ECLI:NL:RBGEL:2026:2396
RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: C/05/462785 / KG RK 26-96 Beschikking van de voorzieningenrechter van 27 maart 2026 in de zaak van de naamloze vennootschap AEGON LEVENSVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, verzoekende partij, hierna: Aegon, advocaat: mr. M.W.G. Koopmans, tegen 1 [naam belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: [belanghebbende 1] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam belanghebbend bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: [belanghebbende 2] , belanghebbenden.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De beoordeling 2.1.
Het verzoek onder 1 strekt tot het verkrijgen van verlof als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW, om het woonhuis met ondergrond, erf, en tuin, plaatselijk bekend [adres] te ( [postcode] ) [plaatsnaam] , kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] [registratiegegevens] , onderhands te verkopen volgens de bij het verzoek gevoegde koopovereenkomst tussen Aegon en [belanghebbende 1] .
Het verzoek onder 2 strekt er, primair, toe dat de voorzieningenrechter zal verklaren voor recht, althans overwegen, dat de hypotheekgever en de zijnen op grond van deze beschikking tot ontruiming worden genoodzaakt als bedoeld in artikel 525 lid 3 Rv, en subsidiair tot veroordeling van de hypotheekgever om de voornoemde onroerende zaak te ontruimen en met al de zijnen en het zijne te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking te stellen aan verzoekster, althans de koper, op het moment van inschrijving als bedoeld in artikel 3:89 BW, alsmede te bepalen dat de rechten uit de in dezen te wijzen beschikking op dit punt overgaan op de kopers.
2.2.
Geen van de belanghebbenden heeft, daartoe aangeschreven op de wijze als bedoeld in artikel 548 lid 3 Rv, bezwaar geuit tegen de goedkeuring van de koopovereenkomst. Het verzoek daartoe voldoet ook voor het overige aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten. Daarom zal het verzoek onder 1 worden toegewezen.
2.3.
Tegen het verzoek betreffende de ontruiming van de onroerende zaak is evenmin verweer gevoerd. Onverkorte toewijzing van het primaire verzoek onder 2 zou echter meebrengen dat niet pas de levering uit hoofde van de bij deze beschikking goedgekeurde koopovereenkomst tot ontruiming zou verplichten, maar dat de hypotheekgever met de zijnen reeds op grond van de onderhavige beschikking tot ontruiming zou kunnen worden gedwongen, dus al voordat de hypotheekgever door levering aan de koper de eigendom van de woning verliest. Daarvoor bestaat geen rechtsgrond, integendeel: de laatste volzin van artikel 3:268 lid 2 BW bepaalt dat bij een veroordeling tot ontruiming van de hypotheekgever en de zijnen, de ontruiming niet plaatsvindt voor het moment van inschrijving ex artikel 3:89 BW. Een hypotheekhouder die voorafgaand aan de levering aan de executiekoper tot ontruiming van het onderpand door de hypotheekgever wil overgaan, kan onder de voorwaarden van artikel 3:267 BW machtiging vragen om het onderpand onder zich te nemen. Een dergelijk verzoek is door Aegon in dit geval echter niet gedaan. Daarom zal het primaire verzoek onder 2 worden afgewezen.
2.4.
Voor de beoordeling van het subsidiaire verzoek onder 2 geldt het volgende. Artikel 525 lid 3 Rv bepaalt dat de geëxecuteerde, alsmede degene die zich op het moment van de inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing zonder recht of titel in de verkochte zaak bevindt en als zodanig niet bekend was aan de koper, op grond van het proces-verbaal van toewijzing tot ontruiming kan worden genoodzaakt. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever deze bepaling niet van toepassing acht in geval van een onderhandse executoriale verkoop. Dat artikel 525 lid 3 Rv het oog heeft op het proces-verbaal van toewijzing (en dus op een openbare executoriale verkoop) doet hieraan niet af. Het voorgaande impliceert dat de koper na verkrijging op grond van een executoriale verkoop - ongeacht of dit openbaar (artikel 3:268 lid 1 BW) of onderhands (artikel 3:268 lid 2 BW) geschiedt - het recht heeft om de ontruiming door de hypotheekgever en de zijnen af te dwingen. In geval van een onderhandse verkoop dient in artikel 525 lid 3 Rv in plaats van ‘het proces-verbaal van toewijzing’ te worden gelezen ‘de notariële akte van overdracht ingevolge de onderhandse verkoop’, en verderop in plaats van ‘het proces-verbaal’, ‘de beschikking van de voorzieningenrechter’. Op grond van het voorgaande heeft Aegon er geen belang bij dat wordt bepaald dat de rechten uit deze beschikking overgaan op [belanghebbende 2] , zodat het subsidiaire verzoek onder 2 voor dat deel zal worden afgewezen.
2.5. [belanghebbende 1] zal gelet op al het voorgaande worden veroordeeld om de voornoemde onroerende zaak te ontruimen en met al de zijnen en het zijne te verlaten op het moment van inschrijving bedoeld in artikel 3:89 BW, met afgifte van de sleutels aan Aegon, althans [belanghebbende 2] .
3De beslissing De voorzieningenrechter 3.1. bepaalt dat de verkoop van het woonhuis met ondergrond, erf, en tuin, plaatselijk bekend [adres] te ( [postcode] ) [plaatsnaam] , kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam] [registratiegegevens] , onderhands zal geschieden overeenkomstig de hierbij goedgekeurde koopovereenkomst waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht, 3.2. veroordeelt [belanghebbende 1] om het woonhuis met ondergrond, erf, en tuin, plaatselijk bekend [adres] te ( [postcode] ) [plaatsnaam] , kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam] [registratiegegevens] , te ontruimen met al de zijnen en het zijne, met afgifte van de sleutels aan Aegon, althans [belanghebbende 2] , 3.3. bepaalt dat voorafgaande aan de datum van inschrijving bedoeld in artikel 3:89 BW niet mag worden ontruimd, 3.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
943 / 1496 Vgl. Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2024/422; M.J.W. van Ingen, ‘Van de onderhandse executie en de gedwongen ontruiming’, JBN 1994/86; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 december 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:8541; alsmede Rechtbank Noord-Nederland 8 februari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:722.