← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2026:1235

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/459141 / HA ZA 25-468 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van [naam eiser] , handelend onder de naam [alias 1] , wonende en kantoorhoudende [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. W.C.D.E. Wolfhagen te Breda, tegen [naam gedaagde] , handelend onder de naam [alias 2] , wonende en kantoorhoudende [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 december 2025; - de akte uitlating met betrekking ambtshalve voornemen verwijzing ex artikel 71 lid 2 Rv. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling De bevoegdheid van de rechtbank 2.
  3. Bij tussenvonnis van 17 december 2025 heeft de rechtbank overwogen voornemens te zijn om de zaak ambtshalve te verwijzen naar de kantonrechter. [eiser] is in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte uit te laten. Dit heeft [eiser] gedaan. 2.
  4. Uit de toelichting van [eiser] begrijpt de rechtbank dat zij niet alleen betaling vordert van € 22.238,42 (vanwege vervallen termijnen inclusief rente en incassokosten), maar ook een verklaring voor recht omtrent en betaling van toekomstige termijnen. Het staat niet vast tot welk bedrag deze toekomstige termijnen optellen. De vorderingen vanwege deze toekomstige termijnen zijn daarom van onbepaalde waarde. Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde] de overeenkomst niet heeft opgezegd en blijkt ook haar voornemen daartoe niet. Het staat dus niet vast dat de maandelijkse termijnen van € 497,00 exclusief btw/€ 601,37 inclusief btw ook na de datum van de dagvaarding niet zullen doorlopen. Ook voor het overige bestaan er naar het oordeel van de rechtbank geen duidelijke aanwijzingen dat de vorderingen van [eiser] tezamen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00 (artikel 93 aanhef onder b en 94 lid 1 Rv). 2.
  5. Gelet op bovenstaande zal de rechtbank de zaak niet verwijzen naar de kantonrechter. Hieronder zal de rechtbank de vordering inhoudelijk beoordelen. De inhoudelijke beoordeling 2.
  6. [eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 2.
  7. De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen. 2.
  8. Naast de hoofdsom en de toekomstig verschuldigde termijnen vordert [eiser] vergoeding van € 1.178,83 aan buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De door [eiser] gevorderde btw zal echter worden afgewezen, omdat zij niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Daarom zal een bedrag van € 974,24 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. 2.
  9. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,21 - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 1.254,00 (1,5 punt × € 836,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.937,21
  10. De beslissing De rechtbank 3.
  11. verklaart voor recht dat [gedaagde] , voor zolang de Licentiepartnerovereenkomst voortduurt, in de huidige Fase II van de Licentiepartnerovereenkomst maandelijks een vergoeding ten bedrage van € 497,00 exclusief btw/€ 601,37 inclusief btw aan [eiser] verschuldigd is, zulks ingevolge artikel 4.2 van de Licentiepartnerovereenkomst te voldoen telkenmale uiterlijk op de eerste dag van de desbetreffende contractmaand, zijnde de eerste dag van iedere kalendermaand (vervaldatum), 3.
  12. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.923,86, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot op 1 november 2025 begroot op € 1.135,73, tot de dag van volledige betaling, 3.
  13. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 974,24 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, 3.
  14. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de toekomstig te vervallen maandtermijnen ten bedrage van € 601,37, zulks zolang de Licentiepartnerovereenkomst voortduurt en te voldoen uiterlijk op de eerste dag van iedere kalendermaand (vervaldatum), voor het eerst uiterlijk op 1 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag na de vervaldatum, zulks tot de dag der algehele voldoening, 3.
  15. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.937,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.937,21, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, 3.
  16. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  17. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 11 februari
  18. 2075

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.