← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:8869

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/213711-25 Datum uitspraak : 12 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. N.B. Genemans, advocaat in ’s-Gravenhage. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 12 juli 2025 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres] alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, één of meer sieraden en/of één of meer horloges en/of één of meer sleutels, in elk geval enige goederen, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [aangever] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

  1. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 8-9; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 augustus
  2. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 12 juli 2025 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres] alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, één of meer sieraden en/of één of meer horloges en/of één of meer sleutels, in elk geval enige goederen, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [aangever] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Diefstal, in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke straf op te leggen die het voorarrest overstijgt. Aan een voorwaardelijk strafdeel kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals voorgesteld door de reclassering. Volgens de raadsman is een proeftijd van 2 jaar voldoende. Het voorgaande kan worden gecombineerd met een (forse) taakstraf. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Terwijl de bewoners op vakantie waren, heeft verdachte hun woning overhoop gehaald en spullen uit hun huis gestolen. Verdachte heeft – om binnen te kunnen komen – ook de ruit van de achterdeur vernield. Woninginbraken veroorzaken niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy en de veiligheidsgevoelens van de bewoners. Daarnaast zorgen woninginbraken ook binnen de samenleving in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid. Het is voor de slachtoffers in het bijzonder erg onaangenaam om te leven met de wetenschap dat er een vreemde in hun woning is geweest en hun spullen heeft doorzocht. De eigen woning is bij uitstek een plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt ook in dit specifieke geval hoe aangrijpend het is geweest voor de bewoners, zowel emotioneel gezien als wat betreft de praktische nasleep van de inbraak. Verdachte heeft echter enkel oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin. De rechtbank vindt dit bijzonder kwalijk. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 14 juli
  3. Daaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor twee pogingen tot woninginbraak. De rechtbank constateert dat sprake is van recidive. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 augustus
  4. Uit het reclasseringsonderzoek is naar voren gekomen dat verdachte een moeilijke voorgeschiedenis heeft en daarom is gevlucht in gokgedrag. Verdachte werkt niet, heeft een beperkt inkomen en heeft daarom schulden waardoor hij tot het delictgedrag zou zijn gekomen. Waar hij zich in het verleden meer afwijzend opstelde ten opzichte van hulpverlening, zegt hij nu gemotiveerd te zijn om mee te werken aan reclasseringstoezicht en ambulante behandeling als dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Verdachte heeft niet eerder onder toezicht gestaan of enige andere interventie doorlopen. Volgens de reclassering is interventie daarom nu geïndiceerd gelet op de problematiek en huidige motivatie van verdachte. Het reclasseringsadvies is opgesteld ten behoeve van de raadkamerzitting van 21 augustus 2025 en daarom heeft de reclassering geadviseerd over de schorsing van de voorlopige hechtenis en niet over een eventueel op te leggen straf. De reclassering heeft geadviseerd de voorlopige hechtenis te schorsen onder de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht en ambulante behandeling. Op te leggen straf Gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit en het feit dat hij eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, vindt de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank ziet tegelijkertijd aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie vanwege de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze volgen uit het reclasseringsrapport en wat ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank wil verdachte de kans bieden om onder reclasseringstoezicht te werken aan zijn problematiek, nu hij zich oprecht gemotiveerd heeft getoond om daar iets aan te doen. Daarom zullen dezelfde bijzondere voorwaarden die aan de schorsing waren verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel worden gekoppeld. Alles overwegende, acht de rechtbank passend: een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen (met aftrek), waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering, en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Dit betekent dat verdachte niet weer terug de gevangenis in hoeft, maar direct kan beginnen met zijn behandeling. De rechtbank acht daarbij het voorwaardelijke strafdeel voldoende stok achter de deur om verdachte ertoe aan te zetten zich aan de bijzondere voorwaarden te houden en om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. 8De beoordeling van het beslag De rechtbank zal de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 150,00, een geldbedrag ter hoogte van € 12,78 en een portemonnee, aan verdachte gelasten omdat geen sprake is van de gevallen als genoemd in de artikelen 33a of 36c, waardoor verbeurdverklaring of onttrekking niet aan de orde is. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen;  beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 108 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;  stelt als bijzondere voorwaarden dat: - verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres: Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH Den Haag (telefoonnummer: 088-8041301). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; - verdachte zich laat behandelen door forensische ambulante of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;  stelt als overige voorwaarden dat: verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, zijn daaronder begrepen; geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan; legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;  heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;  gelast de teruggave van een geldbedrag ter hoogte van € 150,00, een geldbedrag ter hoogte van € 12,78 en een portemonnee aan verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. J.M. Breimer en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september
  5. mr. M.I. Tuk is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025329993, gesloten op 14 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.