← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:8894

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/106209-25 Datum uitspraak : 26 september 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats], ingeschreven aan de [adres 1], [postcode 1] [plaats], ter zitting opgegeven verblijfsadres: [adres 2], [postcode 2] [plaats]. Raadsman: mr. G.J. Gerrits, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 september 2025. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 5 december 2024 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/op/onder een boom welke zich bevond in een tuin en/of nabij een woning en/of nabij een of meerdere afvalcointainers en/of kliko's en/of struiken en/of een of meerdere, zich in de buurt bevindende, roerende zaken, door: - de vlam van een aansteker, in ieder geval open vuur in aanraking te brengen met voornoemde boom en/of onderdelen van die boom, in ieder geval brandbare stoffen, ten gevolge waarvan die boom geheel en/of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten: de woning van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meerdere afvalcointainers en/of kliko's en/of struiken en/of het wegdek, althans een of meerdere, zich in de buurt bevindende, roerende zaken, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te duchten was; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: hij op of omstreeks 5 december 2024 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een boom, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(

  1. n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen met uitzondering van het gevaar voor personen en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft voor vrijspraak gepleit. Hij stelt zich op het standpunt dat de twee processen-verbaal van herkenning van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De stills van de camerabeelden en de bewegende beelden zijn volgens de raadsman onvoldoende duidelijk en onvoldoende scherp om de persoonskenmerken waaraan de verbalisanten verdachte zouden hebben herkend, te kunnen waarnemen. De overige kenmerken die de verbalisanten wel hebben kunnen waarnemen zijn niet voldoende specifiek om een herkenning op te kunnen baseren. Zodoende kan niet worden bewezen dat verdachte de persoon op de beelden is. De beoordeling van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor hetgeen aan verdachte zowel primair als subsidiair is ten laste gelegd en overweegt daartoe het volgende. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar moeder in de ochtend van 5 december 2024 zag dat de boom in de voortuin in brand had gestaan. Van het in brand steken van de boom zijn camerabeelden beschikbaar en deze zijn beschreven in een proces-verbaal bevindingen. Hieruit volgt dat op deze beelden een man is te zien die de boom lijkt aan te steken. Aan de hand van (een) still(
  2. s)van deze beelden of de beelden zelf - dat is de rechtbank niet duidelijk geworden uit het proces-verbaal - is verdachte door twee verbalisanten herkend als de man die de boom heeft aangestoken. Verdachte heeft ontkend dat hij de man op de beelden is. Verbalisant [verbalisant 1] heeft twee maanden na de pleegdatum geverbaliseerd dat hij verdachte aan de hand van de still van de beelden onmiddellijk heeft herkend aan het totaalbeeld van zijn kenmerken, namelijk de witte/grijze kleur van het haar, de haarddracht en de baard, het petje dat hij vaak draagt, het postuur, de houding, de manier van lopen (rondkijken met de handen in de zak), de aard (zinloze brandstichting) en de locatie van het delict. Hierbij heeft [verbalisant 1] geverbaliseerd dat de still mogelijk wat onduidelijk is, maar op de bewegende beelden de man voor hem goed herkenbaar was. Verbalisant [verbalisant 2] heeft ruim twee maanden na de pleegdatum geverbaliseerd dat hij verdachte op de still/het videofragment herkende aan zijn postuur, zijn houding, de bouw van zijn lichaam, de manier van lopen, zijn gelaat, zijn haardracht en zijn gehele uiterlijke kenmerken. De rechtbank acht het zeer onwaarschijnlijk dat de verbalisanten verdachte hebben herkend op basis van alleen de still. Ervan uitgaande dat de verbalisanten (een onderdeel van) dezelfde (kwaliteit) beelden hebben gezien als de rechtbank, overweegt de rechtbank het volgende. Delen van de beelden zijn ter zitting afgespeeld. Op de beelden heeft de rechtbank een man waargenomen zonder specifieke manier van lopen. De man loopt met zijn handen in zijn zakken. Dit vindt de rechtbank een onvoldoende onderscheidend kenmerk. Verder ziet de rechtbank de man niet (op een specifieke manier) rondkijken. De rechtbank heeft een lichte haarkleur waargenomen, de haardracht en het gelaat van de man heeft de rechtbank niet kunnen waarnemen op de beelden. Op basis van welke specifieke kenmerken ten aanzien van de haardracht en het gelaat de man door de verbalisant(
  3. en)is herkend als verdachte, is de rechtbank niet duidelijk geworden. De enkele haarkleur vindt de rechtbank onvoldoende onderscheidend. Dit geldt ook ten aanzien van het postuur, de houding en de bouw van het lichaam van de man. Ten aanzien van de baard - die de rechtbank niet in specifieke zin heeft waargenomen op de beelden - merkt de rechtbank op dat als bijlage bij het proces-verbaal opgemaakt door [verbalisant 1] een foto uit het SKDB van 18 november 2024 is gevoegd. Op deze foto - genomen 17 dagen voor de datum waarop de beelden zijn gemaakt - is verdachte te zien met een zeer licht baardje. Op basis van welke kenmerken de baard van de verdachte door de verbalisanten op de beelden wordt herkend, is de rechtbank niet duidelijk. De rechtbank heeft een pet waargenomen die een donkere kleur lijkt te hebben. Waaraan [verbalisant 1] deze pet specifiek heeft herkend op de beelden, is de rechtbank eveneens niet duidelijk geworden. De rechtbank is samenvattend van oordeel dat de kenmerken die door de beide verbalisanten worden opgesomd elk voor zich en in samenhang met elkaar onvoldoende onderscheidend zijn om daaruit de conclusie te trekken dat het verdachte is die op de beelden staat. Het gaat immers om vrij algemene beschrijvingen die op veel mannen van toepassing zouden kunnen zijn. Verder ziet de rechtbank niet in waarom de aard van het delict bijdraagt aan de herkenning. Verdachte is immers niet eerder veroordeeld voor brandstichting. Dat verbalisant [verbalisant 1], tevens wijkagent, verdachte kent als iemand die er een gewoonte van maakt om ’s nachts door de wijk te wandelen en delicten te plegen als het vernielen van auto’s en met een katapult te schieten op ruiten van woningen, maakt dat niet anders, omdat brandstichting van een ander kaliber is dan de hiervoor genoemde feiten die meer zien op vernieling. Dat de man op de beelden ten slotte op een specifieke locatie aanwezig was, waardoor verbalisant [verbalisant 1] hem heeft herkend als verdachte, acht de rechtbank op zichzelf onvoldoende voor de vaststelling dat het om verdachte gaat. Concluderend heeft de rechtbank uit de inhoud van de beide herkenningen niet de overtuiging gekregen dat de man op de beelden daadwerkelijk verdachte is geweest. De algemeenheid van de beschrijvingen laten ruimte voor twijfel. Het dossier bevat verder geen andere concrete aanknopingspunten die naar verdachte leiden als pleger van de brandstichting. Gelet op bovenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. 3De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. Nog los van de vraag wat nu precies door de benadeelde partij is gevorderd, de vordering is de rechtbank niet geheel duidelijk, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. 4De beslissing De rechtbank:  spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde;  verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Bruin (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. P. Verkroost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.A. Rombouts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 september 2025. mr. I. de Bruin is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.