Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2026:2103
RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 11808937 \ CV EXPL 25-2259 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van WONINGSTICHTING DE GOEDE WONING, te Apeldoorn, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: DGW, gemachtigde: mr. M.J. Seijbel, tegen 1 [naam gedaagde in conventie 1] , te [plaats] , 2. [naam gedaagde in conventie 2], te Apeldoorn, gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna afzonderlijk te noemen [gedaagden] en samen te noemen [gedaagde in conventie] (in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten 2.1.
Op 30 juli 2003 is tussen de rechtsvoorganger van DGW en [gedaagde 1] een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan DGW de woonwagenstandplaats met berging en sanitaire unit gelegen aan de [adres] (hierna: de standplaats) verhuurt aan [gedaagde 1] . Op de standplaats staat een woonwagen (hierna: de woonwagen).
2.2.
Artikel 7.1 van de huurovereenkomst luidt als volgt: “(…) Indien het gehuurde geen vaste woonplaats meer van huurder is, verplicht hij zich om verhuurder daarvan terstond schriftelijk in kennis te stellen onder opgave van zijn nieuwe adres en woonplaats. (…)”
2.3.
Op de rechtsverhouding van DGW en [gedaagde 1] zijn de ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WOONRUIMTE (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Artikel 1 lid 1 van de algemene bepalingen luidt als volgt: “Huurder dient het gehuurde – gedurende de gehele duur van de overeenkomst – daadwerkelijk, behoorlijk en zelf te gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming (…)”
2.4.
In 2020 is [gedaagde 2] in de woonwagen gaan wonen.
2.5. [gedaagde 1] heeft zich per 24 september 2022 ingeschreven op het adres van de standplaats die zijn ouders huurden te [plaats] . [gedaagde 1] heeft de zich hierop bevindende woonwagen van zijn ouders overgenomen.
2.6. [gedaagde 2] heeft zich per 1 april 2023 ingeschreven op het adres van het gehuurde.
3Het geschil in conventie 3.1.
DGW vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
3.2. [gedaagde in conventie] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van DGW.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde in conventie] vordert het medehuurschap van de standplaats aan [gedaagde 2] toe te kennen en DGW te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente 3.5.
De Goede Woning voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling in conventie 4.1.
Kern van het geschil in conventie is de vraag of de huurovereenkomst tussen DGW en [gedaagde 1] moet worden ontbonden omdat [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft.
4.2.
Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of op [gedaagde 1] wel een verplichting rust om zijn hoofdverblijf in het gehuurde te houden. [gedaagde in conventie] betwist dit en voert daartoe aan dat artikel 7.1 van de huurovereenkomst afwijkt van de verplichting uit de algemene bepalingen dat de huurder het gehuurde zelf moet gebruiken. [gedaagde in conventie] wordt niet in dit standpunt gevolgd. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom artikel 7.1 van de huurovereenkomst afwijkt van artikel 1 lid 1 van de algemene bepalingen. [gedaagde 1] moet op grond van artikel 1 lid 1 van de algemene bepalingen de standplaats zelf gebruiken en wanneer de standplaats geen vaste woonplaats meer is van [gedaagde 1] , is hij op grond van artikel 7.1 van de huurovereenkomst verplicht DGW daarvan in kennis te stellen. Beide verplichtingen kunnen dus naast elkaar bestaan. Het verweer van [gedaagde in conventie] op dit punt faalt dus.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de standplaats geen vaste woonplaats meer is van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] woont in elk geval sinds september 2022 op een ander adres waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Hiermee handelt [gedaagde 1] in strijd met het bepaalde in artikel 1 lid 1 van de algemene bepalingen.
4.4.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. Daarvoor is redengevend dat [gedaagde 1] sinds in elk geval 24 september 2022 niet meer in de woonwagen woont. [gedaagde 1] heeft DGW hiervan niet zelf op de hoogte gesteld. Uit de stellingen van [gedaagde 1] wordt afgeleid dat hij ook niet voornemens is om nog naar de woonwagen terug te keren. In het licht van deze omstandigheden rechtvaardigt de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst de ontbinding van de huurovereenkomst.
4.5.
Zoals hierna uit de beoordeling in reconventie zal blijken, wordt [gedaagde 2] niet aangemerkt als medehuurder. Dit betekent dat zij de standplaats zonder recht of titel gebruikt.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen die strekken tot ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de standplaats zullen worden toegewezen. De standplaats moet daarom worden ontruimd (inclusief de zich daarop bevindende woonwagen) en [gedaagden] moeten de standplaats verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
4.7.
DGW maakt voorts aanspraak op betaling van een bedrag gelijk aan de huur van de standplaats vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag van de daadwerkelijke ontruiming van de standplaats. Dit onderdeel van de vordering zal op grond van artikel 7:225 BW worden toegewezen.
4.8.
Ook de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal worden toegewezen. Van DGW kan niet worden verlangd dat zij de standplaats nog langer aan [gedaagde in conventie] ter beschikking stelt. In hetgeen [gedaagde in conventie] aanvoert wordt geen aanleiding gezien anders te beslissen.
4.9. [gedaagde in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DGW worden vastgesteld en begroot op:
De proceskostenveroordeling wordt deels hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. in reconventie 4.11.
In reconventie gaat het om de vraag of [gedaagde 2] als medehuurder van de standplaats moet worden aangemerkt.
4.12. [gedaagde in conventie] baseert zijn vordering kennelijk op artikel 7:267 BW. In het eerste lid van dit artikel is, kort gezegd, bepaald dat de huurder en de beoogd medehuurder die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, de rechter gezamenlijk kunnen verzoeken dat zal worden bepaald dat de beoogd medehuurder zal worden aangemerkt als medehuurder indien de verhuurder niet heeft ingestemd met een eerder daartoe strekkend verzoek.
4.13.
In artikel 7:267 lid 3 BW zijn situaties genoemd waarin een vordering tot toekenning van het medehuurderschap door de rechter moeten worden afgewezen. Eén van die situaties is de situatie waarin de huurder en de beoogd medehuurder niet tenminste twee jaar in de betreffende woonruimte een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad.
4.14.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagden] gedurende tenminste twee jaar in de woonwagen een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad. Gelet op de betwisting van deze stelling door DGW, lag het op de weg van [gedaagde in conventie] om voldoende concrete feiten op dit punt aan te voeren. [gedaagde in conventie] heeft dat onvoldoende gedaan. Het enkel verwijzen naar de rekeningafschriften die [gedaagde in conventie] al in het voortraject van deze procedure aan DGW had verzonden (productie 9 van DGW) is daarvoor in elk geval niet genoeg. Daaruit blijkt alleen welke vaste lasten [gedaagde 2] vanaf haar eigen bankrekening heeft betaald en niet in welke mate [gedaagde 1] heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt bovendien juist dat de vaste lasten voor huur, energie, water en de gemeentelijke belasting alleen door [gedaagde 2] zijn betaald. Dit duidt niet op een evenredige verdeling van de kosten van de huishouding. [gedaagde in conventie] heeft ook voor het overige geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagden] de kosten van het huishouden daadwerkelijk hebben gedeeld en dat zij een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Daarmee heeft [gedaagde in conventie] zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen.
4.15.
Van een gemeenschappelijke huishouding tussen [gedaagden] is niet gebleken. De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.16. [gedaagde in conventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DGW worden vastgesteld en begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. lt