RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05.206546-24, 05.225397-24, 05.255010-24, 05.265124-24 (t.t.g.), 05.340191-23 (tul) en 05.290163-23 (tul) Datum uitspraak : 27 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] . Raadsman: mr. M.T. Lamers, advocaat in Nijmegen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: parketnummer 05.206546-24 hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] - een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt, en/of - een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Tiel [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] - een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam te slaan/stompen, en/of - een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam te schoppen/trappen; parketnummer 05.225397-24 hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Tiel, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] - een of meerdere malen op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen; parketnummer 05.255010-24 hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] (gevestigd op/aan het [adres] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; parketnummer 05.265124-24 1. hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te Tiel, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 2] - met een steen of een ander hard voorwerp tegen haar hoofd geslagen, - met haar hoofd tegen een (stoep)tegel of een ander hard voorwerp geslagen, - met een fles, althans daarop gelijkend voorwerp, op haar hoofd geslagen en/of tegen haar hoofd heeft gegooid, en/of - met haar hoofd tegen een bank(
- je)of tegen een andersoortige harde ondergrond aangegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te Tiel, althans in Nederland aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding, heeft toegebracht door - met een steen of een ander hard voorwerp tegen haar hoofd te slaan, - met haar hoofd tegen een (stoep)tegel of een ander hard voorwerp te slaan, - met een fles, althans daarop gelijkend voorwerp, op haar hoofd te slaan en/of tegen haar hoofd te gooien, - met haar hoofd tegen een bank(
- je)of tegen een andersoortige harde ondergrond aan te gooien; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te Tiel, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met een steen of een ander hard voorwerp tegen haar hoofd geslagen, - met haar hoofd tegen een (stoep)tegel of een ander hard voorwerp geslagen, - met een fles, althans daarop gelijkend voorwerp, op haar hoofd geslagen en/of tegen haar hoofd heeft gegooid, en/of - met haar hoofd tegen een bank(
- je)of tegen een andersoortige harde ondergrond aangegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 18 augustus 2024 te Tiel, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 12 juli 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich zal onthouden van ieder direct dan wel indirect contact met [slachtoffer 2] door - zich samen met voornoemde [slachtoffer 2] op te houden en of te begeven in het park althans een openbare ruimte - met [slachtoffer 2] aamen te komen en/of te blijven in het park althans een openbare ruimte. 2Overwegingen ten aanzien van het bewijs parketnummer 05.206546-24 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op zondag 23 juni 2024, omstreeks 18.00 uur, op een bankje langs de gracht lag te slapen. Hij viel op de grond van het bankje af in het glas. Hij kreeg meerdere klappen en schoppen toen hij op de grond lag. Het deed heel veel pijn op zijn borst en op zijn hoofd. [slachtoffer 1] zag dat het [verdachte] was. Hij kent hem van straat. Door de klappen is zijn hele gezicht opgezwollen. Op 23 juni 2024 is op de afdeling Spoedeisende hulp van het ziekenhuis Rivierenland in Tiel het volgende letsel bij [slachtoffer 1] vastgesteld: - een fractuur os nasale met geringe scheefstand, en - multipele contusies. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op zaterdag 23 juni 2024, omstreeks 18:10 uur, op de Veemarkt in Tiel fietste. Hij zag dat er een ruzie was bij de bankjes aan de gracht. Hij zag dat een blanke persoon van rond de dertig jaar met een rood T-shirt en witte pet het slachtoffer eerst van de bank sloeg. Het slachtoffer viel op de grond. [getuige 1] zag dat hij met zijn hoofd op de grond lag, geknikt naar voren. De man in het rode T-shirt bewoog zijn rechterbeen naar achteren en vervolgens met kracht naar voren. Hij zag dat zijn rechtervoet met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer aankwam en dat het gezicht met de punt van zijn voet was geraakt op de plek van zijn ogen. [getuige 1] zag dat de man zeker vier à vijf keer met kracht tegen zijn hoofd schopte. Hij kreeg echt de volle laag. [getuige 1] zag de man weglopen en voorbij het tweede bankje weer teruglopen richting het slachtoffer. De man schopte weer met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer. Daarna liep de man weg in de richting van de Waterstraat/Kalverbos. Verbalisant [getuige 1] heeft beschreven dat hij op zaterdag 23 juni 2024, omstreeks 18.00 uur, zich in vrije tijd en in burger gekleed bevond ter hoogte van het Kalverbos (park) te Tiel. Omstreeks 18:05 uur hoorde hij vanaf de overkant van het water glasgerinkel. Dit geluid kwam van de Veemarkt vandaan. Aan de Veemarkt bevinden zich twee bankjes dichtbij de Zocherbrug. [getuige 1] zag dat voor het linkerbankje een man op de grond lag en dat er een ander persoon bij stond. Deze persoon was tussen de 1,80 en 1,85 meter lang, droeg een spijkerbroek, een rood T-shirt, een witte pet en een rugtas. [getuige 1] hoorde dat de man hard aan het schreeuwen was. Hij zag dat de man meermaals met gebalde vuist sloeg en dat hij hierbij de man die op de grond lag raakte. De man sloeg hem in het gezicht. Hij zag dat de man minimaal drie keer hard uithaalde en de andere man raakte. De man sloeg met veel kracht. [getuige 1] zag op enig moment ook dat de man een schoppende beweging maakte in de richting van de man op de grond. De man op de grond deed niets en bleef stil liggen. [getuige 1] heeft de hele tijd zicht gehouden op de man totdat hij door collega’s werd aangehouden. Op 23 juni 2024 is verdachte op de Veemarkt in Tiel aangehouden op verdenking van zware mishandeling door twee opsporingsambtenaren naar aanleiding van een melding van een collega in vrije tijd. Uit genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte [slachtoffer 1] eerst van het bankje waarop hij lag te slapen heeft geslagen en daarna, toen hij weerloos op de grond lag, verschillende malen met kracht op/tegen zijn hoofd heeft geslagen en geschopt. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 1] ‘alleen maar’ in de vijver probeerde te gooien is in strijd met deze bewijsmiddelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. De beschreven gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. parketnummer 05.225397-24 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 6; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2025. parketnummer 05.255010-24 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , namens [winkel] , p. 6; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2025. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte de diefstal tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het in vereniging plegen van dit feit. parketnummer 05.265124-24 Feit 1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit. Beoordeling door de rechtbank Kennelijke verschrijving in processen-verbaal De rechtbank overweegt dat zowel in het hierna aangehaalde proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten van 28 augustus 2024 (p. 11) als in het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] (p. 71) -naast de datum 18 augustus 2024- meermalen de datum “18 maart 2024” staat vermeld als de datum waarop de beschreven gebeurtenissen zich zouden hebben afgespeeld. Temeer nu over de datum 18 augustus 2024 geen discussie bestaat, verdachte zelf ook ter zitting over die datum heeft verklaard en in de overige bewijsmiddelen, zoals de aangifte (p.19), proces-verbaal van aanhouding (p. 107-108) en de geneeskundige verklaring (p. 42) steeds 18 augustus 2024 wordt genoemd is sprake van een kennelijke verschrijving en leest de rechtbank de datum 18 maart 2024 in de pv’s steeds als 18 augustus 2024. Op zondag 18 augustus 2024 om 00:21 uur kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opdracht om te gaan naar het Kalverbos te Tiel, waar een man en een vrouw al een uur ruzie zouden hebben. Ter plaatse trof [verbalisant 2] verdachte aan op een bankje. De vrouw, naar later bleek [slachtoffer 2] , lag met haar hoofd op het bovenbeen van verdachte en zat helemaal onder het bloed. Verdachte zat ook helemaal onder het bloed. De vrouw lag stil op de bank en leek levenloos. [verbalisant 2] voelde aan haar enkel en voelde een hartslag. Er lag een vest op het hoofd van de vrouw en verdachte hield dit vest vast. [verbalisant 2] pakte het vest vast en tilde het van het gezicht van de vrouw. Zij zag dat de vrouw een grote bult boven haar linkeroog had. Ook gutste het bloed vanaf haar voorhoofd naar beneden over haar gezicht. Rondom het bankje lagen kapotte glazen bierflesjes. Ook lag er wc-papier dat onder het bloed zat en waren er overal bloedspetters. Niet veel later kwam de ambulance ter plaatse en werd de vrouw begeleid naar de ambulance. Nadat zij door het ambulancepersoneel was gecontroleerd voerde [verbalisant 2] met behulp van een Poolse tolk een gesprek met haar. De vrouw vertelde dat zij ruzie had met haar vriend en dat zij door hem was geslagen met een steen. Deze vriend was de man waarbij zij op schoot lag. Zij gaf aan eerder ruzie met hem te hebben gehad en dat hij een agressieprobleem heeft. Het ambulancepersoneel gaf aan dat het slachtoffer meerdere diepe snijwonden op haar hoofd had en een flinke bult op haar voorhoofd net boven haar linkeroog. Getuige [getuige 2] was werkzaam op de ambulance die ter plaatse kwam na een spoedmelding van een incident, waarbij een vrouw mishandeld zou zijn. Hij heeft verklaard dat hij en zijn collega de vrouw liggend aantroffen op de schoot van een man. In de ambulance vertelde de vrouw dat zij met een steen of een fles was geslagen door de eikel die buiten stond. Dit was meerdere keren gebeurd. De vrouw had veel bloed over het gehele lichaam. Ze had een hoofdwond, een grote bult. In de behaarde hoofdhuid had zij ook verwondingen. Aan de voorkant van het hoofd was actief bloedverlies en dat was slagaderlijk van aard. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in de avond van 17 augustus 2024 met haar ex-vriend, zijnde verdachte, in het park was. Hij begon te schreeuwen en haar uit te schelden. Hij was agressief en begon met steentjes te gooien en te duwen. Dat was bij de twee bankjes bij de fontein. Toen ze in de ambulance kwam, voelde ze overal pijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met [slachtoffer 2] op de desbetreffende avond van 17 op 18 augustus 2024 op een bankje zat en dat zij ruzie hadden. Getuige [getuige 3] heeft verklaard over de gebeurtenissen op 18 augustus 2024 dat zij met verdachte en [slachtoffer 2] in het parkje was en dat verdachte [slachtoffer 2] in haar bijzijn meerdere malen heeft geslagen. Hij heeft [slachtoffer 2] ook bedreigd. Hij zei dat hij haar hoofd kapot ging slaan met een fles. G. Tan, forensisch arts GGD regio Utrecht, heeft het letsel van [slachtoffer 2] als volgt beschreven: - epidurale bloeding waarvoor een stuk schedelbot is verwijderd en later is teruggeplaatst; - gehechte hoofdwond linkerzijde boven op hoofd; - bloeding rond linkeroog wat waarschijnlijk is veroorzaakt door het uitzakken van de bloeding in het hoofd; - bloeduitstorting op linkerborstkas; - bloeduitstortingen op binnenzijde linkerbovenarm. G. Reijnen en N. Dankerlui, beide forensisch arts, hebben in hun rapport over het letsel van [slachtoffer 2] onder meer het volgende opgenomen: Uitwendig was er sprake van twee hoofdwonden met slagaderlijke bloeding en een bloeduitstorting aan de linkerkant van het gezicht. Een CT-scan toonde een verbrijzelde en ingedrukte schedelbreuk (comminutieve impressiefractuur) links aan de voorzijde (frontaal), een ophoping van bloed tussen de schedel en het harde hersenvlies (epiduraal hematoom) van 6 mm dikte, en kleine bloedingen in het hersenweefsel (hemorragische contusies). Betrokkene onderging op 18 augustus 2024 een operatie in het academisch centrum UMC Utrecht om het epiduraal hematoom te verwijderen. Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [slachtoffer 2] door verdachte met een steen of ander hard voorwerp tegen het hoofd is geslagen. Zowel verbalisant [verbalisant 2] als ambulancemedewerker [getuige 2] hebben verklaard dat [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij met een steen of fles is geslagen. Deze uitlatingen zijn gedaan tegen personen die vrijwel direct na het voorval ter plaatse zijn gekomen. Om die reden acht de rechtbank die uitlatingen dan ook betrouwbaar en heeft zij geen reden om te twijfelen aan de eerste verklaringen van [slachtoffer 2] . Dat zij zich op latere momenten niet meer kan herinneren wat er is gebeurd tussen het moment dat verdachte ruzie begon te maken en het moment dat zij bij kwam in de ambulance en ook andere mogelijke geweldshandelingen van verdachte heeft genoemd als oorzaak van haar letsel doet hier geen afbreuk aan, temeer niet nu dergelijk geheugenverlies kan passen bij een klap tegen het hoofd met een hard voorwerp, een schedelbreuk en epidurale bloedingen. Verdachte heeft een ander scenario geschetst over hoe het hoofdletsel van [slachtoffer 2] is ontstaan. Volgens hem moest [slachtoffer 2] plassen en is zij om die reden achter het bankje gelopen waarop zij zaten. Ter plaatste heeft verdachte gewezen naar een stuk gras ongeveer twee meter achter het bankje waar hij op zat. Daar moet zij vervolgens zijn gevallen of gestruikeld. Toen verdachte zich omdraaide, zag hij [slachtoffer 2] onder het bloed op de grond liggen. De rechtbank acht dit alternatieve scenario niet aannemelijk, nu het wordt weerlegd door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Overigens sluit dit scenario ook niet aan bij de conclusies in de forensisch medische rapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) dat het geconstateerde letsel passend is bij een directe impact met een hard stomp object op het linker frontale deel van het hoofd en dat het gezien de ernst en aard van de breuk en de bijbehorende intracraniële letsels minder waarschijnlijk is dat het letsel van [slachtoffer 2] is ontstaan door een eenvoudige val op een vlakke, relatief zachte, ondergrond. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte vol opzet heeft gehad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet daarop heeft gehad. Verdachte heeft [slachtoffer 2] met een steen of ander hard voorwerp tegen het hoofd geslagen. Als gevolg daarvan heeft zij onder meer een verbrijzelde en ingedrukte schedelbreuk opgelopen en was er sprake van een ophoping van bloed tussen de schedel en het harde hersenvlies en kleine bloedingen in het hersenweefsel. Uit de forensisch medische rapportage blijkt dat het letsel van [slachtoffer 2] impliceert dat er aanzienlijke kracht is uitgeoefend. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met kracht slaan met een hard voorwerp op het hoofd van een persoon, gelet op de kwetsbaarheid van dit lichaamsdeel, kan leiden tot de dood. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedraging van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen is. Feit 2 Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - een schriftelijk bescheid, te weten: gedragsaanwijzing (art. 509hh Sv), d.d. 12 juli 2024, p. 132-133; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2025. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: parketnummer 05.206546-24 hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] - een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt, en/of - een of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; parketnummer 05.225397-24 hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Tiel, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] - een of meerdere malen op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen; parketnummer 05.255010-24 hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] (gevestigd op/aan het [adres] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; parketnummer 05.265124-24 1. hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2024 tot en met 18 augustus 2024 te Tiel, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 2] - met een steen of een ander hard voorwerp tegen haar hoofd geslagen, - met haar hoofd tegen een (stoep)tegel of een ander hard voorwerp geslagen, - met een fles, althans daarop gelijkend voorwerp, op haar hoofd geslagen en/of tegen haar hoofd heeft gegooid, en/of - met haar hoofd tegen een bank(
- je)of tegen een andersoortige harde ondergrond aangegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 18 augustus 2024 te Tiel, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 12 juli 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich zal onthouden van ieder direct dan wel indirect contact met [slachtoffer 2] door - zich samen met voornoemde [slachtoffer 2] op te houden en of te begeven in het park althans een openbare ruimte - met [slachtoffer 2] samen te komen en/of te blijven in het park althans een openbare ruimte. Voor zover er in de tenlasteleggingen kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van parketnummer 05.206546-24, primair Poging tot zware mishandeling, Ten aanzien van parketnummer 05.225397-24 Mishandeling, Ten aanzien van parketnummer 05.255010-24 Diefstal, Ten aanzien van parketnummer 05.265124-24 feit 1 primair Poging tot doodslag, feit 2 Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een contactverbod met aangeefster [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de stad Tiel. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit om in geval van enige bewezenverklaring een straf op te leggen die korter is dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Met aftrek van het voorarrest betekent dit dat hij onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld en dat het bevel gevangenhouding moet worden opgeheven. Tegen het opleggen van een contact- en locatieverbod verzet verdachte zich niet. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van minder dan twee maanden schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten, die hij telkens onder invloed van (zeer) veel alcohol heeft gepleegd. Hij heeft in de eerste plaats gepoogd [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend op een bankje in een park lag te slapen, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem meerdere malen op/tegen zijn gezicht/hoofd te slaan en te schoppen, ook toen [slachtoffer 1] weerloos op de grond lag. Daarnaast heeft hij zijn ex-vriendin, [slachtoffer 2] , mishandeld door haar meerdere keren op/tegen haar gezicht/hoofd te slaan. In verband hiermee kreeg verdachte een contactverbod in de vorm van een gedragsaanwijzing opgelegd. Deze gedragsaanwijzing heeft verdachte overtreden toen hij ruim een maand later diezelfde [slachtoffer 2] in een park heeft gepoogd van het leven te beroven, door haar met een steen of een ander hard voorwerp op het hoofd te slaan, als gevolg waarvan [slachtoffer 2] onder meer een verbrijzelde en ingedrukte schedelbreuk heeft opgelopen. Ten slotte heeft verdachte meerdere goederen bij de [winkel] gestolen. Met name de feiten gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn schokkend. Verdachte heeft op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Bovendien zorgen dergelijke geweldsdelicten voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij de slachtoffers en in de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweldsmisdrijven hiervan bij hun dagelijks functioneren nog lange tijd de gevolgen (kunnen) ondervinden. Dat is in deze zaak ook het geval, zo blijkt uit de ter terechtzitting door [slachtoffer 2] gegeven toelichting op haar mondeling ingediende vordering tot schadevergoeding: zij is getraumatiseerd, is bang, kan niet slapen en heeft als gevolg van de 37 hechtingen in haar hoofd moeite om in de spiegel te kijken. Ook functioneert de linkerkant van haar lichaam slecht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 13 januari 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Verslavingsreclassering GGZ (hierna: de reclassering) van 30 januari 2025. Hieruit volgt dat er bij verdachte sprake is van problematiek op vrijwel alle leefgebieden. Het ontbreekt hem aan huisvesting, werk en financiële middelen en hij leidt een zwerversbestaan. Gelet op het feit dat hij bij alle delicten onder invloed was van alcohol, wordt het middelengebruik aangemerkt als delictgerelateerde factor. Daarnaast wordt het psychosociaal functioneren, relatie partner en het sociaal netwerk aangemerkt als delictgerelateerde factoren. Hoogstwaarschijnlijk is er sprake van agressieregulatieproblematiek wat wordt geluxeerd door alcoholgebruik. De reclassering vindt het zorgelijk dat er een opbouw in ernst van het delictgedrag valt te signaleren. Uit contact met de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) is gebleken dat het EU-verblijfsrecht van verdachte op 12 augustus 2024 is ingetrokken. Dit betekent dat hij onrechtmatig in Nederland verblijft en geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen of zich kan inschrijven. Mede gelet op het ontbrekende probleembesef en –inzicht en het problematische alcoholgebruik is volgens de reclassering sprake van een zorgelijke situatie met een hoog recidiverisico. Justitiële interventies gericht op het middelengebruik en het psychosociaal functioneren zijn noodzakelijk, maar omdat verdachte onrechtmatig in Nederland verblijft, is dit niet uitvoerbaar. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden. Wel acht zij het van belang dat er aandacht is voor slachtofferbelangen en adviseert zij om die reden een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, inhoudende een locatieverbod voor de gemeente Tiel en een contactverbod met [slachtoffer 2] voor de duur van vijf jaren. Een korte gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest, hetgeen feitelijk ertoe zou leiden dat verdachte onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld, zoals door de raadsman bepleit, acht de rechtbank niet passend bij de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank is alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Om verdachte te stimuleren zich ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Alles overwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zesendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de raadsman om het bevel gevangenhouding op te heffen zal worden afgewezen. De rechtbank zal verder conform de eis van de officier van justitie ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaren geen direct of indirect contact mag hebben met [slachtoffer 2] . Daarnaast zal verdachte zich voor de duur van vijf jaren niet mogen ophouden in de gemeente Tiel. Om deze maatregel kracht bij te zetten heeft iedere keer dat verdachte de maatregel overtreedt een vervangende hechtenis van één week te gelden, tot een maximum van zes maanden. De rechtbank zal deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich weer belastend zal gedragen jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] . Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 8De beoordeling van de civiele vorderingen [naam 3] In het dossier van parketnummer 05.255010-24 bevindt zich een verzoek tot schadevergoeding van [naam 3] . Zij vordert vanwege de (psychische) gevolgen van een overval waarbij zij werd bedreigd met een mes een bedrag van € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook verzoekt zij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat de gevorderde schade rechtstreeks is toegebracht door het onder parketnummer 05.255010-24 bewezenverklaarde feit. De vordering van de benadeelde ziet op een ander feit dan waar het hier om gaat en is abusievelijk in dit dossier opgenomen, zoals ook door de officier van justitie ter zitting is bevestigd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft ter terechtzitting een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 10.000,00 aan smartengeld. Uit de mondelinge toelichting die de benadeelde heeft gegeven begrijpt de rechtbank dat de vordering betrekking heeft op feit 1 van parketnummer 05.265124-24. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van het bedrag refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, primair vanwege de bepleite vrijspraak, subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd, dan wel omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Overweging van de rechtbank De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Op basis van de eerder genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het onder 1 primair van parketnummer 05.265124-24 bewezenverklaarde feit schade heeft geleden die valt binnen een van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW. De benadeelde partij heeft hierdoor immers (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een verbrijzelde en ingedrukte schedelbreuk, een ophoping van bloed tussen de schedel en het harde hersenvlies (een epiduraal hematoom) en kleine bloedingen in het hersenweefsel. Reeds gezien dit letsel heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van een bedrag aan schadevergoeding. Wellicht komt de benadeelde partij een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toe, in verband met mogelijke langdurige gevolgen van het voorval en/of psychische schade. Gelet op de summiere onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij ter terechtzitting en de betwisting door de verdediging, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank echter een nadere standpuntuitwisseling nodig, waarbij ook bewijslevering aan de orde kan zijn. Omdat nader inhoudelijk debat en eventuele bewijslevering een onevenredige belasting opleveren van het strafproces, zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van de overige schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel nog aan de burgerlijke rechter voorleggen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 3.000,00. Verdachte is vanaf 18 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. 9De vorderingen tot tenuitvoerlegging (05.290163-23 en 05.340191-23) De politierechter heeft verdachte op 15 januari 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken (parketnummer 05.290163-23) en op 19 maart 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week (parketnummer 05.340191-23). De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straffen. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Bewezen is dat verdachte zich binnen beide proeftijden opnieuw schuldig heeft gemaakt aan verschillende strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straffen daarom ten uitvoer moeten worden gelegd. 10De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 45, 57, 184a, 287, 300, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. 11De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig
(36)maanden; bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten twaalf
(12)maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit; beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende dat verdachte: - voor de duur van vijf
(5)jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1996; - voor de duur van vijf
(5)jaren zich niet zal ophouden in de gemeente Tiel; beveelt dat vervangende hechtenis van één week wordt toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden; beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is; wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel gevangenhouding; beveelt de tenuitvoerlegging van de op 15 januari 2024 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie
(3)weken (parketnummer 05.290163-23); beveelt de tenuitvoerlegging van de op 19 maart 2024 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één
(1)week (parketnummer 05.340191-23); verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld; veroordeelt verdachte in verband met feit 1 primair van parketnummer 05.265124-24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 3.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald; veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld; legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag van € 3.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de hiervoor omschreven wettelijke rente tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen veertig
(40)dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari
- Mr. Leemreize is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024289358, gesloten op 26 juni 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p.
- Brief Ziekenhuis Rivierenland, afdeling Spoedeisende hulp, d.d. 23 juni 2024, p.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p.
- Proces-verbaal van bevindingen, p.
- Proces-verbaal van aanhouding, p.
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024320399, gesloten op 12 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024368304, gesloten op 22 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 6] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024383891, gesloten op 10 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van bevindingen, p. 11-
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 71-
- Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 19, 21 en
- Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 februari
- Aanvullend proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , BVH-nummer 2024383891, p. 2,
- Letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD regio Utrecht, p.
- Forensisch medische rapportage met benoeming van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO, d.d. 7 oktober 2024, p.
- Proces-verbaal van aanhouding, p.
- Forensisch medische rapportage met benoeming van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO, d.d. 7 oktober 2024, p.
- Forensisch medische rapportage met benoeming van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO, d.d. 7 oktober 2024, p. 18, 20.