← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:8987

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/457032 / HA ZA 25-388 Vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. I. de Gram te Geldermalsen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - het tegen [gedaagde] verleende verstek. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
  3. [eiseres] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 2.
  4. De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen. 2.
  5. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,25 - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.509,
  6. 2.
  7. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Bij deze stand van zaken heeft [eiseres] onvoldoende belang bij het door haar gevorderde bevelschrift ex artikel 237 lid 4 Rv, zodat deze vordering wordt afgewezen. 3De beslissing De rechtbank 3.
  8. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 78.721,73, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 april 2025, tot aan de dag der algehele voldoening, 3.
  9. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.562,22 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 september 2025, tot aan de dag der algehele voldoening, 3.
  10. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.509,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  11. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, 3.
  12. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  13. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.