RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Tegenspraak Parketnummer: 05/286930-24 Datum uitspraak : 17 oktober 2025 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] . Raadsman: mr. J.P.W. Nijboer, advocaat in Utrecht. 1De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 106.567,
- 2De procedure De zaak is op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2025 onderzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het voordeel in totaal op € 128.076,78 dient te worden vastgesteld en de betalingsverplichting ten aanzien van verdachte dient te worden vastgesteld op € 42.692,
- Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de verdeling van de betalingsverplichting ten aanzien van het in totaal wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van vier ontvangers van dit voordeel. Naast medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verdachte namelijk verklaard dat er een vierde, Vietnamese man als investeerder en eigenaar van de hennepkwekerij optrad. Deze man is ook op de camerabeelden te zien als de oogst wordt opgehaald. Daarnaast zijn de verklaringen van verdachte aannemelijk dat de oogst is tegengevallen vanwege ondeugdelijke lampen en dat de opbrengst hoogstens € 40.000,00 tot € 50.000,00 geweest is. Daarbij zijn er nog nieuwe stekken gekocht. Verdachte heeft zelf niets van de opbrengst ontvangen. Verder zijn de huisvestingskosten langer dan twee en een halve maand gemaakt. De verdediging verzoekt het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel te begroten op nihil, althans substantieel te matigen. Ten slotte verzoekt de verdediging het eventueel in de hoofdzaak toegewezen bedrag aan schadevergoeding in mindering te brengen op de op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 3De beoordeling van de vorderingrr Bij vonnis van vandaag is veroordeelde veroordeeld ter zake van: - medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Eén eerdere oogst De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten gedurende langere tijd voorafgaande aan de dag van de ontdekking van de hennepkwekerij (terwijl alleen die dag ten laste is gelegd). In zoverre leunt de ontnemingsvordering op “andere strafbare feiten” zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank gebruikt als grondslag voor de schatting van de hoogte van dit wederrechtelijk verkregen voordeel het Rapport berekening wederrechtelijke verkregen voordeel ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: het ontnemingsrapport). In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat er in de hennepkwekerij één eerdere oogst heeft plaatsgevonden. Dit is vastgesteld aan de hand van de aangetroffen op kalk gelijkende afzetting op het zeil, de onderzijde van de plantenpotten en het bevloeiingssysteem, stof op de koolstoffilters en andere voorwerpen. De rechtbank baseert zich verder op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Zo kan die eerdere oogst tevens worden vastgesteld aan de hand van (de beschrijving van de) camerabeelden van 24 oktober 2023 waarop te zien is dat tien personen uit een busje worden geladen door veroordeelde en medeverdachte [medeverdachte 2] in combinatie met camerabeelden van 25 oktober 2023 waarop te zien is dat veroordeelde met een onbekend gebleven persoon met drie grote tassen en één grote doos het pand uit loopt. Daarnaast wordt in het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij geverbaliseerd dat bij de hennepkwekerij droge resten van hennepplanten en afvalzakken met potgrond, waarin zich gebruikte stekblokjes/rondjes en wortelresten bevonden, zijn aangetroffen. De rechtbank concludeert dat de genoemde omstandigheden duiden op één eerdere oogst. Hoeveelheid geoogste hennepplanten Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld hoeveel hennepplanten deze eerdere oogst zijn geoogst. Uit het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij blijkt dat er per kweekruimte 550 hennepplanten zijn aangetroffen, in totaal dus 1.100 hennepplanten. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij gaat uit van één eerdere oogst van in totaal 1.409 hennepplanten. Op de ruimlijst staat dat er in totaal 1.409 hennepplanten zijn aangetroffen. De rechtbank zal, in het voordeel van verdachte, uitgaan van een eerdere oogst van 1.100 hennepplanten. Dit sluit aan bij de bewezenverklaring in het vonnis. De hoogte van het in totaal wederrechtelijk verkregen voordeel Bij het schatten van het voordeel neemt de rechtbank de in het ontnemingsrapport gehanteerde uitgangspunten met betrekking tot de opbrengst en kosten per oogst over, nu deze uitgangspunten beredeneerd en onderbouwd zijn vastgesteld. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van 1 juni 2016 van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM). Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat de uitgangspunten zoals genoemd in het ontnemingsrapport anders moeten worden vastgesteld. In het pand aan [adres] werden twee kweekruimtes aangetroffen. Per kweekruimte is de opbrengst per oogst vastgesteld. Deze berekening vond plaats op basis van 709 hennepplanten in de eerste kweekruimte en 700 hennepplanten in de tweede kweekruimte. De rechtbank gaat uit van 550 hennepplanten per kweekruimte. Kweekruimte 1 In kweekruimte 1 werden 550 hennepplanten aangetroffen. De opbrengst aan hennep per plant van deze kweekruimte is volgens het ontnemingsrapport minimaal 25,7 gram. De totale opbrengst van de oogst bedraagt 550 x 25,7 gram = 14,135 kilogram. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het ontnemingsrapport is dit minimaal € 4.070,00 per kilogram. De totale bruto opbrengst bedraagt minimaal 14,135 x € 4.070,00 = € 57.529,
- De in mindering te brengen kosten zijn als volgt: - afschrijvingskosten € 450,00 - hennepstekken € 2.095,50 (€ 3,81 x 550) - variabele kosten € 2.134,00 (€ 3,88 x 550) - kosten knippers € 1.100,00 (€ 2,00 x 550) - huisvestingskosten € 9.500,00 - totaal aan kosten € 15.279,50 In afwijking van het ontnemingsrapport rekent de rechtbank geen kosten voor elektriciteit, omdat niet is komen vast te staan dat deze kosten daadwerkelijk zijn voldaan. Daarnaast rekent de rechtbank de kosten voor de huur van het pand op een bedrag van € 1.900,00 (de maandelijkse huurprijs) x 10 (acht maanden huur vanaf aanvang huurcontract op 1 april 2023 tot en met de laatste betaling voor de maand november 2023 + € 3.800,00 als borg) = € 19.000,
- Per kweekruimte komt dit uit op een bedrag van € 9.500,00 aan huisvestingskosten ( € 19.000,00 / 2). De kosten voor de hennepstekken, variabele kosten per stek/plant en kosten knippers heeft de rechtbank herberekend op basis van 550 hennepplanten. De bruto opbrengst van de oogst: € 57.529,45 De kosten van de oogst: € 15.279,50 -/- Netto wederrechtelijk verkregen voordeel: € 42.249,95 Kweekruimte 2 Voor kweekruimte 2 geldt dezelfde berekening als hierboven. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van kweekruimte 2 daarom ook op € 42.249,
- De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het geschatte totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 42.249,95 + € 42.249,95 = € 84.499,
- De hoogte van het ten aanzien van veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld wat de hoogte is van het ten aanzien van veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende de uitgelezen telefoon van medeveroordeelde [medeverdachte 1] blijken enkele gesprekken met ‘ [naam] ’. Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij ‘ [naam] ’ is. In een van de spraakberichten aan medeveroordeelde [medeverdachte 1] zegt veroordeelde: “Als ik nou een kleinere heb, gewoon met tien lampjes ofzo pak je ook veertigduizend euro snap je? Maar dan alleen voor jezelf snap je? Die eigenaar vijf/zesduizend hou je misschien vierendertigduizend over voor jezelf. Nu, kerel ik heb uhh.. jij tienduizend, hij vijftienduizend, die betalen, nieuwe stekjes vijfduizend, zesduizend.” Op basis van dit spraakbericht, maar ook op basis van de aangetroffen foto van stapels contant geld op de telefoon van medeveroordeelde [medeverdachte 1] daags na de hennepoogst, schat de rechtbank het bedrag dat medeveroordeelde [medeverdachte 1] heeft ontvangen voor haar betrokkenheid bij de hennepkwekerij op € 10.000,
- De rechtbank zal dit bedrag van € 10.000,00 aftrekken van het bedrag waarop de rechtbank het in totaal wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij heeft geschat, namelijk € 84.499,
- Dit betekent dat er € 74.499,90 (€ 84.499,90 - € 10.000,00) overblijft. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting ten aanzien van het totaal verkregen voordeel moet worden verdeeld over vier personen, namelijk veroordeelde, medeveroordeelde [medeverdachte 1] , medeverdachte [medeverdachte 2] en een onbekend gebleven Vietnamese man die eigenaar en investeerder van de hennepkwekerij was. Veroordeelde heeft over het bestaan en de rol van deze man verklaard. Deze onbekende man is ook gezien op de uitgekeken camerabeelden, onder andere rond het moment van de oogst. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat deze onbekende man heeft gedeeld in de opbrengst. Omdat er geen aanknopingspunten zijn voor de verdeling tussen de hiervoor genoemde twee personen en verdachte, zal de rechtbank het bedrag van € 74.499,90 delen door drie. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het geschatte voordeel ten aanzien van veroordeelde vast op een bedrag van € 24.833,30 (€ 74.499,90 / 3) en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat. Hetgeen de verdediging voor het overige heeft aangevoerd doet aan het voorgaande niet af. Voor het in de hoofdzaak toegewezen bedrag aan schadevergoeding in mindering brengen op de op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding. In het vonnis is verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Indien hij aan deze veroordeling heeft voldaan, kan hij ingevolge artikel 36e lid 9 Sr op de voet van artikel 6:6:26 Sv vermindering vragen. 4De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 24.833,30 (zegge: vierentwintigduizend achthonderddrieëndertig euro en dertig eurocent); - stelt de betalingsverplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 24.833,30 (zegge: vierentwintigduizend achthonderddrieëndertig euro en dertig eurocent); - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag; - bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 496 dagen; - wijst het anders of meer gevorderde af. Aldus gegeven door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.A. Rombouts, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober
- Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, rapportnummer PL0600-2023598999-1, opgemaakt op 27 juni 2024, p. 135-140 van het hierboven vermelde proces-verbaal. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023599183, gesloten op 9 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van verhoor getuige van 30 december 2023, p. 36-39.