RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/102657-24 + 02/092968-23 (tul) Datum uitspraak : 7 maart 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] in [plaats 1] . Raadsvrouw: mr. G. Vermaak, advocaat in Rotterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 juni 2024, 20 augustus 2024, 12 november 2024, 17 december 2024 en 21 februari 2025. 1De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 25 maart 2024 te [plaats 2] opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door - open vuur in aanraking te brengen met benzine en/of vuurwerk en/of een deur, althans met één of meer brandbare en/of explosieve stof(fen) en/of - een explosieve/brandbare substantie en/of stof(fen) en/of vuurwerk tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, ten gevolge waarvan een deur en/of kozijn en/of scooterhoes, althans een of meerdere goederen, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten een scooter en/of de in de woning gelegen aan de [adres 1] aanwezige goederen en/of het pand zelf en/of aangrenzende/omliggende woning(en)/pand(en)/perce(e)l(
- en)en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in de woning (gelegen aan de [adres 1] ) aanwezige pers(o)n(
- en)en/of toevallige passanten te duchten was; 2. De overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft partiële vrijspraak bepleit, in die zin dat er geen levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De beoordeling door de rechtbank Bewijsmiddelen [aangever 1] heeft aangifte gedaan van brandstichting, gepleegd op 25 maart 2024 aan de [adres 1] in [plaats 2] . Hij heeft verklaard dat hij de eigenaar is van het pand en dat er een nieuwe deur moet worden geplaatst. [aangever 2] heeft ook aangifte gedaan van brandstichting, gepleegd tussen 23 en 27 maart 2024 aan de [adres 1] in [plaats 2] . Hij heeft verklaard dat zijn scooter stond geparkeerd voor de voordeur van de [adres 1] in [plaats 2] . Hij zag dat de beschermhoes van de scooter gedeeltelijk was weggesmolten. Verbalisanten waren op 25 maart 2024, omstreeks 00.45 uur, aanwezig bij de [adres 1] in [plaats 2] . Zij zagen dat de centrale toegangsdeur van het pand [adres 1] zwartgeblakerd was. Zij zagen dat er op ongeveer twee meter afstand van de toegangsdeur een grotendeels verbrande plastic fles lag en roken een sterke geur waarvan zij vermoedden dat het benzine betrof, waardoor het vermoeden van brandstichting ontstond. Zij spraken een getuige die vertelde dat hij een knal hoorde en vervolgens een rookwolk zag en die ook iemand had zien wegrennen. De ter plaatse aanwezige bevelvoerder van de brandweer, [bevelvoerder] , heeft verklaard dat hij direct een benzinegeur rook en dat er zwarte aanslag op de deur zat. De deur heeft korte tijd hevig in brand gestaan. De bromfiets die ongeveer twee meter naast de deur stond was aan de achterzijde versmolten. Er is een flesje gevonden met een benzinegeur. Er zijn camerabeelden beschikbaar gesteld vanaf het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] . De beelden zijn bekeken en beschreven door verbalisanten. De beelden beginnen op 25 maart 2024 omstreeks 00:52 uur en 48 seconden. Rechtsonder in beeld ontstaat rook. Vervolgens is er om 00:52 uur en 57 seconden een explosie te zien en te horen. Na de explosie is er een aantal seconden zwarte rook te zien en zijn er rechtsonder in beeld een aantal seconden vlammen te zien. Ook de rechtbank heeft ter zitting deze beelden bekeken. Op het filmpje van 57 seconden is het volgende te zien. Op seconde 5 verschijnt lichte witte rook. Op seconde 8 wordt het beeld helemaal wit. Op seconde 10 is het witte beeld weg, is er een roodgele gloed die op vuur lijkt en vliegen vonken door het beeld. Op seconde 13 is deze roodgele gloed weer weg. Verdachte heeft verklaard dat hij iemand had ontmoet die hij verder niet kende en bij hem in de auto was gestapt. Die persoon had hem op gegeven moment een voorwerp gewikkeld in zwart plastic folie en zonder etiket dat verdachte in de auto zal liggen, aangeboden. Die persoon zei tegen verdachte het lont van dat voorwerp aan te steken en weg te gooien. Verdachte ging er van uit dat het om vuurwerk ging. Hij had nog nooit vuurwerk afgestoken en wilde dat wel eens proberen, uit baldadigheid. Hij heeft uiteindelijk het lont aangestoken en het voorwerp gegooid richting de huizen en is toen weggerend. Hij hoorde een knal. Uit het voorgaande blijkt dat verdachte een brandbaar voorwerp met een lont heeft aangenomen van een verder onbekend iemand en op diens verzoek het lont heeft aangestoken en het voorwerp heeft weggegooid. Hij dacht dat het vuurwerk was, maar wist dat niet zeker en al helemaal niet welk soort vuurwerk. Daar heeft hij ook niet naar gevraagd. De rechtbank gaat er van uit dat het voorwerp een flesje was met daarin benzine en een stuk vuurwerk, gezien de bevindingen van de politie en de brandweer ter plaatse over het gevonden, half gesmolten plastic flesje met benzinelucht. Verdachte heeft hiermee onverantwoorde risico’s genomen, namelijk dat het méér was dan alleen een stukje vuurwerk waarmee je niet veel kwaad kunt aanrichten. Hij heeft welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het ging om een explosief dat een ernstige ontploffing of brand kon veroorzaken. Dat bleek ook zo te zijn. Een aanzienlijke steekvlam is ontstaan met een grote hitte-inwerking op de deur en de scooterhoes, die daardoor zijn beschadigd. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat een kozijn geheel of gedeeltelijk is verbrand. De rechtbank zal verdachte voor dit gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken. Gevaar De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of door deze brandstichting en de daardoor teweeggebrachte ontploffing gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Om dit gevaar als vaststaand te kunnen aannemen moet uit de bewijsmiddelen blijken dat dit gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Het is niet van belang of de verdachte het gevaar zelf heeft voorzien. Uit de bewijsmiddelen blijkt het gemeen gevaar voor goederen zich heeft voorgedaan. De deur van de woning aan de [adres 1] is immers zwartgeblakerd, en de scooterhoes van een dichtbij geplaatste scooter is gedeeltelijk weggesmolten. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat er gevaar te duchten was voor goederen in het pand of voor omliggende panden. Daaruit volgt ook niet dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De bevelvoerder van de brandweer heeft namelijk verklaard dat hij niet verwacht dat het vuur dusdanig groot zou zijn geworden dat het door de deur was gaan branden. Benzine gaat vlug in brand en als het is ontbrand dan is het in principe klaar, tenzij de brand een nieuwe brandstof vindt, bijvoorbeeld een gordijn dat achter de deur zou kunnen hangen. Als dat het geval was geweest dan had het veel erger kunnen escaleren en had de brand zich kunnen uitbreiden, aldus de bevelvoerder van de brandweer. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat een dergelijke nieuwe brandstof aanwezig was in de buurt van de voordeur. De rechtbank zal verdachte voor dit gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 25 maart 2024 te [plaats 2] opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door - open vuur in aanraking te brengen met benzine en/of vuurwerk en/of een deur, althans met één of meer brandbare en/of explosieve stof(fen) en/of - een explosieve/brandbare substantie en/of stof(fen) en/of vuurwerk tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, ten gevolge waarvan een deur en/of kozijn en/of scooterhoes, althans een of meerdere goederen, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten een scooter en/of de in de woning gelegen aan de [adres 1] aanwezige goederen en/of het pand zelf en/of aangrenzende/omliggende woning(en)/pand(en)/perce(e)l(
- en)en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in de woning (gelegen aan de [adres 1] ) aanwezige pers(o)n(
- en)en/of toevallige passanten te duchten was; Wat meer is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. 5De strafbaarheid van de feiten Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar. Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie sluit zich aan bij het advies van de psycholoog om het feit verminderd aan verdachte toe rekenen. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend is, aangevuld met een vrij fors voorwaardelijk strafdeel. De raadsvrouw sluit zich ook aan bij het advies van de psycholoog om het feit verminderd aan verdachte toe rekenen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Ernst van het feit Verdachte heeft in de nacht van 25 maart 2024 brand gesticht en een ontploffing veroorzaakt bij een portiekwoning aan de [locatie] in [plaats 2] . Uit de door verdachte verklaarde aard van het voorwerp en de gefilmde gevolgen van het in brand steken daarvan volgt dat geen sprake was van vuurwerk maar eerder van een brandbom. Een dergelijke nachtelijke brandstichting met ontploffing leidt in de regel, mede gezien de grote hoeveelheid aanslagen die de afgelopen tijd in Nederland heeft plaatsgevonden met illegaal vuurwerk, tot gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij omwonenden en in de samenleving. Bovendien is door de brandstichting met ontploffing schade ontstaan aan eigendommen van de beide aangevers. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft bijgedragen aan deze intimiderende vorm van geweld en dat hij niet stil heeft gestaan bij de impact en gevolgen hiervan voor anderen. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 januari 2025. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor misdrijven. Daaruit blijkt ook dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit in een proeftijd liep van een voorwaardelijk opgelegde taakstraf wegens diefstal. Rapporten Een klinisch psycholoog heeft op 12 oktober 2024 een rapport uitgebracht en geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Volgens de psycholoog lijdt verdachte aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis, die aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde feit en toen van invloed was op de gedragingskeuzes en gedragingen van verdachte. De psycholoog heeft verder geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen en om verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een – eventueel deels – voorwaardelijke straf te plaatsen en behandelen in een klinische forensische setting. Een ambulant traject biedt onvoldoende waarborgen om verdachte zich te laten houden aan afspraken en om delictgedragingen te voorkomen. Een langdurig, verplicht reclasseringscontact wordt geadviseerd om verdachte te blijven motiveren tot meewerken aan behandeling en begeleiding. De reclassering heeft op 3 december 2024 een rapport uitgebracht en geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering is van mening dat detentie zo kort mogelijk moet duren en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole. Het risico op herhaling, letsel en onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. De problematiek van verdachte vraagt om een klinische behandeling binnen een forensische behandelkliniek. Vanuit een kliniek kan worden toegewerkt naar een geleidelijke terugkeer naar de maatschappij, met een doorstroom naar een beschermde woonvoorziening. De raadsvrouw heeft tijdens de zitting gemeld, onder verwijzing naar e-mailcorrespondentie met de reclassering, dat verdachte na een intake is aangemeld voor een GGZ-kliniek in [plaats 3] ( [GGZ-kliniek] ) en dat hij op de wachtlijst staat, maar dat er geen zicht is op uitstroom en dat daarom niets kan worden gezegd over de termijn waarop verdachte in de kliniek kan worden geplaatst. Jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht Verdachte was ten tijde van het bewezenverklaarde feit 19 jaar oud. De rechtbank heeft bij jongvolwassenen de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen als de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven. De rechtbank volgt de conclusies en overwegingen van de psycholoog en de reclassering hierover en zal het volwassenenstrafrecht toepassen. Toerekenbaarheid De rechtbank volgt ook de conclusies en overwegingen van de psycholoog en de reclassering over de antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte en de gevolgen daarvan voor de toerekenbaarheid van het bewezenverklaarde feit aan verdachte. De rechtbank acht verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar. Strafsoort en strafmaat De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende conclusies. De ernst van het feit rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook bij een jongvolwassen dader zoals verdachte. Verdachte heeft al ongeveer elf maanden in voorarrest gezeten. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, passend. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke strafdeel, gezien het strafblad van verdachte en de over hem uitgebrachte rapporten, een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat het tenlastegelegde gevaar voor personen niet is bewezen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 02-092968-23) De officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van een door de politierechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 7 juli 2023 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 20 uur, met een proeftijd van twee jaar (lopend tot 5 september 2023). De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer moet worden gelegd. Verdacht heeft zich namelijk binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’ heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, namelijk 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden; stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: zich meldt bij Reclassering Leger des Heils binnen veertien dagen na het ingaan van de proeftijd, en dat hij zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; zich laat opnemen in FPA De Boog of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo spoedig mogelijk. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt Verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing; zich laat behandelen door de polikliniek van FPA De Boog of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na het afronden van de klinische behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal Verdachte zich, na goedkeuring door de rechter of als Verdachte er zelf mee instemt, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt; verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na afronding van de klinische opname. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak Verdachte wordt gecontroleerd; stelt als overige voorwaarden dat verdachte: medewerking verleent aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen; geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en om verdachte daarbij te begeleiden; Beslissing op de vordering tenuitvoerlegging beveelt de tenuitvoerlegging van de op 7 juli 2023 door de politierechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf van 20 uur, te vervangen door 10 dagen hechtenis indien deze taak straf niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd (parketnummer 02-092968-23). Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Moorman (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 maart 2025. mr. M.E. Snijders en mr. F.J.H. Hovens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer PL0600-2024135543, gesloten op 8 mei 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders is vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte, p. 9. Proces-verbaal van aangifte, p. 27. Proces-verbaal van bevindingen, p. 99. Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 20. Proces-verbaal van bevindingen, p. 91. Waarneming van de rechtbank op zitting van 21 februari 2025. Proces-verbaal van verhoor verdachte van 24 april 2024, p. 123 en diens verklaring ter zitting van 21 februari 2025.