzame demonstratie is onderdeel van KOZP en de gedragingen van verdachte worden beschermd door het in deze artikelen neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering. Van een veroordeling gaat een zogenaamd ‘chilling effect’ uit, wat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Bescherming van de rechten van de Mens (EHRM) voorkomen moet worden. Daarnaast gebruikte de politie voor de identificatie van de demonstranten registers met demonstranten, wat verdachten en haar medeverdachten hebben ervaren als een zeer ingrijpende wijze van onderzoeken. Ook stond de politie volgens verdachte bijna een jaar na de demonstratie meerdere malen aan de deur bij haar woning om een uitnodiging voor verhoor aan te bieden. Eén keer gebeurde dat om 00.30 uur, terwijl verdachte niet thuis was. De politie riep daarbij tegen haar huisgenoot dat “ze haar (verdachte) de volgende dag wel zouden komen ophalen”. Een dergelijk huisbezoek is intimiderend en heeft een groot ‘chilling effect’. Ook het instellen van de vervolging en een uiteindelijke veroordeling dragen bij aan het ‘chilling effect’. 4Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren moeten worden verworpen. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur. In deze zaak zijn alleen de verdachten met de grootste rol tijdens de demonstratie gedagvaard. Ook in andere zaken waarin een raadsvergadering werd verstoord zijn verdachten vervolgd. Het recht op vrije vergadering dat aan de gemeenteraad van [plaats] toekomt is een fundamenteel recht in een democratische samenleving. Dit recht is op een niet acceptabele wijze en voor te lange duur ingeperkt door de demonstratie van verdachte en de mededemonstranten. De ingezette strafvervolging door het OM is onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd en te billijken. Van een ‘chilling effect’ is in deze geen sprake. De strafvervolging is niet in strijd met het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van het EVRM. Het OM is ontvankelijk in haar vervolging van verdachte en de gedragingen van verdachte zijn strafbaar. 5Juridisch kader 5.1 Aan het OM is met artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Die beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. 5.2 Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Van onverenigbaarheid met de beginselen van goede procesorde kan tevens sprake zijn wanneer met een vervolgingsbeslissing wordt afgeweken van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, leidt daarbij echter niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging tegen de verdachte. Ook wanneer de vervolging in strijd is met het EVRM kan sprake zijn van een uitzondering als hiervoor bedoeld. In al de voornoemde gevallen geldt dat aan het oordeel dat het OM in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zware motiveringseisen worden gesteld. 5.3 De politierechter stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, zoals onder andere neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, fundamentele grondrechten zijn. De vrijheden waarin deze artikelen voorzien, zijn echter niet absoluut en kunnen worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is in een democratische samenleving. 5.4 De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het Europees Hof voor de Bescherming van de rechten van de Mens (EHRM) een ‘overall’ toets aanlegt. Het EHRM kijkt daarbij naar de vraag of de beperking van de vrijheden als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van het EVRM voldoet aan een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en of de beperking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de proportionaliteit van de inperking gaat het om het evenwicht tussen het in de artikelen 10 en 11 EVRM beschermde belang en andere belangen, zoals in onderhavig geval het belang van het recht op vrijheid van vergadering. Bestaat de beperking uit strafvervolging, dan spelen in dit verband naast de aard van de strafbare gedraging en de eerlijkheid van het proces als geheel ook de aard van en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol, waarbij geldt dat daarvan geen ‘chilling effect’ mag uitgaan. De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met een strafrechtelijke sanctionering; daar is een bijzondere rechtvaardiging voor vereist. Zo kan het zijn dat wanneer er verschillende maatregelen worden genomen, zoals de beëindiging van een betoging, een aanhouding, een voorarrest, een vervolging en een veroordeling, die maatregelen gezamenlijk als een (ontoelaatbare) beperking worden gezien. 5.5 Met inachtneming van dit juridisch kader is het aan de rechter om in het concrete geval op basis van een belangenafweging te beoordelen of sprake is van een al dan niet toelaatbare beperking van genoemde grondrechten. 5.6 De politierechter zal in dit verband, conform de volgordelijkheid van de vragen die in het kader van de artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering beantwoord moeten worden, het gevoerde verweer eerst bespreken in de sleutel van de (niet-)ontvankelijkheid van het OM in de vervolging van verdachte. Daarna volgt de bespreking van het bewijs en de kwalificatie van hetgeen bewezen wordt verklaard. Vervolgens beoordeelt de politierechter het gevoerde verweer met betrekking tot de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten. 6Ontvankelijkheid OM 6.1 Op basis van wat door de verdediging is aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat door de beslissing verdachte te vervolgen het gelijkheidsbeginsel is geschonden of dat sprake is van willekeur. Verdachte is evenals drie medeverdachten vervolgd omdat zij een grotere rol had tijdens de demonstratie dan de overige demonstranten. De de-escalerende rol van verdachte faciliteerde het voortduren van de demonstratie. Haar rol was daarmee meer dan enkel een getalsmatige versterking bij de demonstratie. Het stond de officier van justitie vrij dit te laten meewegen bij de beslissing om in deze zaak tot vervolging over te gaan. Het enkele opsommen van een aantal voorbeelden van demonstraties waarbij niet werd vervolgd - voor zover deze demonstraties al vergelijkbaar waren met die in de onderhavige zaak -, volstaat daarnaast niet om te kunnen concluderen dat is afgeweken van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal zaken. Ook het feit dat het OM tot 1500 sepots is overgegaan, waaronder zaken waarin voorlopige hechtenis is toegelaten, doet niet af aan de mogelijkheid om in andere gevallen wel tot vervolging over te gaan. De beslissing tot vervolging of sepot berust steeds op een integrale belangenafweging, waarbij ook andere factoren dan de mogelijkheid van voorlopige hechtenis kunnen worden betrokken. 6.2 Van een schending van een van de beginselen van goede procesorde is geen sprake. Het OM is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Het verweer wordt verworpen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.