RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/286922-24 Datum uitspraak : 17 oktober 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] (Koninkrijk der Nederlanden), wonende aan [adres] . Raadsvrouw: mr. J.G.T. Stapelbroek-Klooken, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2025. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 30 december 2023 te Velp, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ), (ongeveer) 1409, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Verdachte is eenmaal bij de kweekruimte zelf geweest. De overige keren dat zij zich in het pand bevond, was ze daar om te studeren in een andere ruimte. Het feit dat verdachte is gevraagd om mee te helpen met het regelen van administratieve zaken en hand-en-spandiensten te verrichten, betekent niet dat zij een zodanige intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd dat sprake is van medeplegen. Ten slotte is er geen bewijs voor de hoeveelheid van 1.409 hennepplanten. Bij het ontdekken van de kwekerij zouden er in totaal 1.100 planten zijn aangetroffen. Beoordeling door de rechtbank Aantreffen hennepkwekerij Op 30 december 2023 is in een pand aan [adres] een hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij bestond uit twee kweekruimtes. Beide kweekruimtes waren voorzien van twee geschakelde kweektenten van zes bij drie meter, twintig lampen, vier koolstoffilters, armaturen van elk 1031 watt met gekoppelde trafo’s, een centraal bevloeiingssysteem, isolatie, een aan- en afzuigingsinstallatie en verwarming. Ook werden er speciaal verrijkte aarde, biologisch bestrijdingsmiddel en vangplaatjes tegen vliegjes aangetroffen. Naast de kweektenten bevonden zich nog een wateropslag met dompelpomp en een schakelbord, voorzien van tijdschakelaars, die zo stonden ingesteld dat de kweekruimtes om en om verlicht waren. Verder zijn er hennepplantresten, op kalk gelijkende afzetting op verschillende materialen, stof op de koolstoffilters en andere voorwerpen, een droognet met resten van hennepplanten, gebruikt potgrond en wortelresten aangetroffen. De aangetroffen hennepplanten waren 110 tot 150 centimeter lang en volgroeid en er is vastgesteld dat het hennep betreft. Aantal planten In het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij staat vermeld dat er per kweekruimte 550 hennepplanten zijn aangetroffen, in totaal dus 1.100 hennepplanten. Het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij gaat uit van één eerdere oogst van in totaal 1.409 hennepplanten. Op de ruimlijst staat dat er in totaal 1.409 hennepplanten zijn aangetroffen. Vanwege de tegenstrijdigheid tussen het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij en het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er in totaal ongeveer 1.409 hennepplanten in de kwekerij aanwezig waren. De rechtbank zal daarom uitgaan van 1.100 hennepplanten. Beroeps- of bedrijfsmatige teelt Gelet op de aangetroffen hennepplantresten, de op kalk gelijkende afzetting en het stof op verschillende voorwerpen, het droognet, de gebruikte potgrond en de wortelresten is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van tenminste één eerdere oogst. Gelet op deze eerdere oogst, de hoeveelheid hennepplanten en de professionele inrichting van de kweekruimte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er beroeps- of bedrijfsmatig is geteeld. Medeplegen telen van hennepplanten op 30 december 2023 Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte betrokken was bij het telen van de hennepplanten en of sprake was van medeplegen op 30 december 2023. Verdachte heeft verklaard dat zij aanwezig was bij de bezichtiging van het pand en dat zij op 12 juli 2023 in de kweekruimte is geweest om een camera te installeren. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij medeverdachte [medeverdachte 1] hielp met zijn administratie, het regelen van een automatische incasso voor de betalingen van gas, water en licht en dat zij zijn inkomsten en uitgaven kon inzien. Verder heeft zij verklaard dat zij eind december 2023 voor het laatst in het pand is geweest. Uit het proces-verbaal van de uitgekeken camerabeelden blijkt dat verdachte in de periode van 12 juli tot en met 1 december zeventien keer is gezien in en bij het pand, een aantal keer ook samen met (één van) de medeverdachten. Daarnaast is te zien dat er op 24 oktober 2023 tien Aziatisch uitziende personen uit een busje worden geladen door medeverdachte [medeverdachte 2] en dat deze personen het pand betreden. De volgende dag worden deze personen weer opgehaald en in het busje geladen. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat in de nacht van 24 op 25 oktober 2023 een hennepoogst heeft plaatsgevonden. In de telefoon van verdachte worden verschillende foto’s, chatgesprekken en spraakberichten beschreven. Op 28 oktober 2023 is er met de telefoon van verdachte een foto gemaakt van grote stapels contant geld van biljetten van 50 euro (waarbij over de herkomst van de foto en het geld geen verklaring door verdachte is gegeven). Daarnaast is in een chatgesprek van 5 december 2023 tussen ‘ [naam] ’ en verdachte door [naam] gezegd: "Je houd water in de gaten daar he". Verdachte antwoordt daarop: "Ja, no worry’. [naam] zegt dan: ‘Morgen ofzo weer denk ij’ ‘Ik’. Verdachte antwoordt dan: Was gister al daar. Tank gevuld. Morgen ff verder schoonmaken. Ik ga ook al jou spullen deruit halen tools etc. Niks van jou. Safer voor je." Kort daarna stuurt [naam] : "Probeer zo min mogelijk hier over te spreken en namen te noemen". In de spraakberichten aan verdachte zegt [naam] onder andere “Je bent daar overdag snap je, je weet nooit snap je, is gewoon risico van niks. Dat gun ik jou ook niet, snap je. Je hebt al één keertje je best gedaan snap je? Daarom bij deze gewoon, pak je geld, weetje pak je geld en dan spaar dat lekker.” De verbalisant die de spraakberichten heeft beluisterd, herkent de stem van [naam] als die van medeverdachte [medeverdachte 2] . Verdachte heeft verklaard dat ‘ [naam] ’ medeverdachte [medeverdachte 2] betreft. Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen volgen zwaarwegende aanwijzingen van betrokkenheid van verdachte bij de hennepteelt. Als dat allemaal niet juist is, zoals zij beweert, had het op haar weg gelegen een overtuigende alternatieve verklaring te geven. Haar ter zitting afgelegde verklaring, dat zij slechts in het pand aanwezig was om te studeren omdat het hier rustiger was dan in haar eigen huis (waar ze woont met een schoolgaande dochter) en om af en toe wat schoon te maken, overtuigt niet. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte(
- n)ten aanzien van het telen van de hennepplanten. Niet is vast te stellen dat zij op 30 december 2023 in het pand aanwezig was. Toen op 30 december 2023 de hennepkwekerij werd ontdekt, waren de hennepplanten volgroeid. Uitgaande van een kweekcyclus van tien weken, en het feit dat er in die tussenliggende periode geen omstandigheden uit het dossier blijken of naar voren zijn gebracht die erop wijzen dat deze hennepplanten niet door anderen zijn geteeld en de verklaring van verdachte dat zij eind december 2023 nog in het pand aanwezig is geweest, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich op 30 december 2023 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen aan het telen van hennepplanten. Conclusie Op basis van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen van de hennepplanten op 30 december 2023. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: zij op of omstreeks 30 december 2023 te Velp, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ), 1.100 (ongeveer) 1409, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat een gevangenisstraf gelet op de afhankelijkheid van verdachte van een vast inkomen en de zorg voor haar dochter niet passend is. Bij het opleggen van een taakstraf dient rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte een alleenstaande moeder is die voor haar dochter moet zorgen, een vaste baan heeft en kampt met fysieke en psychische klachten. In het kader van een voorwaardelijke straf staat verdachte open voor enig reclasseringstoezicht, hoewel niet door de reclassering geadviseerd. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen van een groot aantal hennepplanten in een gehuurd pand. Het is algemeen bekend dat grootschalige hennepteelt en de organisatie daaromheen leiden tot grote nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en de maatschappij, zoals zware criminaliteit en ondermijning van de samenleving. Daarnaast hebben Liander en Vitens geconstateerd dat de illegaal afgenomen elektriciteit en water gevaar opleverden voor personen en/of goederen. De rechtbank merkt daarbij op dat het gehuurde pand toebehoorde aan een particulier die aanzienlijke schade heeft geleden door toedoen van de hennepkwekerij. Deze risico’s en nadelige gevolgen hebben verdachte er echter niet van weerhouden om dit feit te plegen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan en rekent het haar ook aan dat zij geen verantwoordelijkheid neemt voor haar daden. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met het feit dat verdachte een minder grote rol had dan bijvoorbeeld medeverdachte [medeverdachte 2] en ogenschijnlijk andere medeverdachten. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat zij, los van enkele (voorwaardelijke) sepots, niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat zij als alleenstaande moeder de zorg voor haar dochter heeft. Hiervoor is zij onder andere afhankelijk van het inkomen van haar vaste baan. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ondanks de ernst van het feit, niet passend is. Het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf acht de rechtbank niet geboden, nu verdachte zelf hulp heeft ingeschakeld en de leefsituatie van verdachte relatief stabiel is. De rechtbank zal verdachte daarom een taakstraf voor de duur van 140 uren opleggen. 8De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 27.250,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt. Hierbij komt dat de bedragen erg globaal zijn onderbouwd en de kosten erg hoog zijn. De kosten zijn daarnaast niet daadwerkelijk gemaakt; het genoemde bedrag is een schatting van de schade. De kosten voor vervanging van de meterkast dienen in ieder geval niet voor rekening van verdachte te komen, omdat verdachte geen diefstal van elektriciteit is ten laste gelegd. De overweging van de rechtbank Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Van het schadebedrag is een schatting gemaakt door een schade-expert van Achmea. De rechtbank sluit voor haar schatting van de schade aan bij de schatting zoals gemaakt door de schade-expert. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter hoogte van € 27.250,00 kan worden toegewezen. Verdachte is vanaf 30 december 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank overweegt dat verdachte en haar medeverdachte(
- n)ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover haar medeverdachte(
- n)de schade heeft/hebben vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9De beoordeling van het beslag De rechtbank zal het telefoontoestel met omschrijving PL0600-2023598999-G3221431, Grijs, merk: Apple, met behulp waarvan het bewezen verklaarde feit is begaan, verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. 10De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 9, 22 c, 22d, 33, 33a, 36f en 47 van het Wetboek van Strafrecht; - 3 en 11 van de Opiumwet. 11De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; legt op een taakstraf van 140 (honderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen; veroordeelt verdachte in verband met het bewezen verklaarde feit hoofdelijk tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 27.250,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 27.250,00 aan materiële schade. wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 171 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; bepaalt dat als de medeverdachte(
- n)(een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht; verklaart verbeurd het telefoontoestel met omschrijving PL0600-2023598999-G3221431, Grijs, merk: Apple. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.A. Rombouts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2025. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023599183, gesloten op 9 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 30 december 2023 inclusief fotoblad, p. 40-42, p. 59-60 en p. 64. Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 30 december 2023 inclusief fotoblad, p. 41. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 3 oktober 2025. Proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2024, p. 2-5 (aanvullend procesdossier). Proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2024, p. 157 en p. 161. Proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2024, p. 157 en p. 166-168. Proces-verbaal van bevindingen, p. 158. Proces-verbaal van bevindingen van 23 juli 2024, p. 157. Proces-verbaal van verhoor verdachte van 23 mei 2024 inclusief fotoblad, p. 241, 242 en 252.