vonnis RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen zaakgegevens 11834176 \ CV EXPL 25-2260 uitspraak van vonnis van 7 november 2025 in de zaak van [eiser] gevestigd te [vestigingsplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. S. Ates ([eiser]) tegen 1 [gedaagde 1] wonende te [woonplaats], 2. [gedaagde 2] wonende te [woonplaats], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde c.s.] procederend in persoon 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 29 juli 2025 met producties, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek. 1.2. Daarna is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde 1] is bestuurder van Lufesi Beheer B.V., welke vennootschap op haar beurt bestuurder was van Holland Climate Group B.V. (hierna: HCG). [gedaagde 2] is bestuurder van TK Management, welke vennootschap op haar beurt eveneens bestuurder was van HCG. 2.2. Op 31 oktober 2024 is tussen [eiser] en HCG een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [eiser] in opdracht van HCG algemene voorwaarden heeft opgesteld. 2.3. Op 8 november 2024 heeft [eiser] voor de door haar verrichte werkzaamheden aan HCG een factuur gezonden ten bedrage van € 907,50. 2.4. Op 20 december 2024 is HCG middels een turbo-liquidatie opgehouden te bestaan, waarna de vennootschap op 22 januari 2025 is uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis [gedaagde c.s.] hoofdelijk, des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 907,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 136,13, met eveneens hoofdelijke veroordeling van [gedaagde c.s.] in de proces- en nakosten. 3.2. [eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van HCG, als gevolg waarvan [eiser] schade heeft geleden doordat haar factuur onbetaald is gebleven. De schade is veroorzaakt doordat [gedaagde c.s.] een overeenkomst met [eiser] is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat HCG haar verplichtingen niet zou kunnen voldoen. Daarnaast stelt [eiser] dat sprake zou zijn van selectieve betaling door [gedaagde c.s.]. 3.3. [gedaagde c.s.] voert verweer. [gedaagde c.s.] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van de (middellijk) bestuurder van een vennootschap een hoge drempel geldt. Uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit haar tekortschieten in de nakoming van een verbintenis. Onder bijzondere omstandigheden is echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 6:162 BW. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. 4.2. Van een ernstig verwijt dat de bestuurder persoonlijk treft, kan sprake zijn indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.