← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:9012

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer: 05-036662-25 Datum uitspraak : 18 augustus 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wonende aan [adres 1] [geboorteplaats] raadsman: mr. H.J. Ruysendaal, advocaat in [geboorteplaats] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 april 2024 toten met 31 mei 2024 te Harderwijk en/of Vinkeveen en/of Rotterdam en/of Helmonden/of Hoogeveen en/of Hoorn, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,een of meerdere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten- [slachtoffer 1] (2.480,91 en/of 1.939,60 euro) en/of- [slachtoffer 2] (910,56 en/of 290 euro) en/of- [slachtoffer 3] (200 en/of 1.320,29 en/of 495 en/of 550 en/of 420 euro) en/of- [slachtoffer 4] (1.980 en/of 1.920,47 euro),(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde geldbedragen, in elk gevalenig geldbedrag, althans enig goed, door:- zich in een of meer Whatsapp- en/of SMS-berichten voor te doen alszijnde dedochter en/of zoon, in elk geval een familielid en/of kennis van die personen en/of- (daarbij/daarin) die personen mede te delen dat zijn en/of haar telefoon (in hetwater) gevallen en/of kwijt en/of kapot en/of niet volledig bruikbaar is en/of- een of meerdere malen mede te delen geld nodig te hebben en/of een of meerderemalen mede te delen dat een of meerdere betalingen niet lukken en/of- een of meerdere keren te vragen om een bedrag over te maken; subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden: een of meer onbekend gebleven daders in of omstreeks de periode van 25 april 2024tot en met 31 mei 2024 te Harderwijk en/of Vinkeveen en/of Rotterdam en/ofHelmond en/of Hoogeveen en/of Hoorn, althans in Nederland, althans inNederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,een of meerdere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten- [slachtoffer 1] (2.480,91 en/of 1.939,60 euro) en/of- [slachtoffer 2] (910,56 en/of 290 euro) en/of- [slachtoffer 3] (200 en/of 1.320,29 en/of 495 en/of 550 en/of 420 euro) en/of- [slachtoffer 4] (1.980 en/of 1.920,47 euro),(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde geldbedragen, in elk gevalenig geldbedrag, althans enig goed, door:- zich in een of meer Whatsapp- en/of SMS-berichten voor te doen alszijnde dedochter en/of zoon, in elk geval een familielid en/of kennis van die personen en/of- (daarbij/daarin) die personen mede te delen dat zijn en/of haar telefoon (in hetwater) gevallen en/of kwijt en/of kapot en/of niet volledig bruikbaar is en/of- een of meerdere malen mede te delen geld nodig te hebben en/of een of meerderemalen mede te delen dat een of meerdere betalingen niet lukken en/of- een of meerdere keren te vragen om een bedrag over te maken;bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meerdere tijdstippenin of omstreeks de periode van 25 april 2024 tot en met 31 mei 2024 te Harderwijken/of Vinkeveen en/of Rotterdam en/of Helmond en/of Hoogeveen en/of Hoorn,althans in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:- een of meer bedragen te pinnen en/of- een of meer rekeningen te openen; 2.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 april 2024 toten met 31 mei 2024 te Harderwijk en/of Rotterdam, meermalen, althans eenmaal,één of meerdere geldbedragen, namelijk:- 1.350 en/of 500 euro,- 1.870 en/of 920 en/of 910 en/of 290 en/of 850 en/of 1.100 euro,in elk geval één of meerdere geldbedragen, althans enig goed, dat/die geheel of tendele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte heeft weggenomen met het oogmerkom het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot deplaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemengoed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel vaneen valse sleutel, te weten door te pinnen met een of meerdere bankpassen metbijbehorende inlogcodes op naam van [naam 1] en/of [naam 2] ; 3.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 2023tot en met 26 juli 2024 te Harderwijk en/of Rotterdam en/of Ermelo, althans inNederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne,zijnde cocaïne en/of heroïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4.hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente UtrechtseHeuvelrug opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,13 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 1,10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,zijnde cocaïne en/of heroïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
  2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair en feiten 2 tot en met
  3. Ten aanzien van feit 1 kan volgens de officier van justitie het bedrag dat door [slachtoffer 1] is overgemaakt aan [naam 3] (€ 2.480,91,-) en het bedrag dat door [slachtoffer 4] is overgemaakt aan [naam 4] (€1.980,-) niet worden bewezen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit ten aanzien van feit 1 en feit 2 dat [naam 2] zelf rekeningnummer [nummer 1] heeft geopend onder invloed van drugs. Rekeningnummer [nummer 2] op naam van [naam 1] is volgens de verdediging door ene [naam 5] geopend en niet door verdachte. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging gevraagd om de verklaringen van [naam 6] als twijfelachtig dan wel leugenachtig te beschouwen. Ook waren de harddrugs die verdachte bij zich had bij zijn aanhouding bedoeld voor eigen gebruik, moest hij de ‘draaitelefoon’ die onder hem werd aangetroffen alleen bij zich houden en dealde hij zelf geen drugs. Beoordeling door de rechtbank Feit 1 Inleiding Op 26 juli 2024 werd er onder verdachte een witte iPhone 12 met telefoonnummer [telefoonnummer 1] inbeslaggenomen. Op de telefoon werd onder meer een foto van een gerechtelijk stuk aangetroffen die gericht is aan verdachte, op de telefoon was ingelogd met e-mailadres [email], op TikTok was ingelogd met de naam [Tiktok naam], er werd een selfie aangetroffen in de telefoon van 13 januari 2024 waarop verbalisant [verbalisant 1] verdachte herkende als de persoon op de selfie en in de telefoon stond de naam [naam 7] opgeslagen onder nummer [telefoonnummer 2] . Uit de politiesystemen bleek dat dit nummer in gebruik is bij [naam 8] , de moeder van verdachte. De verkeersgegevens van dit telefoonnummer [telefoonnummer 1] lieten zien dat het toestel gedurende de periode van 7 juli tot en met 26 juli 2024 elke nacht, op één na, verbinding maakte met een zendmast gelegen aan de [adres 2] te [geboorteplaats] . Deze zendmast bevindt zich op circa 50 meter afstand van het adres van de vader van verdachte aan de [adres 3] te [geboorteplaats] . De rechtbank concludeert dat verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en de onder hem in beslag genomen iPhone
  4. [slachtoffer 1] , woonachtig in Vinkeveen, heeft aangifte gedaan van hulpvraagfraude op 25 april
  5. Hij kreeg een sms-bericht van een onbekend nummer wat leek af te komen van een van zijn kinderen. Hierin stond ‘Hoi pap. Mijn telefoon is gevallen! Kan je mij zodra je dit leest, even een bericht sturen op WhatsApp, naar : [telefoonnummer 3] . Daarna kreeg [slachtoffer 1] via WhatsApp het verzoek om geld over te maken. [slachtoffer 1] heeft daarop om 13:45 uur €2.480,91 euro overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [naam 3] en om 14:08 uur die dag €1.939,60 euro overgemaakt naar rekeningnummer [nummer 1] op naam van [naam 2] . Op de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone 12 werd op 25 april 2024 om 15:53 uur een foto gemaakt van een beeldscherm van een telefoon waar op stond ‘SNS Compleet’ met een aantal transacties: ‘De heer [naam 9] en mevr [slachtoffer 1] +500 euro Geldmaat [adres 8] Harderwijk -1.350 euro De heer [naam 9] en mevr [slachtoffer 1] +1439,60 euro’. Op 25 april 2024 werden de camerabeelden uitgekeken van de Geldmaat in Harderwijk tussen 14:13 en 14:24 uur. Daarop was te zien dat er door een persoon werd gepind met een bankpas van rekeningnummer [nummer 1] op naam van [naam 2] . Verdachte verklaarde dat hij zichzelf herkende op deze beelden en dat hij wel eens bedragen pinde voor anderen. Verbalisant [verbalisant 2] herkende de persoon op de beelden van 25 april 2024 als zijnde verdachte. [verbalisant 2] was in 2023 werkzaam geweest in een politieonderzoek waarin verdachte een van de verdachten was en hij werd daarin door medeverdachten ook wel [schuilnaam] ’ genoemd. [naam 2] verklaarde op 3 mei 2024 dat zij zich kort geleden in een woning in Ermelo bevond met twee andere personen, waarvan zij er één kende als [schuilnaam]. [schuilnaam] had het paspoort van [naam 2] nodig en gaf haar daar in ruil 20 euro aan cocaïne voor. [naam 2] zag dat [schuilnaam] een app opende op zijn smartphone en daarna haar gezicht en paspoort scande en gegevens van haar paspoort invoerde. Op 3 mei 2024 hoorde [naam 2] van haar bewindvoerder dat er een SNS-bankrekening op haar naam was geopend en dat daar bedragen op waren gestort. De overboekingen van [slachtoffer 1] waren te zien op het transactieoverzicht van de rekening [nummer 1] op naam van [naam 2] . [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] [slachtoffer 2] , woonachtig in Helmond, heeft aangifte gedaan van hulpvraagfraude op 31 mei
  6. Een persoon deed zich via WhatsApp voor als de zoon van [slachtoffer 2] en vroeg of [slachtoffer 2] een nieuw telefoonnummer wilde opslaan. [slachtoffer 2] kreeg daarna een WhatsApp-bericht van deze persoon met de volgende inhoud: ‘ik probeer iets te betalen via app maar het lukt mij niet, kan je het misschien voorschieten? ik kan het morgen terug betalen! Anders sturen ze een incasso. Kan ik anders jou de gegevens sturen?’. [slachtoffer 2] werd hierna verzocht om verschillende bedragen over te maken. Om 12:36 en 12:53 uur diezelfde dag heeft [slachtoffer 2] €910,56,- en €290,- overgemaakt op naam van [naam 1] met rekeningnummer [nummer 2] . Het rekeningnummer [nummer 2] bleek na navraag in het politiesysteem op naam van [naam 1] te staan. [naam 10] , de huisgenoot van [naam 1] , verklaarde op 20 juni 2024 dat hij de id-kaart van [naam 1] ongeveer 4 tot 5 weken geleden voor 2 dagen had uitgeleend aan een vriend. [naam 10] kende deze persoon onder de naam [naam 5] en had contact gehad met hem onder telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Ook [slachtoffer 3] , woonachtig in Hoogeveen, heeft aangifte gedaan van hulpvraagfraude. Hij kreeg op 30 mei 2024 een bericht van iemand die zich voordeed als zijn zoon en geld nodig had omdat zijn iPhone was gevallen. Het WhatsApp-gesprek had de volgende inhoud: ‘[23:09, 5/30/2024] Leen Toestel !: Ik probeer iets te betalen via de app maar het lukt mij niet, kan je het misschien voorschieten? Ik kan het morgen terug betalen! Anders sturen ze een incasso. [23:09, 5/30/2024] Leen Toestel !: Kan ik jou anders de gegevens sturen? [23:14, 5/30/2024] [slachtoffer 3] : Dat is goed. Ik wacht nog wel even op jouw opdracht. (..) [23:29, 5/30/2024] Leen Toestel !: Kan je eerst de 1320 betalen en daarna de 550? [23:29, 5/30/2024] Leen Toestel !: Dus apart van elkaar naar hetzelfde nummer. [23:31, 5/30/2024] Leen Toestel !: Laat anders even weten als de 1320.29 is betaald. [23:37, 5/30/2024] Leen Toestel !: Pap lukt het zo? [23:46, 5/30/2024] [slachtoffer 3] : [naam 11] heeft mijn daglimiet kortgeleden gewijzigd naar a,-> 1000.- Nu heb ik dit net verhoogd met a,-, 500.- Ik krijg na 4 uren beschikking over het verhoogde bedrag dat ik mag storten. Moet dat vanavond nog?’ [slachtoffer 3] werd in het gesprek verzocht om verschillende bedragen over te maken. [slachtoffer 3] had daarop op 31 mei 2024 tussen 12:06 en 13:41 uur bedragen van €200,-, €1.320,29,-, €495,-, €550,- en €420,- overgemaakt naar rekeningnummer [nummer 2] op naam van [naam 1] . Ook [slachtoffer 4] , woonachtig in Hoorn, deed aangifte van hulpvraagfraude op 31 mei
  7. Hij kreeg een bericht van iemand die zich voordeed als zijn zoon. Het WhatsApp-gesprek verliep als volgt: ‘Hoi Pap, Mijn telefoon is gevallen. Kan je zodra je dit leest mij een bericht sturen op Whatsap nummer + [nummer 3] . [31-05-2024, 13:00:56] [slachtoffer 4] : Hier is het bericht[31-05-2024, 13:01:29] + [nummer 3] : Hoi pap.​​​​​​​[31-05-2024, 13:04:09] + [nummer 3] : Pap ben je druk?[31-05-2024, 13:06:01] [slachtoffer 4] : Ja ,ik ben bezig met stoofvlees[31-05-2024, 13:06:33] + [nummer 3] : Ik probeer iets te betalen via de app maar het lukt mij niet, kan je het misschien voorschieten? Ik kan het morgen terug betalen! Anders sturen ze een incasso.[31-05-2024, 13:06:36] + [nummer 3] : Kan ik jou anders de gegevens sturen?[31-05-2024, 13:07:51] [slachtoffer 4] : Ja[31-05-2024, 13:08:10] + [nummer 3] : Oké!Vanuit welke bank kan je het betalen?[31-05-2024, 13:08:23] [slachtoffer 4] : ING[31-05-2024, 13:08:44] + [nummer 3] : Bedrag is €1920.4 , ik stuur even de gegevens door.[31-05-2024, 13:09:41) + [nummer 3] : [naam 1] , [rekeningnummer 2] , Bedrag: €1920.47’. [slachtoffer 4] had daarna op verzoek van de persoon om 13:47 uur €1.920,47 overgemaakt naar rekeningnummer [nummer 2] op naam van [naam 1] en om 15:04 uur €1.980 naar rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [naam 4] . De saldo- en transactiegegevens van rekeningnummer [nummer 2] op naam van [naam 1] werden gevorderd. Daaruit bleek dat de door [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bedragen op de rekening waren gestort. Ook bleek dat er op 31 mei 2024 tussen 12:25 en 13:52 uur meerdere bedragen van deze rekening waren opgenomen bij twee geldautomaten in [geboorteplaats] . Verdachte verklaarde over de transacties op 31 mei 2024 dat hij de opdracht had gekregen om geld te pinnen voor een dealer. Verdachte verklaarde ook dat hij dacht dat de bankpas waarmee hij pinde van [naam 12] was. Conclusie De rechtbank stelt vast dat verdachte de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] was gedurende de tenlastegelegde periode. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat de witte iPhone 12 met telefoonnummer [telefoonnummer 1] onder verdachte in beslag werd genomen, het aantreffen van de selfie van verdachte op de telefoon, het e-mailadres van verdachte dat was ingelogd op de telefoon en dat de moeder van verdachte, [naam 8] , als contactpersoon stond opgeslagen. De rechtbank overweegt dat verdachte ook de persoon is die de id-kaart van [naam 1] gebruikte om daarna op haar naam een rekening te openen. [naam 10] verklaarde immers dat hij over het uitlenen van de id-kaart van [naam 1] contact had met een persoon via telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dat verdachte de persoon achter dit telefoonnummer was, wordt ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij dacht dat de bankpas van [naam 12] was. Verder overweegt de rechtbank dat [naam 2] verklaarde dat zij haar id-kaart had afgegeven aan een persoon genaamd [schuilnaam], waarna deze persoon haar id-kaart scande en een foto maakte van haar gezicht. Hierna kwam [naam 2] er achter dat er een SNS-bankrekening op haar naam was geopend. Onder de naam [schuilnaam] was verdachte ook bekend bij verbalisant [verbalisant 2] . Ook was verdachte op de telefoon met nummer [telefoonnummer 1] ingelogd onder de naam [Tiktok naam]. De rechtbank komt hierdoor tot de conclusie dat verdachte [schuilnaam] was die de rekening op naam van [naam 2] heeft geopend. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte mede de aangevers heeft opgelicht, dat geldt voor alle overboekingen met uitzondering van het bedrag dat [slachtoffer 1] heeft overgemaakt aan [naam 3] (€2.480,91,-) en het bedrag dat [slachtoffer 4] heeft overgemaakt aan [naam 4] (€1.980,-). Voor de oplichting van deze bedragen is in het dossier geen bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van verdachte daarbij. De rechtbank stelt vast dat aangevers door een samenweefsel van verdichtsels en het aannemen van een valse hoedanigheid zijn bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen. Verdachte is vervolgens ook de persoon geweest die op meerdere momenten diverse bedragen bij geldautomaten heeft opgenomen. Medeplegen De volgende vraag die voorligt is of er ook sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met één of meer anderen door verdachte. De rechtbank overweegt daartoe als eerst dat er op 25 april 2024 door verdachte een foto is gemaakt van een ander beeldscherm waarop bijschrijvingen van [slachtoffer 1] en een geldopname bij een Geldmaat van rekeningnummer [nummer 1] op naam van [naam 2] waren te zien. Daarnaast werd op de inbeslaggenomen iPhone 12 van verdachte een WhatsApp-gesprek aangetroffen met telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Dit nummer is volgens de politie gebruik is bij [naam 13] , wonende aan de [adres 4] in [geboorteplaats] . Dit adres betrof het correspondentieadres van het door verdachte geopende rekeningnummer [nummer 2] op naam van [naam 1] . In het WhatsAppgesprek was op 12 mei 2024 een foto van een envelop te zien die gericht was aan ‘Hr [naam 14] , [adres 5] [geboorteplaats]’ met als afzender de ING bank. Verdachte had op 12 mei 2024 naar [naam 14] gestuurd ‘TMM, Deze week en volgende week komen paar brieven’. De rechtbank is van oordeel dat uit het handelen van verdachte volgt dat sprake was van een gezamenlijk plan en een onderlinge taakverdeling met anderen met wie hij samenwerkte. De wijze waarop het feit plaatsvond vereist een planmatige aanpak en intensieve samenwerking en afstemming tussen verschillende personen. Het kan niet anders dan dat er nauw contact was tussen de persoon die met de slachtoffers contact had via WhatsApp en verdachte die de rekeningen opende en uiteindelijk het geld pinde gelet op het zeer korte tijdsbestek tussen de overschrijvingen en het pinnen. Dat verdachte contact had met anderen over de oplichtingen, blijkt uit de foto op zijn telefoon van een ander beeldscherm met daarop zichtbaar de bijschrijvingen van [slachtoffer 1] . Het contact dat verdachte had met [naam 13] over het ontvangen van post op de [adres 4] in [geboorteplaats] , een adres dat voor het openen van de rekening van [naam 1] al eerder was gebruikt als correspondentieadres bij ING-bank, is daarvoor eveneens ondersteunend. Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en andere personen die zag op het plegen van de oplichtingen. Verdachte had daarbij een faciliterende en uitvoerende rol door de rekeningen te openen, geld op te nemen en contact te hebben met [naam 14] over post. De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de bewezenverklaarde oplichting. Feit 2 Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen onder feit 1 volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voor diverse geldbedragen. De door de aangevers overgemaakte bedragen zijn op verschillende momenten opgenomen bij geldautomaten. [slachtoffer 1] heeft op 25 april 2024 om 14:08 uur €1.939,60,- overgemaakt naar rekeningnummer [nummer 1] ten name van [naam 2] . Kort daarna, op diezelfde dag, werden van deze rekening bij Geldmaat [adres 8] in Harderwijk twee bedragen opgenomen van respectievelijk €1350,- (14:13 uur) en €500,- (14:24 uur). Verdachte verklaarde zichzelf te herkennen op de beelden van deze geldopnames en bevestigde dat hij wel eens bedragen heeft gepind. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hadden op 31 mei 2024 tussen 12:06 en 13:47 uur verschillende bedragen overgemaakt naar rekeningnummer [nummer 2] ten name van [naam 1] . Op deze dag werden op verschillende tijdstippen tussen 12.25 en 13.52 uur bij een Geldmaat [adres 8] in [geboorteplaats] bedragen opgenomen van de rekening van [naam 1] van €1870,-, €920,-, €910,-, €290,- en €850,-, gevolgd door een opname van €1100,- bij een Albert Heijn in [geboorteplaats] om 13.58 uur.Verdachte verklaarde over de beelden van de geldopnames dat hij de opdracht had gekregen om geld te pinnen voor een dealer wiens naam hij niet wilde noemen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is geweest die op meerdere momenten heeft gepind met valse sleutels, te weten de bankpassen met bijbehorende inlogcodes op naam van [naam 1] en [naam 2] . Feit 3 Uit de bewijsmiddelen opgenomen onder feit 1 volgt dat de witte iPhone met telefoonnummer [telefoonnummer 1] op 26 juli 2024 bij verdachte in beslag werd genomen en werd onderzocht. Uit onderzoek naar de telefoon kwam verder naar voren dat de telefoon in een periode van 6 maanden door 31 nummers was benaderd voor het kopen van verdovende middelen. Op 29 december 2023 stuurde telefoonnummer [telefoonnummer 1] een bericht naar [telefoonnummer 5] waarin stond ‘[naam 5] nieuwe!!’. In een gesprek met ditzelfde nummer van 25 juli 2024 kwam het volgende naar voren: ‘[voorletter 1] : Kan ik een halve krijgen in de stad?[voorletter 2] : Tuurlijk nro[voorletter 2] : Bro[voorletter 2] : Kan ook Tikkie[voorletter 2] : ja bro[voorletter 1] : stuur tikkie[voorletter 1] : kom d"r aan[voorletter 1] : Bb?[voorletter 2] : Isgoed[voorletter 2] : Bro kleine [verwijzing naar afkomst] jongen komt[voorletter 1] : hoe [naam 1] ?[voorletter 2] : FF vragen bro 1 moment[voorletter 2] : Hij was al daar in de buurt[voorletter 1] : Kom daar nu heen[voorletter 1] : Bodywarmer[voorletter 2] : isgoed bro[voorletter 2] : Hoe lang jij daar?[voorletter 2] : 2 minuten’. De witte iPhone maakte tevens gebruik van Snapchat met gebruikersnaam [gebruikersnaam]. In Snapchat werden meerdere gesprekken aangetroffen met [naam 15], met wie tussen 9 juni en 26 juli 2024 bijna 900 berichten waren uitgewisseld. In een gesprek van 9 juni zei verdachte tegen [naam 15]: ‘Ga dan [adres 8] ’. In berichten van 22 juli 2024: ‘Die [verwijzing naar afkomst] zwarte merrie busje halve 20’, ‘Plus [naam 16] is er over 15 min 1 wit 20 en ‘[adres 6] 40 wit 20 bruin’ en ‘betaald 60’. En op 24 juli ‘heb [verwijzing naar afkomst] witte bus station zo halve pof’ en ‘en Frits 1 wit 1 bruin 30’. [naam 6] verklaarde dat hij vanaf het einde van het schooljaar van 2024 tot de laatste week van juli in Harderwijk drugs, cocaïne, heroïne en crack, heeft verhandeld voor [schuilnaam] . [schuilnaam] stuurde [naam 6] berichten via Snapchat op zijn account [naam 15] en kwam vervolgens naar Harderwijk om de drugs aan [naam 6] te geven. [naam 6] verkocht elke dag drugs aan 4 à 5 klanten voor [schuilnaam] en gaf de opbrengst aan hem. [naam 17] verklaarde op 5 augustus 2024 dat hij sinds ongeveer een jaar drugs koopt bij een dealer die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . [naam 17] kocht in totaal ongeveer 4-6 keer cocaïne bij hem. De jongen die de drugs op 12 juli 2024 kwam brengen was van [verwijzing naar afkomst] komaf. Aan [naam 17] werd tijdens het verhoor een foto getoond van [naam 6] , waarop [naam 17] verklaarde dat dit de persoon was van wie hij drugs had gekocht. Bij de aanhouding van verdachte op 26 juli 2024 werd in de tas die hij bij zich had 18,03 gram cocaïne en 1,10 gram heroïne aangetroffen. Conclusie Onder feit 1 had de rechtbank al vastgesteld dat verdachte de gebruiker was van telefoonnummer [telefoonnummer 1] ten aanzien van de oplichting. De vraag die voorligt is of verdachte ook de persoon is geweest die zich van 29 december 2023 tot en met 26 juli 2024 opzettelijk heeft beziggehouden met de handel in harddrugs. Uit het voorgaande is naar voren gekomen dat telefoonnummer [telefoonnummer 1] in deze periode meerdere malen contact heeft gehad met 31 afnemers over het kopen van ‘1 wit’, ‘1 bruin’, ‘een halve’ en diverse bedragen en locaties in Harderwijk waar de afnemers naartoe moesten gaan. De rechtbank stelt vast dat de inhoud van deze gesprekken zien op de handel in harddrugs. Ook getuige [naam 17] verklaarde dat hij in 1 jaar tijd 4-6 keer drugs had gekocht bij telefoonnummer [telefoonnummer 1] , waarbij de laatste keer op 12 juli 2024 was. Ook [naam 6] heeft verklaard dat sprake was van drugshandel. Verder werd bij de aanhouding van verdachte op 26 juli 2024 ruim 19 gram harddrugs, cocaïne en heroïne, bij hem aangetroffen. Gelet op het aantal grammen en het feit dat de diverse soorten drugs waren verpakt in meerdere gripzakjes meent de rechtbank dat dit gaat om een dealershoeveelheid. Het bezit van deze harddrugs ondersteunt de betrokkenheid van verdachte bij het dealen. De rechtbank gaat daarbij niet mee in de verklaring van verdachte dat hij de harddrugs alleen bij zich had voor vrienden. De verklaring van verdachte dat hij de zogenoemde draaitelefoon alleen bij zich hield en zelf niet dealde is in het licht van de chatgesprekken en getuigenverklaring niet geloofwaardig. Daar komt nog bij dat ook [naam 2] verklaarde dat zij tussen eind april en begin mei 2024 voor €20,- aan cocaïne van [schuilnaam] had gekregen toen zij in een woning in Ermelo was met hem. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gedeald in cocaïne en heroïne. Medeplegen De volgende vraag die voorligt is of er ook sprake is van medeplegen. De rechtbank meent dat verdachte een substantiële bijdrage van voldoende gewicht leverde aan het dealen. Verdachte vervulde een duidelijke rol door het chatten met afnemers en het contact met [naam 6] . Niet alleen vertelde verdachte naar welke adressen [naam 6] moest gaan om de drugs af te leveren, ook bracht verdachte de drugs die [naam 6] moest verkopen naar [naam 6] toe en inde hij de opbrengst daarvan. De rechtbank ziet geen reden om de verklaring van [naam 6] als twijfelachtig of leugenachtig te beschouwen, zoals door de verdediging is voorgesteld. De verklaring van [naam 6] wordt immers ondersteund door de in de telefoon van verdachte aangetroffen chatgesprekken en de getuigenverklaring van [naam 17] . De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het dealen in cocaïne en heroïne. Feit 4 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 103-104; - het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 105-115; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 augustus
  8. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 van het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
  9. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 april 2024 toten met 31 mei 2024 te Harderwijk en/of Vinkeveen en/of Rotterdam en/of Helmonden/of Hoogeveen en/of Hoorn, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,een of meerdere personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten- [slachtoffer 1] (2.480,91 en/of 1.939,60 euro) en/of- [slachtoffer 2] (910,56 en/of 290 euro) en/of- [slachtoffer 3] (200 en/of 1.320,29 en/of 495 en/of 550 en/of 420 euro) en/of- [slachtoffer 4] (1.980 en/of 1.920,47 euro),(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde geldbedragen, in elk gevalenig geldbedrag, althans enig goed, door:- zich in een of meer Whatsapp- en/of SMS-berichten voor te doen als zijnde dedochter en/of zoon, in elk geval een familielid en/of kennis van die personen en/of- (daarbij/daarin) die personen mede te delen dat zijn en/of haar telefoon (in hetwater) gevallen en/of kwijt en/of kapot en/of niet volledig bruikbaar is en/of- een of meerdere malen mede te delen geld nodig te hebben en/of een of meerderemalen mede te delen dat een of meerdere betalingen niet lukken en/of- een of meerdere keren te vragen om een bedrag over te maken; 2.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 april 2024 toten met 31 mei 2024 te Harderwijk en/of Rotterdam , meermalen, althans eenmaal,één of meerdere geldbedragen, namelijk:- 1.350 en/of 500 euro,- 1.870 en/of 920 en/of 910 en/of 290 en/of 850 en/of 1.100 euro,in elk geval één of meerdere geldbedragen, althans enig goed, dat/die geheel of tendele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ,in elk geval aan een ander dan aan verdachte heeft weggenomen met het oogmerkom het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot deplaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemengoed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel vaneen valse sleutel, te weten door te pinnen met een of meerdere bankpassen metbijbehorende inlogcodes op naam van [naam 1] en/of [naam 2] ; 3.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 december 2023tot en met 26 juli 2024 te Harderwijk en/of Rotterdam en/of Ermelo, althans inNederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of- een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne,zijnde cocaïne en/of heroïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 4.hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente UtrechtseHeuvelrug opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,13 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 1,10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,zijnde cocaïne en/of heroïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 primair: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat er bij strafoplegging rekening moet worden gehouden dat verdachte slechts een bijrol heeft gehad in de oplichtingszaak. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met begeleiding door de reclassering. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte telkens druk uitgeoefend op aangevers om diverse bedragen over te maken. Aangevers, allen op leeftijd, dachten dat zij spraken met hun kind dat dringend geld nodig had en hebben duizenden euro’s overgemaakt naar diverse rekeningen. Bij de oplichting zijn telkens ouderen als slachtoffer gekozen, die verdachte eenvoudig en zonder veel risico kon oplichten. Verdachte is op geraffineerde wijze te werk gegaan en heeft met zijn handelen ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen van aangevers in het digitale verkeer. Daarnaast zorgt WhatsApp-fraude voor angstgevoelens bij de slachtoffers en gevoelens van onveiligheid bij anderen in de samenlevering. Het is algemeen bekend dat feiten als deze veel impact hebben op de gedupeerden en hun omgeving. Verdachte heeft zich niets aangetrokken van de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en had alleen oog voor eigen financieel gewin. Verdachte heeft ook ten aanzien van feiten 2 en 3 gebruik gemaakt van mensen die in een kwetsbare positie verkeerden. Verdachte heeft bij [naam 2] drugs gesteld tegenover het mogen gebruiken van haar identiteitskaart, waarna hij zonder haar toestemming een rekening opende. Ook op naam van [naam 1] heeft verdachte een rekening zonder dat zij dat wist. Uit de aangiftes is gebleken dat dit verstrekkende (financiële) gevolgen heeft voor de slachtoffers. Ten aanzien van feit 3 heeft verdachte [naam 6] harddrugs voor hem laten rondbrengen. [naam 6] was op dat moment 16 jaar oud en gebruikte zelf ook hasj en cocaïne. De rechtbank vindt het zeer ernstig te noemen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van een minderjarige, beïnvloedbare en kwetsbare jongen om voor hem drugs te laten rondbrengen. Ook heeft [naam 6] verklaard dat hij op verzoek van verdachte een keer een bankrekening had geopend op naam van een onbekend iemand. Ook dit laat zien hoe berekenend verdachte te werk ging. Verdachte heeft behoudens het drugsbezit alle feiten ontkend en de verantwoordelijkheid daarvoor bij anderen gelegd. Verdachte heeft daarmee geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, ook niet ter terechtzitting ten overstaan van de aanwezige slachtoffers. Hij heeft zich ook niets aangetrokken van de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. De rechtbank neemt dit verdachte erg kwalijk. De persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 25 juni 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder een transactie opgelegd heeft gekregen voor drugsbezit, waardoor artikel 22b Sr van toepassing is. Uit het rapport van de reclassering van 20 juni 2025 is naar voren gekomen dat de reclassering het leefgebied middelengebruik en verslaving als delictgerelateerd ziet. Ook ziet de reclassering mogelijke verbanden tussen de tenlastegelegde feiten en de leefgebieden huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding. Bij verdachte is sprake van een verslaving aan softdrugs en cocaïne. In de tenlastegelegde periode verbleef verdachte afwisselend bij vrienden en familie, had hij geen structurele dagbesteding, geen inkomen en negatieve sociale contacten. De reclassering ziet bij verdachte een nonchalante houding als het gaat om de verdenkingen en verdachte heeft geen enkel moment van bezorgdheid of medeleven laten zien. Er lijkt sprake te zijn van een pro-criminele houding. Recentelijk heeft verdachte enkele positieve veranderingen doorgemaakt, waaronder het (bijna) volledig stoppen met middelengebruik en het wonen bij zijn vader. De vooruitgang bevindt zich volgens de reclassering echter nog in een prille fase. Er is op dit moment geen sprake van enige vorm van begeleiding of hulpverlening voor verdachte, waardoor de kans op terugval en recidive in hoge mate aanwezig blijft. De reclassering vindt het daarom noodzakelijk om verdachte verder te kunnen begeleiden. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, meewerken aan middelencontrole en ambulante begeleiding. De straf Bij het bepalen van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat het ten aanzien van de oplichting gaat om meerdere slachtoffers. Ten aanzien van de handel in drugs weegt de rechtbank mee dat het gaat om een periode van 6 maanden en dat verdachte eerder is veroordeeld voor een drugsgerelateerd feit. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de handel in harddrugs is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 6 tot 8 maanden. Onder alle genoemde omstandigheden is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank acht de feiten te ernstig om af te doen met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf zoals is verzocht door de verdediging. Het station van taakstraffen is naar mening van de rechtbank gepasseerd gezien de recidive en de ernst, omvang en duur van de feiten. De rechtbank ziet wel aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en acht dit gerechtvaardigd. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten pleegt, met name op het gebied van oplichting en drugsdelicten. De rechtbank acht het daarom ook van belang dat verdachte wordt behandeld. Alles afwegende vindt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank gaat er met de verdediging vanuit dat verdachte 3 dagen inverzekeringstelling heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8De beoordeling van de civiele vorderingen De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €4.420,51,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het totaalbedrag van de materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten: Overboeking naar [naam 2] : €1.939,- Overboeking naar [naam 3] : €2.480,91,- De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €1.200,56 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het totaalbedrag van de materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten: - Overboekingen naar [naam 1] : €290,- en €910,56,- De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €2.985,29 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het totaalbedrag van de materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten: - Overboekingen naar [naam 1] : €200,-, €1.320,29,-, €495,-, €550,- en €420,- De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert €3.900,47 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Het totaalbedrag van de materiële schade is opgebouwd uit de volgende posten: Overboeking naar [naam 4] : €1.980,- Overboeking naar [naam 1] : €1.920,47,-. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met uitzondering van het bedrag van €2.480,91,- dat [slachtoffer 1] heeft overgemaakt naar [naam 3] en het bedrag van €1.980,- dat [slachtoffer 4] heeft overgemaakt naar [naam 4] vanwege de bepleite vrijspraak. De officier van justitie heeft gevraagd de benadeelde partijen in deze bedragen niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft gevorderd over de overige bedragen de wettelijke rente toe te kennen en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering. Overweging van de rechtbank Voor de rechtbank staat vast dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Door de benadeelde partijen is telkens het bedrag gevorderd dat zij hebben overgemaakt naar de oplichters en dat niet door de bank is vergoed. Dit is met uitzondering van het bedrag dat [slachtoffer 1] heeft overgemaakt naar [naam 3] (€2.480,91,-) en het bedrag van [slachtoffer 4] heeft overgemaakt naar [naam 4] (€1.980,-). De rechtbank heeft verdachte van de oplichting van deze bedragen vrijgesproken, zodat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] voor dit gedeelte niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in de vordering. Voor de overige bedragen is door de rechtbank bewezenverklaard dat de benadeelden dit geld als gevolg van de door verdachte gepleegde oplichting hebben betaald. De vorderingen zijn bovendien onderbouwd met de bijbehorende bankafschriften. De rechtbank zal voor deze delen de vorderingen dan ook toewijzen, met toekenning van de wettelijke rente. Het gaat om de hierna in de tabel opgenomen bedragen. Benadeelde partij Toegewezen bedrag Wettelijke rente vanaf [slachtoffer 1] €1.939,- 25 april 2024 [slachtoffer 2] €1.200,56 31 mei 2024 [slachtoffer 3] €2.985,29 31 mei 2024 [slachtoffer 4] €1.920,47,- 31 mei 2024 De in het strafproces gemaakte proceskosten worden ten aanzien van bovengenoemde benadeelden tot op heden begroot op nihil. De rechtbank ziet aanleiding om ten aanzien van alle benadeelden op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventuele proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9De beoordeling van het beslag Verdachte is op 26 juli 2024 aangehouden door de politie. Verdachte droeg op dat moment een zwart nektasje. In het nektasje werden naast harddrugs een witte iPhone aangetroffen. Uit het dossier is gebleken dat verdachte met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat is verbonden aan deze witte iPhone contact heeft gehad met meerdere afnemers voor het verkopen van drugs. De rechtbank zal om die reden de inbeslaggenomen witte iPhone (goednummer PL0600-2024189626-3260180) verbeurd verklaren. Voor zover er nog beslag op rust, zal de rechtbank bepalen dat de harddrugs (goednummer PL0600-2024347437-3260177) wordt onttrokken aan het verkeer, omdat dit een middel is als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet. 10De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 22b, 33, 33a, 36f, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht; - 2, 10 en 13a van de Opiumwet. 11De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;  beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;  bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat: - verdachte meldt zich op afspraken bij Fivoor reclassering aan de [adres 7] te Rotterdam , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak. Binnen dit toezicht werkt verdachte aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe volgt verdachte de begeleidingsmodule Stap voor Stap; - verdachte neemt actief deel aan de Gedragsinterventie CoVa of een andere Gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; - verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik inzichtelijk te maken. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd; - verdachte laat zich begeleiden door E25 zorg en welzijn of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en richt zich op dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en huisvesting. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.  stelt als overige voorwaarden dat: - verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen; de benadeelde partijen veroordeelt verdachte in verband met het feit onder 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van de volgende bedragen aan materiële schade telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
  10. [slachtoffer 1] € 1.939,-april 2024
  11. [slachtoffer 2] € 1.200,56mei 2024
  12. [slachtoffer 3] € 2.985,29 mei 2024
  13. [slachtoffer 4] € 1.920,47 mei 2024  verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;  legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
  14. [slachtoffer 1] € 1.939,- dagen
  15. [slachtoffer 2] € 1.200,56 dagen
  16. [slachtoffer 3] € 2.985,29 dagen
  17. [slachtoffer 4] € 1.920,47 dagen  bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd; beslag  verklaart verbeurd de witte iPhone (PL0600-2024189626-3260180);  beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen harddrugs (goednummer PL0600-2024347437-3260177). Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), Y.M.J.I. Baauw en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus
  18. Mrs. J.M.J.M. Doon en G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024341551, gesloten op 11 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van bevindingen, p.
  19. Het proces-verbaal van bevindingen, p.
  20. Het proces-verbaal van aangifte, p. 25-
  21. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p.
  22. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 39 met fotoblad p.
  23. Het proces-verbaal van aangifte, p. 19-
  24. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 43 met fotoblad p.
  25. Het proces-verbaal van aangifte, p. 47-
  26. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 52-
  27. Het proces-verbaal van aangifte, p. 93-
  28. Het proces-verbaal van aangifte, p. 99-
  29. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 56-
  30. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p.
  31. Het proces-verbaal van bevindingen, p.
  32. Het proces-verbaal van bevindingen, p.
  33. Het proces-verbaal van bevindingen, p .
  34. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p.
  35. Het proces-verbaal van bevindingen, p.
  36. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p.
  37. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 125-
  38. Het proces-verbaal van bevindingen, p.
  39. Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, p. 310-
  40. Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 242-
  41. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 103-104.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.