RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11478946 \ CV EXPL 25-263 Vonnis van 3 september 2025 in de zaak van [eiser in conv] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser in conv] , gemachtigde: mr. H.H. van Gaal, tegen [gedaagde in conv] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde in conv] , gemachtigde: mr. R.J. Verweij. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 maart 2025; - de mondelinge behandeling van 4 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op 26 januari 2007 is tussen [gedaagde in conv] (als huurder) en [eiser in conv] (als verhuurder) een huurovereenkomst gesloten. De huurovereenkomst bevat o.m. de volgende bepalingen: “[..] 1.2 Het gehuurde is/wordt als casco verhuurd, tenzij in 8 of elders schriftelijk aanvullend of anders door partijen is overeengekomen. 1.3 Het gehuurde of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als winkel en/of kantoor en/of atelier en/of galerie. 1.4 Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.3. [..] 3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar, ingaande op 1 maart 2007 en lopende tot en met 28 februari 2010. 3.2 Na het verstrijken van de in 3.1. genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar, derhalve tot en met 28 februari 2015. Deze overeenkomst wordt vervolgens voorgezet voor aansluitende perioden van telkens vijf jaar. 3.3. Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste één jaar. [..]” 2.2. Bij brief van 20 februari 2024 heeft beheerder [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) namens [eiser in conv] de huurovereenkomst met [gedaagde in conv] opgezegd per 28 februari 2025. 2.3. Bij brief van 4 juli 2024 heeft [gedaagde in conv] bezwaar gemaakt tegen de opzegging door [eiser in conv] , waarbij [gedaagde in conv] heeft aangegeven dat er geen geldige reden is gegeven voor opzegging van de huur van haar woning. Een dag later heeft [naam 1] [gedaagde in conv] bericht dat er geen sprake is van huur van een woonruimte en dat de wettelijke regeling inzake woonruimte niet van toepassing is op het gehuurde. 2.4. Op 22 juli 2024 heeft [eiser in conv] [gedaagde in conv] verzocht om mee te werken aan een bezichtiging van het gehuurde door een geïnteresseerde derde. [gedaagde in conv] heeft op 25 juli 2024 laten weten dat van beëindiging van de huurovereenkomst geen sprake is en van bezichtiging dus ook niet. 2.5. Bij brief van 7 augustus 2024 heeft de gemachtigde van [eiser in conv] [gedaagde in conv] als volgt bericht: “Zoals de beheerder van cliënte uw al bij e-mailbericht van 5 juli 204 heeft medegedeeld, is er geen sprake van (ver)huur van een woning, maar van een (230a-)bedrijfsruimte. Voor een dergelijke bedrijfsruimte geldt dat er geen wettelijke opzeggronden hebben te gelden. De huurovereenkomst is op een juiste wijze conform huurovereenkomst opgezegd hetgeen ertoe leidt dat deze eindigt op 28 februari 2025. [..] Gelet op het voorgaande verzoek ik u namens cliënte [..] om mij binnen 14 dagen na heden schriftelijk te bevestigen dat u zult meewerken aan het mogelijk maken van een bezichtiging van het gehuurde (door belangstellenden), bij gebreke waarvan cliënte zich het recht voorbehouden om u zonder nadere aankondiging in rechte te betrekken. [..]” 2.6. Op 22 augustus 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde in conv] als volgt op de sommatie van [eiser in conv] gereageerd: “In opgemelde zaak is geen sprake van een huur en verhuur van bedrijfsruimte. Cliënte huurt van uw cliënt een woning waarbij een deel van de woning als bedrijfsruimte (voor dienstverlening) wordt gebruikt. Het gedeelte dat voor bedrijfsruimte wordt gebruikt is bouwkundig niet gesplitst. Het pand kan ook niet bedrijfsmatig worden gebruikt omdat dat in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan waarin het pand de bestemming woning heeft. Het pand is door de eigenaar ook als woonhuis gebruikt en aan cliënte als woonhuis verhuurd en sedertdien als zodanig gebruikt. Omdat uw cliënt geen zin had in het opstellen van een uitgebreid contract, heeft hij cliënte een huurovereenkomst winkelruimte (in de zin van artikel 7:290 BW!) laten ondertekenen. Het regime van 290-bedrijfsruimte is evenmin van toepassing, hoewel de huurovereenkomst dat wel aangeeft. Het gebruik als woning is door partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst ook beoogd. [..]”. 2.7. In een e-mail van 18 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser in conv] op de e-mail d.d. 22 augustus 2024 (van de gemachtigde van [gedaagde in conv] ) gereageerd: “Uw stelling dat het pand volgens het ter plaatse geldend bestemmingsplan de bestemming woning heeft en niet bedrijfsmatig kan worden, is onjuist. Het pand heeft inderdaad de bestemming ‘wonen’, maar is op de begane grond tevens bestemd voor kantoor (zie omgevingsloket, regels op de kaart). [..] De eigenaar van het pand heeft het gehuurde in de jaren 70 aangekocht. In die periode heeft hij het pand 1-2 jaar gebruikt als tijdelijke woonoplossing. Na die periode is het gehuurde door cliënte verhuurd voor de exploitatie van een rijschool en Winkel van Sinkel. Het gehuurde is dus in ieder geval sinds de jaren zeventig niet meer verhuurd als woning en ook niet als zodanig verhuurd aan mevrouw [gedaagde in conv] . Vervolgens is aangevoerd dat cliënte geen zin zou hebben gehad in het opstellen van een uitgebreid contract en daarom een huurovereenkomst winkelruimte aan mevrouw [gedaagde in conv] heeft voorgelegd. Dat is onzin en wordt door cliënte betwist. Het standpunt is ook erg ongeloofwaardig aangezien het qua tijdsbesteding niet heel veel uitmaakt of een model ROZ-huurovereenkomst voor woon-, winkel,- of bedrijfsruimte wordt ingevuld. Cliënte onderschrijft in dit geval wel het standpunt dat het regime van 290-bedrijfsruimte niet van toepassing is. [..] Namens cliënte verzoek ik mevrouw [gedaagde in conv] [..] om het gebruik van het gehuurde als woning binnen 14 dagen na verzending van dit e-mailbericht te beëindigen en beëindigd te houden. [..]” 2.8. Op 30 september 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde in conv] de gemachtigde van [eiser in conv] laten weten dat de sommatie van [eiser in conv] om het gebruik van het gehuurde te beëindigen elke feitelijke en juridische grondslag ontbeert en dat er geen gevolg aan zal worden gegeven. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser in conv] vordert primair een verklaring voor recht dat er sprake is van een 230a-bedrijfsruimte, ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde in conv] om het gehuurde, met alle zich daarin bevindende goederen die niet tot het gehuurde behoren, binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden. Tevens vordert [eiser in conv] primair veroordeling van [gedaagde in conv] tot betaling van een direct opeisbare boete van € 250,00 per dag dat zij in verzuim is het strijdige gebruik van het gehuurde te staken, te rekenen vanaf 1 oktober 2024, althans een in goede justitie te bepalen dag, met een maximum van € 20.000. Subsidiair vordert [eiser in conv] , naast een verklaring voor recht dat er sprake is van een 230a-bedrijfsruimte en ontruiming op straffe van een boete (zoals tevens primair gevorderd) en in plaats van de primair gevorderde ontbinding, een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst op 20 februari 2024 rechtsgeldig is opgezegd tegen 28 februari 2025. Ten slotte vordert [eiser in conv] (primair en subsidiair) [gedaagde in conv] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten indien betaling binnen veertien dagen na het vonnis uitblijft. 3.2. [eiser in conv] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat er tussen partijen op 26 januari 2007 een huurovereenkomst is gesloten ten aanzien van het gebruik van de ruimte op [adres] te [plaats] (hierna: het ‘gehuurde’) als bedrijfsruimte, dat zij deze huurovereenkomst met inachtneming van de bepalingen omtrent beëindiging in de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd op 20 februari 2024 (tegen 28 februari 2025) en dat er bovendien grond is voor ontbinding, daar is gebleken dat [gedaagde in conv] , in strijd met bepalingen in de overeenkomst, in het gehuurde woont. De gevorderde boete baseert [eiser in conv] op artikel 7 van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst. 3.3. [gedaagde in conv] voert verweer. [gedaagde in conv] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conv] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser in conv] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser in conv] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde in conv] voert aan dat er geen sprake is van een overeenkomst voor de huur van een bedrijfsruimte, maar van een woonruimte. [gedaagde in conv] stelt dat het gehuurde een woonhuis met tuin betreft, als woonhuis is ingericht en vanaf aanvang van de overeenkomst ook als zodanig door [gedaagde in conv] is gebruikt. Het gevolg is volgens [gedaagde in conv] dat [eiser in conv] de overeenkomst – gelet op het toepasselijke wettelijke regime – niet zonder meer kon/kan beëindigen. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.6. In reconventie vordert [gedaagde in conv] te verklaren voor recht dat er sprake is van (ver)huur van een woonruimte, met veroordeling van [eiser in conv] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten indien betaling binnen veertien dagen na het vonnis uitblijft. 3.7. [eiser in conv] voert verweer. [eiser in conv] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conv] , dan wel tot afwijzing van de vordering van [gedaagde in conv] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in conv] in de kosten van de procedure in reconventie. 3.8. Het verweer van [eiser in conv] hangt samen met de stellingen die zij in conventie inneemt ter onderbouwing van haar (spiegelbeeldig) gevorderde verklaring voor recht dat er sprake is van huur van een bedrijfsruimte. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en reconventie Verklaring voor recht: sprake van verhuur van een bedrijfsruimte of woonruimte? 4.1. Gelet op de samenhang tussen de in conventie en reconventie door partijen gevorderde verklaringen voor recht dat er sprake is van verhuur van een 230a-bedrijfsruimte (de vordering van [eiser in conv] ), dan wel verhuur van een woonruimte (de vordering van [gedaagde in conv] ), ziet de kantonrechter aanleiding deze vorderingen gezamenlijk te behandelen. 4.2. Partijen twisten over de vraag naar het op hun overeenkomst toepasselijke wettelijke huurregime. Volgens vaste rechtspraak is voor de vaststelling van het toepasselijke huurregime beslissend wat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen hebben gestaan (zie o.a. HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1198 en HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4783). 4.3. [eiser in conv] stelt zich op het standpunt dat het gehuurde in 2007 is aangeboden als bedrijfsruimte, werd opgeleverd als bedrijfsruimte (o.a. zonder douche, badruimte en gasfornuis) en dat er met [gedaagde in conv] een huurcontract is gesloten met bedrijfsmatig gebruik als uitsluitend overeengekomen bestemming. 4.4. [gedaagde in conv] heeft hier onder meer tegenover gesteld dat [eiser in conv] in 2007 zou hebben aangegeven niet bereid te zijn een huurovereenkomst voor een woonruimte op te stellen (omdat dit alleen maar ‘gedoe’ zou geven), maar gebruik als woonruimte wel gewoon toe te staan, dat [gedaagde in conv] al vanaf de ingangsdatum van de huurovereenkomst bij de BRP staat ingeschreven als woonachtig op het adres van het gehuurde ( [adres] ), dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog geen onderneming had en ook geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel, dat het gehuurde blijkens de ligging van het pand (in een woonwijk) en de foto’s bij het opleverrapport bestemd was/is voor bewoning en dat uit door [gedaagde in conv] overgelegde actuele foto’s blijkt dat het gehuurde overwegend wordt gebruikt als woonruimte en slechts voor een klein deel voor dienstverlening door [gedaagde in conv] (‘kleuradvies’). Verder heeft [gedaagde in conv] erop gewezen dat gebruik als middenstandsbedrijfsruimte volgens het Bestemmingsplan Sint Marten niet is toegestaan en dat de beheerders van het gehuurde sinds juli 2024 - eerst Arnhem Housing B.V. en daarna Kronenburg Living - zich presenteren en/of profileren als beheerders van ‘woningen’. Tot slot heeft [gedaagde in conv] benadrukt dat uit correspondentie uit 2012 volgt dat [eiser in conv] op dat moment op de hoogte was van het gebruik van het gehuurde door [gedaagde in conv] als woonruimte en dat verhuurder toen zelfs een document met een puntentelling heeft gemaakt ter vaststelling van een huurprijs op basis van het woningwaarderingsstelsel (hierna: ‘WWS’), waarin wordt gesproken van een woonkamer, slaapkamer, keuken en toilet. 4.5. De kantonrechter stelt vast dat er tussen partijen op 26 januari 2007 een overeenkomst is gesloten op basis van het ROZ-model ‘Huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ (versie 30 juli 2003), waarbij er in de overeenkomst onder meer is opgenomen dat het gehuurde als casco wordt verhuurd (artikel 1.2.) en uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als winkel en/of kantoor en/of atelier en/of galerie (artikel 1.3.). Deze tussen partijen gesloten en door beide partijen ondertekende schriftelijke overeenkomst heeft te gelden als een onderhandse akte ex artikel 156 lid 3 Rv, die op grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs oplevert. Dit betekent dat in beginsel, behoudens tegenbewijs, ervan moet worden uitgegaan dat [eiser in conv] en [gedaagde in conv] hetgeen in die akte is vermeld, zijn overeengekomen. 4.6. Anders dan door [gedaagde in conv] naar voren is gebracht, brengt de omstandigheid dat partijen het er thans over eens zijn dat de in de (kop van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.