← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2025:9922

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummers: 05.002399.25 en 05.182043.22 (tul) Datum uitspraak : 28 januari 2025 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] , gevestigd aan de [adres] , op dit moment gedetineerd in de JJI [JJI] . Raadsman: mr. Sahin, advocaat in Lent. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, onder intrekking van de eerdere dagvaarding, ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 4 januari 2025 in de gemeente Nijmegen opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] (agent bij de Eenheid Oost-Nederland) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen (meermaals) de woorden toe te voegen: - " Vuile homo’s", - " Kankerlijers", - " Vuile kankerchinezen", - " Ik neuk je kankermoeder", - " Kankerflikkertjes", en/of - " Kankerhonden", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; 2. hij op of omstreeks 4 januari 2025 in de gemeente Nijmegen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, gedaan door een of meerdere ambtenaren, te weten, [slachtoffer 3] (inspecteur van politie van de Eenheid Oost-Nederland) en/of [slachtoffer 4] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtena(a)r(

  1. en)hem had(den) bevolen of van hem had(den) gevorderd mee te werken aan een onderzoek van uitgeademde lucht en/of een onderzoek van speeksel, hieraan geen gevolg te geven. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw is van mening dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Beoordeling door de rechtbank Ten aanzien van feit 1 Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aanhouding, p. 30 t/m 32; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2025. Ten aanzien van feit 2 Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering). Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van bevindingen, p. 13; - het proces-verbaal van bevindingen, p. 15; - de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2025. 3De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 4 januari 2025 in de gemeente Nijmegen opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] (agent bij de Eenheid Oost-Nederland) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen (meermaals) de woorden toe te voegen: - " Vuile homo’s", - " Kankerlijers", - " Vuile kankerchinezen", - " Ik neuk je kankermoeder", - " Kankerflikkertjes", en/of - " Kankerhonden", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; 2. hij op of omstreeks 4 januari 2025 in de gemeente Nijmegen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, gedaan door een of meerdere ambtenaren, te weten, [slachtoffer 3] (inspecteur van politie van de Eenheid Oost-Nederland) en/of [slachtoffer 4] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtena(a)r(
  2. en)hem had(den) bevolen of van hem had(den) gevorderd mee te werken aan een onderzoek van uitgeademde lucht en/of een onderzoek van speeksel, hieraan geen gevolg te geven. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feit 1: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. feit 2: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met toezicht en/of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van de feiten De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw is van mening dat de door de officier van justitie gevorderde eis passend is. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van politieambtenaren. Het vermoeden bestaat dat verdachte dit gedaan heeft onder invloed van alcohol. Dit hebben de politieambtenaren niet kunnen vaststellen, omdat verdachte niet heeft voldaan aan de vorderingen om een alcoholtest te doen. De manier waarop verdachte zich tegenover de politieambtenaren heeft opgesteld getuigt niet alleen van onbeheerst gedrag, maar laat vooral een gebrek aan respect zien voor personen die met hun werk bijdragen aan de veiligheid en leefbaarheid van de samenleving. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 7 januari 2025. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven en vermogensdelicten. Uit het advies van de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering van 8 januari 2025 volgt dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in de weekenden verbleef bij zijn oma en opa. Tijdens het eerste weekend van januari 2025 kwam zijn oom onverwachts langs met twee flessen sterke drank. Zowel zijn opa als oom kennen een problematische relatie met alcohol. Verdachte weet heel goed dat hij niet mag drinken, maar heeft gedurende die avond de verleiding niet kunnen weerstaan en is mee gaan drinken. De Jeugdreclassering acht een taakstraf voor verdachte het meest passend. Alles overziend zal de rechtbank voor deze feiten een taakstraf opleggen van 40 uur, zoals door de officier van justitie is geëist. 8De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.182043.22) De rechtbank heeft verdachte op 2 juni 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar met een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie heeft op 6 januari 2025 de voorlopige tenuitvoerlegging van die straf gevorderd. De rechter-commissaris heeft op 7 januari 2025 het bevel gegeven tot voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde PIJ-maatregel. De officier van justitie heeft op 7 januari 2025 de tenuitvoerlegging van die straf gevorderd. Tijdens de zitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen. De rechtbank heeft de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde PIJ-maatregel bij (separaat geminuteerde) beslissing van 14 januari 2025 opgeheven. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt daarbij het volgende. Veroordeelde heeft zich niet gehouden aan de aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel verbonden voorwaarden door het plegen van strafbare feiten en door het drinken van alcohol. De Jeugdreclassering, gesteund door de regiebehandelaar van Trajectum, adviseert niettemin de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De rechtbank sluit zich aan bij dit advies. Er zijn sinds de start van het jeugdreclasseringstoezicht geen signalen geweest van alcoholgebruik. Binnen de voorwaardelijke PIJ is een klinische behandeling opgelegd. Door wachtlijsten is de behandeling pas in oktober 2024 van start gegaan. Veroordeelde is geplaatst bij Observatie- en Behandelcentrum ‘t Mastler van Trajectum te [plaats] en zit in de diagnostische fase, die eind januari 2025 wordt afgerond en dan zal een definitief behandelplan worden vastgesteld. Veroordeelde heeft dus nog niet kunnen profiteren van een behandeling. De nieuwe strafbare feiten kunnen binnen de behandeling door middel van een delictanalyse met veroordeelde worden uitgewerkt en hem inzicht in zijn problematiek en zijn kwetsbaarheid (ten aanzien van alcohol) geven. Dat veroordeelde wederom in de fout is gegaan, bevestigt nog maar weer eens de noodzaak van een behandeling. Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten enerzijds en de noodzaak van de behandeling en de stand van zaken in het behandeltraject anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat, alle belangen afwegend, voortzetting van het huidige traject de voorkeur geniet boven de omzetting naar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank komt tot voorgaand oordeel, ondanks dat veroordeelde al een keer eerder is terug gemeld omdat hij toen niet (meer) aan de plaatsing bij Trajectum wilde meewerken. Veroordeelde moet zich realiseren dat hij nu opnieuw een kans krijgt na een misstap in zijn traject en dat hij zich aan de voorwaarden van de voorwaardelijke PIJ-maatregel moet houden; de rechtbank geeft hem een volgende keer mogelijk niet nog een derde kans. 9De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 22b, 22c, 184, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  legt op een taakstraf van 40 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;  beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;  wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank van 2 juni 2023 voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel voor de duur van twee jaar af (parketnummer 05.182043.22). Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak, (voorzitter), mr. M. Rietveld en mr. G.M.L. Tomassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 januari 2025. mr. Bak is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025005397, gesloten op 5 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.