RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/089001-25 Datum uitspraak : 26 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] , raadsman: mr. C.C.W. Plaat, advocaat in Ede. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Ede in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Galvanistraat, gaande in de richting van de Hakselseweg, daarmede rijdende over de weg de Frankeneng roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het donker was en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of - heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een indicatieve gemiddelde snelheid van ongeveer (tenminste) 87 kilometer per uur en/of - ( vervolgens) (met die snelheid) op de weg (Frankeneng) de midden geleider heeft geraakt en een (heftige) stuurcorrectie of stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt of gezwenkt en/of daarbij of daarna de macht over het stuur verloren hebbende en/of in een slip geraakt en/of - in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of - met het door hem bestuurde voertuig tegen een boom is gebotst, welke boom zich bevond in de berm rechts naast (vanuit het perspectief van verdachte) de weg (Frankeneng), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Ede in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Galvanistraat, gaande in de richting van de Hakselseweg, daarmede rijdende over de weg de Frankeneng terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het donker was en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of - heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een indicatieve gemiddelde snelheid van ongeveer (tenminste) 87 kilometer per uur en/of - ( vervolgens) (met die snelheid) op de weg (Frankeneng) de midden geleider heeft geraakt en een (heftige) stuurcorrectie of stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt of gezwenkt en/of daarbij of daarna de macht over het stuur verloren hebbende en/of in een slip geraakt en/of - in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of - met het door hem bestuurde voertuig tegen een boom is gebotst, welke boom zich bevond in de berm rechts naast (vanuit het perspectief van verdachte) de weg (Frankeneng), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 06-10-2024 t/m 07-10-2024 te Ede, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Frankeneng, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 87 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.
- Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 6 oktober 2024 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Frankeneng in Ede. Op die weg reed verdachte als bestuurder van een personenauto komende uit de richting van de Galvanistraat en gaande in de richting van de Hakselseweg. Verdachte botste op de Frankeneng met de linkerzijde van het voertuig tegen een boom. In het voertuig bevonden zich voorts als inzittenden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer 1] komen te overlijden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van de schuldgradatie ernstige schuld, namelijk zeer onvoorzichtig rijden. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde kan volgen, met dien verstande dat de schuldgradatie aanmerkelijke schuld betreft en dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de volgende onderdelen van de tenlastelegging: ‘terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie’; ‘zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht’; ‘in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was’. Beoordeling door de rechtbank Uit het proces-verbaal van de Forensische Opsporing Verkeer blijkt dat de Frankeneng bestaat uit één rijbaan verdeeld in twee rijstroken, waar een middengeleider gesitueerd is vóór de aansluiting met de Lumièrestraat. De maximumsnelheid ter plaatse bedroeg 50 km/u. De forensische opsporing heeft aan de hand van camerabeelden in het dossier snelheidsberekeningen gemaakt. De uitkomsten daarvan zijn passend bij een indicatieve gemiddelde snelheid van 87 km/u, die werd berekend over een traject van 38,4 meter eindigend op circa 89 meter voor het botspunt. Het resultaat van deze snelheidsberekening past tevens in de uitkomst van de, naar zijn aard weliswaar minder betrouwbare, berekening aan de hand van de locatiegegevens uit de telefoon van verdachte voorafgaand aan het moment van het ongeval. Getuige en tevens passagier [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de rijstroken op de Frankeneng gesplitst werden en dat die situatie nieuw was. Met het linkerwiel raakte verdachte de stoeprand van die splitsing en toen raakte de auto uit balans. Verdachte stuurde naar links en toen naar rechts en ineens botsten ze tegen een boom aan. Het was op dat moment donker buiten. De datum van eerste uitgifte van het rijbewijs van verdachte is 17 november
- Verdachte was daarom ten tijde van het ongeval een beginnend bestuurder. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte, als beginnend bestuurder van een personenauto, heeft gereden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 87 kilometer per uur, op een weg waar de maximum toegestane snelheid 50 kilometer per uur bedroeg. Daarbij had hij zijn voertuig onvoldoende onder controle, omdat hij op de Frankeneng de middengeleider heeft geraakt, stuurbewegingen heeft gemaakt en daarna de macht over het stuur is verloren en tegen een boom is gebotst. Uit het feit dat verdachte de middengeleider heeft geraakt, leidt de rechtbank af dat verdachte zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans onvoldoende, op het verkeer en de verkeerssituatie heeft gericht. Ook leidt de rechtbank uit deze omstandigheden af dat verdachte hierna niet in staat was zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien. Het komt er kort gezegd op neer dat verdachte, doordat hij te hard reed niet genoeg heeft kunnen anticiperen op de S-bocht in de weg die er juist is aangebracht om de snelheid van voertuigen niet te hoog te laten zijn, met als gevolg het verliezen van de controle over de auto. De aard en de ernst van de voornoemde gedragingen van verdachte, onder deze omstandigheden, maken dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest en dat het daarom aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor het slachtoffer is overleden. Gelet op voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Ede in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de Galvanistraat, gaande in de richting van de Hakselseweg, daarmede rijdende over de weg de Frankeneng roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of terwijl het donker was en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of - heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een indicatieve gemiddelde snelheid van ongeveer (tenminste) 87 kilometer per uur en/of - ( vervolgens) (met die snelheid) op de weg (Frankeneng) de middengeleider heeft geraakt en een (heftige) stuurcorrectie of stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt of gezwenkt en/of daarbij of daarna de macht over het stuur verloren hebbende en/of in een slip geraakt en/of - in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde personenauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of - met het door hem bestuurde voertuig tegen een boom is gebotst, welke boom zich bevond in de berm rechts naast (vanuit het perspectief van verdachte) de weg (Frankeneng), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit aan verdachte op te leggen een taakstraf van 180 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij met hoge snelheid tegen een boom is gebotst. Bij verdachte in de auto zaten twee personen. De 18-jarige [slachtoffer 1] overleefde deze aanrijding niet. Het gaat om een ernstig feit met onomkeerbare gevolgen. Het leed en gemis moet voor de nabestaanden en vrienden van [slachtoffer 1] enorm zijn. Op de zitting heeft de moeder van [slachtoffer 1] dit duidelijk en invoelbaar verwoord. Terwijl het leven van verdachte door zal gaan, is het leven van haar zoon abrupt gestopt. Geen enkele straf zal dit verdriet voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] kunnen verzachten. De andere passagier in verdachte’s auto, [slachtoffer 2] , heeft letsel opgelopen. Verdachte zelf ervaart ook dagelijks de gevolgen van het ongeval: hij is zijn beste vriend verloren, heeft zelf ook zwaar lichamelijk letsel opgelopen en heeft last van mentale problemen, waarvoor hij onder behandeling is. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank aandacht besteed aan zijn strafblad van 24 maart 2025, waaruit blijkt dat hij in 2024 een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen voor een opgevoerde bromfiets en in 2022 voor baldadigheid. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte (onder meer) ter terechtzitting een schuldbewuste houding heeft aangenomen en er blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien, ondanks dat hij geen herinnering meer aan het ongeval heeft. De rechtbank weegt voorts in het voordeel van verdachte mee dat hij dagelijks contact heeft met de vader van [slachtoffer 1] en – zo bleek ter terechtzitting – wekelijks naar het graf van [slachtoffer 1] gaat. Op de zitting bleek verder dat hij openstaat om een gesprek te hebben met de moeder van [slachtoffer 1] . Verder zijn, zoals hierboven genoemd, de gevolgen van dit ongeval ook voor verdachte groot. Goed was te merken dat hij veel steun ervaart van zijn vaste vriendenkring, waartoe ook [slachtoffer 1] behoorde. De tragische afloop van dit ongeval is weliswaar aan verdachtes schuld te wijten maar zonneklaar is dat hij dit nooit heeft gewild en er zelf zeer onder lijdt. De LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting hanteren in het geval van aanmerkelijke schuld aan een dodelijk ongeval een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen. Het voorwaardelijke gedeelte is in deze zaak dus niet zozeer bedoeld om verdachte te weerhouden van het plegen van toekomstige feiten, maar in verband met het belang van normhandhaving benadrukt het dat bij dergelijke feiten de maximale taakstraf passend is. Alle omstandigheden afwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van 240 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk, passend. De rechtbank bepaalt de proeftijd op twee jaar. Daarnaast zal de rechtbank, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid is vanuit het oogpunt van generale preventie, en gelet op het feit dat deze doorgaans ook wordt opgelegd in zaken die qua ernst vergelijkbaar zijn met deze zaak, passend. De rechtbank zal aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar opleggen. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: - 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht; - 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet
- 9De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 80 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. I. de Bruin en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 september
- De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024555685, gesloten op 19 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aanrijding misdrijf, p. 12-15; verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 12 september 2025; Akte van overlijden [slachtoffer 1] , p.
- Proces-verbaal FO verkeer, p. 103-104 en
- Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 23-24 en
- Uittreksel bevraging systemen politie, p. 200; proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 13.