← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:9735

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05.016471.24 Datum uitspraak : 4 februari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] , wonende aan het [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] . Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. zij op of omstreeks 22 augustus 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 1348,23 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of - ongeveer 11,65 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, en/of - een hoeveelheid Methylfenidaat HCl Mylan, te weten 30 tabletten a 5 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methylfenidaat, zijnde MDMA en/of metamfetamine en/of methylfenidaat (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
  2. zij op of omstreeks 22 augustus 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een hoeveelheid Alprazolam Mylan, te weten 210 tabletten a 0,5 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende alprazolam, en/of - een hoeveelheid Diazepam TEVA, te weten 360 tabletten a 2 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende diazepam, en/of - een hoeveelheid Zolpidemtartraat Sandoz, te weten 30 tabletten a 10 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende zolpidemtartraat, zijnde alprazolam en/of diazepam en/of zolpidemtartraat (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
  3. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2023 tot en met 22 augustus 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk, zonder vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 1 sub a van de Geneesmiddelenwet, (telkens) een of meer geneesmiddelen niet bedoeld voor onderzoek, te weten: - 210 tabletten Alprazolam Mylan, elk bevattende 0,5 mg van de werkzame stof alprazolam (volgnummer 7), en/of - 360 tabletten Diazepam TEVA, elk bevattende 2 mg van de werkzame stof diazepam (volgnummer 9), en/of - 50 tabletten Zopiclon Aurobindo, elk bevattende 7,5 mg van de werkzame stof zopiclon (volgnummer 13), en/of - 30 tabletten Zolpidemtartraat Sandoz, elk bevattende 10 mg van de werkzame stof zolpidemtartraat (volgnummer 15), en/of - 39 tabletten Quetiapine Accord, elk bevattende 200 mg van de werkzame stof quetiapine (volgnummer 17), en/of - 30 tabletten Methylfenidaat HCl Mylan, elk bevattende 5 mg van de werkzame stof methylfenidaat (volgnummer 19), (telkens) heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd, of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel een groothandel daarin heeft gedreven.
  4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 22 augustus 2023 zag de politie ter hoogte van de [adres 2] te [plaats] twee vrouwen, naar later bleek [verdachte] en [medeverdachte] , het trappenhuis van de woning verlaten en naar een wit voertuig lopen. [medeverdachte] hield een groene boodschappentas vast, waarmee ze naar de bijrijderskant van de auto liep. Deze tas werd door [medeverdachte] in de auto gezet, waarna beide vrouwen plaatsnamen in het voertuig. De politie sprak de vrouwen aan en zag dat er een grote hoeveelheid, vermoedelijk medicatie en drugs, in de groene boodschappentas zat. Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat de boodschappentas onder meer de volgende middelen bevatte: 7 doosjes Alprazolam Mylan 0,5 mg, met in totaal 210 tabletten; 12 doosjes Diazepam Teva 2 mg, met in totaal 360 tabletten; 2 doosjes Zopiclon Aurobindo 7,5 mg, met in totaal 50 tabletten; 1 doosje Zolpidemtartraat Sandoz Filmomhulde tabletten 10 mg, met in totaal 30 tabletten; 1 doosje Quetiapine Accord Filmomhulde tabletten 200 mg, met in totaal 39 tabletten 1 doosje Methylfenidaat HCI Mylan 5mg, met in totaal 30 tabletten. De producten Alprazolam Mylan 0,5 mg, Diazepam TEVA 2 mg, Zopiclon Aurobindo 7,5 mg, Zolpidemtartraat Sandoz 10 mg, Quetiapine Accord 200 mg en Methylfenidaat HCl Mylan 5 mg voldoen aan de omschrijving van het begrip geneesmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Geneesmiddelenwet. De werkzame stoffen in de producten Alprazolam Mylan 0,5 mg, Diazepam TEVA 2 mg en Zolpidemtartraat Sandoz 10 mg staan vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet. De werkzame stof in het product Methylfenidaat HCl Mylan 5 mg staat vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet. [verdachte] en [medeverdachte] beschikken niet over enige bevoegdheid tot het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten met een geneesmiddel als bedoeld in de Geneesmiddelenwet en/of met een middel als bedoeld in lijst I of II behorende bij de Opiumwet. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen de in de tenlastelegging genoemde geneesmiddelen in voorraad heeft gehad en heeft afgeleverd op meerdere tijdstippen in de periode van 2 augustus 2023 tot en met 22 augustus
  5. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Verdachte heeft geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, gehad op het aanwezig hebben van de harddrugs zoals vermeld in de tenlastelegging. Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Voor de periode van 2 tot 22 augustus 2023 heeft verdachte het rondbrengen en afleveren van geneesmiddelen weliswaar bekend, maar overig steunbewijs op dit punt ontbreekt. Ten aanzien van de pleegdatum van 22 augustus 2023 heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat er onvoldoende bewijs is dat er op die dag sprake was van een voltooid delict. Er zijn die bewuste dag, als gevolg van het feit dat de politie de boodschappentas met inhoud in beslag heeft genomen, geen geneesmiddelen rondgebracht of afgeleverd. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van feit 1 en 2 Vast staat dat [verdachte] en [medeverdachte] op 22 augustus 2023 een tas bij zich droegen met daarin de in de tenlastelegging omschreven middelen als bedoeld in lijst I en II van de Opiumwet. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of zij deze middelen opzettelijk aanwezig hebben gehad. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Verdachte heeft op de terechtzitting als volgt verklaard. Op 22 augustus 2023 was ze met haar vriendin [medeverdachte] op weg naar de woning van [naam 1] aan de [adres 2] in [plaats] om medicijnen (Tramadol) bij hem op te halen en voor hem weg te brengen. Verdachte had al eerder voor [naam 1] gewerkt, zowel samen met [medeverdachte] als apart. Verdachte wist dat het wegbrengen van Tramadol strafbaar was. Onderweg naar zijn woning vroeg [naam 1] aan [verdachte] en [medeverdachte] of zij spullen uit zijn woning wilden halen, omdat de politie naar zijn woning zou komen. Alles wat op de tafel stond moesten ze meenemen. [medeverdachte] is de woning binnengegaan en heeft alles wat op de tafel stond in een tas geschoven en meegenomen. [verdachte] is op de gang blijven wachten tot [medeverdachte] met de tas naar buiten kwam. Ze zijn samen weggegaan. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat [medeverdachte] en zij niet wisten wat er verder in de tas zat die zij bij zich droegen. De spullen op de tafel waren grotendeels verpakt in schoenendozen en zijn door [medeverdachte] ongezien in de tas geschoven. [naam 1] heeft hen vooraf niet gezegd om wat voor spullen het ging. De politie heeft de telefoon van [verdachte] bekeken. In de applicatie Snapchat zag de verbalisant een gesprek dat op dinsdag 22 augustus 2023 is gevoerd tussen ‘Ik’ en ‘ [medeverdachte] (twee keer hartjes emoticon) ( [gebruikersnaam] )’. Het gesprek is door de politie uitgewerkt en beschreven: “ [medeverdachte] : Luister dan [naam 1] heeft week Werk Nu Maar ik kan wel maar als jij rijd Dan kan ik werken ondertussen (…) Ik: Klote he Vraag of iets later kan anders Als dat met [naam 3] lukt [medeverdachte] : Ja na t eten evt Ik: Jaaa top Zou mooi zijn poes Hebben we toch weer wat Laat ma weten poes Ik ben hier kwart over 3 klaar dus Ik: Laat ma weten van [naam 1] poes Dan weet ik dat Ken ik rekening houden met tijd [medeverdachte] : Stuurt een afbeelding en zegt: alleen dit. (Zie foto 3) Op de afbeelding staat ' Apotheker 026 nieuw 13:16 is goed.' . [medeverdachte] : Ja doe ik poes Tot nu toe alleen geld ophalen en een doosje Tramsporen Tramadol Als je mee wil mag hoor Wil wel dan 17:30 weg rijd als je red (…) Ik: Oooh ik ga nu eten Waar moet je heen? Dan douw ik t na binnen [medeverdachte] : [plaats] en dan Doetinchem (…) [medeverdachte] : Ja kan wel maar ben er dan wel zo Ga nu zo rijden dan Ik: Als je nou half 6 gaat rijden Dan ken ik dit gauw opvreten (geopende afbeelding) Je dat goed? [medeverdachte] : Jaa.” Ter terechtzitting is door verdachte bevestigd dat het voorgaande een gesprek tussen haar en medeverdachte [medeverdachte] betreft en dat ‘ [naam 1] ’ de bijnaam is van [naam 1] . De politie heeft ook de telefoon van [medeverdachte] onderzocht. Daarin zag de verbalisant een gesprek tussen [gebruiker 1] , [gebruiker 2] en [gebruiker 3] . Dit gesprek is gevoerd op 22 augustus
  6. In het gesprek wordt door [gebruiker 3] gevraagd om Tramadol. Vervolgens vraagt ‘ [gebruiker 2] ’: “Waar?” Wanneer [gebruiker 3] vervolgens het adres doorgeeft, reageert ‘ [gebruiker 2] ’ met: “Oké is rond 18:00/18:30 goed?” Op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte] en [medeverdachte] al op weg waren naar [naam 1] om medicijnen voor hem weg te brengen, toen hij hen vroeg om spullen uit zijn woning te halen. Daaruit leidt de rechtbank af dat [verdachte] en [medeverdachte] zich ervan bewust waren dat er medicijnen in de woning aanwezig zouden zijn. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [verdachte] en [medeverdachte] vooraf niet aan [naam 1] hebben gevraagd om wat voor spullen het ging en dat zij deze spullen uit zijn woning hebben meegenomen zonder de inhoud te controleren, in de wetenschap dat zij de spullen weg moesten halen voor de politie. Door in te stemmen met het ophalen en vervoeren van de spullen zonder nader onderzoek te doen naar de inhoud daarvan hebben [verdachte] en [medeverdachte] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er medicijnen in de tas zaten - of deze medicijnen nou kwalificeren als middelen op lijst I of lijst II van de Opiumwet of anderszins als geneesmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachten derhalve voorwaardelijk opzet gehad op het aanwezig hebben van de in de tas aangetroffen geneesmiddelen. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan. Ook acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de Methylfenidaat HCI Mylan 5mg opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals ten laste gelegd onder feit
  7. In beide gevallen heeft verdachte gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] . Medeplegen wordt dus eveneens bewezen verklaard. Ten aanzien van de overige onderdelen van feit 1 komt de rechtbank tot een ander oordeel. De rechtbank kan op basis van het dossier namelijk niet vaststellen dat [verdachte] en [medeverdachte] bedacht moesten zijn op de aanwezigheid van harddrugs – niet zijnde geneesmiddelen – in de woning van [naam 1] . Zo blijkt uit het onderzoek naar de telefoons van de verdachten niet dat er eerder contact is geweest tussen verdachten en [naam 1] over het wegbrengen of verhandelen van harddrugs. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat in het dossier informatie ontbreekt over de omstandigheden waaronder de geneesmiddelen en de harddrugs in de boodschappentas zijn aangetroffen, zoals de wijze waarop deze verpakt waren. Van dit onderdeel van de tenlastelegging (dat ziet op - kort gezegd - de MDMA en de metamfetamine) zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken. Ten aanzien van feit 3 Voor de beoordeling van het onder feit 3 tenlastegelegde overweegt de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde pleegperiode van 2 tot en met 21 augustus 2023 als volgt. Verdachte heeft bij de politie bekend dat zij in de periode vóór 22 augustus 2023 medicatie voor [naam 1] heeft rondgebracht. De rechtbank overweegt dat ook het onderzoek naar de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] aanwijzingen bevat dat zij wel eerder iets (geneesmiddelen) voor [naam 1] hebben weggebracht. Op basis van het dossier is echter niet vast te stellen om welke geneesmiddelen dit ging en of het daadwerkelijk om de geneesmiddelen ging zoals vermeld op de tenlastelegging. Op de tenlastelegging zijn ook voor de periode van 2 tot en met 21 augustus 2023 immers de op 22 augustus 2023 in beslag genomen (soorten en hoeveelheden) geneesmiddelen opgenomen. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte de onder feit 3 tenlastegelegde gedragingen in de periode van 2 en met 21 augustus 2023 heeft begaan. Ten aanzien van de datum 22 augustus 2023 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is geweest van het afleveren van de geneesmiddelen, nu [verdachte] en [medeverdachte] op 22 augustus 2023 geen geneesmiddelen hebben weggebracht. Dan resteert de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] de geneesmiddelen in de boodschappentas in voorraad hebben gehad. Voor de beoordeling daarvan is van belang welke betekenis moet worden gegeven aan het begrip ’in voorraad hebben’ als bedoeld in artikel 18, eerste lid van de Geneesmiddelenwet. De Geneesmiddelenwet bevat echter geen concrete definitie van het ‘in voorraad hebben’ en ook de parlementaire geschiedenis biedt geen uitsluitsel over de precieze betekenis van dit delictsbestanddeel. De rechtbank zoekt in dit verband daarom aansluiting bij het begrip ‘aanwezig hebben’ in de Opiumwet. Daarvoor is voldoende dat de middelen zich in de machtssfeer van de (mede)dader bevinden. De rechtbank stelt op basis van de feiten vast dat [verdachte] en [medeverdachte] de in de tenlastelegging genoemde geneesmiddelen bij zich hebben gedragen en dat de middelen zich in hun machtssfeer bevonden. Voorts zijn de overwegingen ten aanzien van het voorwaardelijk opzet, zoals hierboven weergegeven bij de beoordeling van feit 1 en 2, ook hier van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee worden vastgesteld dat verdachte op 22 augustus 2023 voorwaardelijk opzet heeft gehad op het in voorraad hebben van de geneesmiddelen zoals vermeld in de tenlastelegging onder feit
  8. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 augustus 2023 samen met [medeverdachte] , opzettelijk en zonder vergunning, de in de tenlastelegging vermelde middelen in voorraad heeft gehad. De rechtbank constateert dat sprake is van eendaadse samenloop met feit 1 en 2, voor zover het gaat om het aanwezig hebben van de geneesmiddelen die ook onder deze feiten ten laste zijn gelegd. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
  9. zij op of omstreeks 22 augustus 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 1348,23 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of - ongeveer 11,65 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, en/of - een hoeveelheid Methylfenidaat HCl Mylan, te weten 30 tabletten a 5 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methylfenidaat, zijnde MDMA en/of metamfetamine en/of methylfenidaat (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
  10. zij op of omstreeks 22 augustus 2023 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een hoeveelheid Alprazolam Mylan, te weten 210 tabletten a 0,5 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende alprazolam, en/of - een hoeveelheid Diazepam TEVA, te weten 360 tabletten a 2 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende diazepam, en/of - een hoeveelheid Zolpidemtartraat Sandoz, te weten 30 tabletten a 10 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende zolpidemtartraat, zijnde alprazolam en/of diazepam en/of zolpidemtartraat, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
  11. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus 2023 tot en met 22 augustus 2023 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk, zonder vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 1 sub a van de Geneesmiddelenwet, (telkens) een of meer geneesmiddelen niet bedoeld voor onderzoek, te weten: - 210 tabletten Alprazolam Mylan, elk bevattende 0,5 mg van de werkzame stof alprazolam (volgnummer 7), en/of - 360 tabletten Diazepam TEVA, elk bevattende 2 mg van de werkzame stof diazepam (volgnummer 9), en/of - 50 tabletten Zopiclon Aurobindo, elk bevattende 7,5 mg van de werkzame stof zopiclon (volgnummer 13), en/of - 30 tabletten Zolpidemtartraat Sandoz, elk bevattende 10 mg van de werkzame stof zolpidemtartraat (volgnummer 15), en/of - 39 tabletten Quetiapine Accord, elk bevattende 200 mg van de werkzame stof quetiapine (volgnummer 17), en/of - 30 tabletten Methylfenidaat HCl Mylan, elk bevattende 5 mg van de werkzame stof methylfenidaat (volgnummer 19), (telkens) heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd, of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel een groothandel daarin heeft gedreven. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Feit 3: Medeplegen van een opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die in verzekering is doorgebracht. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat het bij bewezenverklaring, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte en haar rol in het geheel, niet passend en geboden is om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hij heeft de rechtbank verzocht een forse taakstraf op te leggen, eventueel gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft, samen met haar vriendin [medeverdachte] , een grote hoeveelheid geneesmiddelen bij zich gedragen, zonder daartoe enige bevoegdheid te bezitten. Een deel van deze geneesmiddelen bevatte stoffen die onder de Opiumwet vallen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij de middelen heeft meegenomen met de bedoeling om deze weg te houden bij de politie en dat zij zich daar, zonder vragen te stellen, voor heeft laten lenen. Ter terechtzitting heeft de rechtbank ook gezien dat verdachte spijt heeft van haar gedragingen en zij zich gemotiveerd toont om haar leven op de rit te krijgen. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 december
  12. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank heeft verder in strafverminderende zin rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 15 januari
  13. Daaruit volgt dat belangrijke probleemgebieden van verdachte in het verleden haar destructieve relatie, financiële druk en beperkte reflectie op de gevolgen van haar keuzes waren. Deze factoren hebben haar kwetsbaar gemaakt voor risicovol gedrag. Trauma’ s uit haar gewelddadige relatie spelen haar nog steeds parten en binnenkort volgt een behandeling binnen een reguliere GGZ-instelling. Verdachte staat open voor hulp en begeleiding. Er zijn beschermende factoren zoals een steunend netwerk, haar motivatie om een goede moeder te zijn en het feit dat ze momenteel verblijft bij [verblijfplaats] en daar de nodige hulp en steun krijgt. Ze werkt actief aan het verbeteren van haar financiële situatie met behulp van een bewindvoerder en er is geen sprake van middelengebruik of verslavingsproblematiek. Vanwege de lage recidivekans en het feit verdachte vrijwillig in zorg is, worden reclasseringsinterventies door de reclassering niet nodig geacht. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met de (gedeeltelijke) eendaadse samenloop van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat het incident meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 180 uren, bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; 18 van de Geneesmiddelenwet; 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten; 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet. 9De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;  bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 60 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;  beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari
  14. mr. L.C.P. Goossens en mr. L.M. Vogel zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023386074, gesloten op 21 januari 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’ s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Het proces-verbaal van bevindingen aanleiding aanhouding, p. 11-
  15. Het proces-verbaal van bevindingen medicatielijst, p. 49-
  16. De productbeoordeling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) d.d. 4 juni 2024, Aanvullend procesdossier, p.
  17. De bevoegdheidsbeoordeling van de IGJ inzake [verdachte] , Aanvullend procesdossier, p. 8 en 10, en de bevoegdheidsbeoordeling van IGJ inzake [medeverdachte] , Aanvullend procesdossier, p. 5 en
  18. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 januari
  19. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon [verdachte] , p. 103-
  20. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 januari
  21. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon [medeverdachte] , p. 80 en 85.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.