Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2026:2986
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: ARN 23/6264, 23/6266 tot en met 23/6269, 23/8120 en 23/8122 tot en met 23/8124 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.
Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar tevens inhoudende afwijzende beschikkingen ambtshalve vermindering van de inspecteur van 25 juli 2023 en 21 september 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015, 2016, 2017, 2019 en 2020 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) zoals weergegeven in de tabel hieronder.
De inspecteur heeft daarnaast voor de jaren 2015, 2016, 2019 en 2020 aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend over een bijdrage-inkomen zoals weergegeven in de tabel hieronder.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en verzuimboetes opgelegd zoals weergegeven in de tabel hieronder.
Jaar Belastbaar inkomen box 1 Bijdrage-inkomen ZVW Belastingrente Verzuim-boete 2015 € 90.000 € 6.590 € 436 (IB/PVV) € 0 (ZVW) € 369 2016 € 90.000 € 3.338 € 230 (IB/PVV) € 0 (ZVW) € 369 2017 € 90.714 n.v.t. € 2.246 (IB/PVV) geen 2019 € 19.354 € 17.500 € 25 (IB/PVV) € 43 (ZVW) € 385 2020 € 22.236 € 0 € 0 (IB/PVV € 0 (ZVW) € 385 De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ook aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Die verzoeken heeft de inspecteur afgewezen. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende als volgt geregistreerd:
Zaaknummer Heeft betrekking op 23/6264 IB/PVV 2015 23/6266 IB/PVV 2016 23/6267 IB/PVV 2017 23/6268 ZVW 2015 23/6269 ZVW 2016 23/8120 IB/PVV 2019 23/8122 ZVW 2019 23/8123 IB/PVV 2020 23/8124 ZVW 2020 De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft tussen 2 januari 2025 en 5 januari 2026 meerdere pogingen gedaan om een zitting te plannen. Belanghebbende heeft echter steeds om uitstel verzocht en dit is (uiteindelijk) ook verleend. De rechtbank heeft in een bericht van 7 januari 2026 waarin het verleende uitstel wordt bevestigd belanghebbende verzocht de week van 16 maart 2026 tot en met 20 maart 2026 vrij te houden voor een zitting. Op 23 januari 2026 is een vooraankondiging gestuurd voor de zitting van 17 maart 2026 en op 5 februari 2026 is belanghebbende uitgenodigd voor die zitting. Op 26 februari 2026 heeft belanghebbende opnieuw om uitstel verzocht. De rechtbank heeft dit uitstelverzoek afgewezen. Op 15 maart 2026 heeft belanghebbende nogmaals om uitstel verzocht en – voor zover het uitstel zou worden afgewezen – verzocht om deelname via videoverbinding. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen en het verzoek om deelname via videoverbinding toegewezen en de Teamslink aan belanghebbende gestuurd. Op 17 maart 2026 vroeg in de ochtend heeft belanghebbende de rechtbank een bericht gestuurd waarin hij kenbaar heeft gemaakt niet deel te nemen aan de zitting, ook niet via videoverbinding.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].
Feiten 1. Belanghebbende drijft sinds 5 december 2014 een eenmanszaak onder de naam “[naam bedrijf 1]”. De naam is later gewijzigd in “[naam bedrijf 2]”.
Jaar Datum uitnodigings-brief Datum herinnerings-brief Datum aanmaning Uiterste datum aangifte Aangifte ingediend Ontv.datum aangifte 2015 28-2-2016 27-9-2016 4-11-2016 18-11-2016 nee 2016 28-2-2017 8-6-2017 7-7-2017 21-7-2017 nee 2017 28-2-2018 ja 20-8-2018 2019 28-2-2020 16-10-2020 25-11-2020 8-12-2020 nee 2020 27-2-2021 28-6-2021 2-8-2021 15-8-2021 ja 12-10-2021 7. Belanghebbende heeft alleen voor de jaren 2017 en 2020 een aangifte IB/PVV ingediend. Daarin heeft hij het volgende aangegeven:
Jaar Loon Uitkering Belastbare winst Verzamelinkomen 2017 € 90.714
Jaar Loon Uitkering Resultaat overige werkzaamheden Belastbare winst Belastbaar inkomen box 1 Verzamel-inkomen 2015 € 83.410 € 6.590 € 90.000 € 90.000 2016 € 86.662 € 3.338 € 90.000 € 90.000 2017 € 90.714 € 90.714 € 90.714 2019 € 1.854 € 17.500 € 19.354 € 19.354 2020 € 24.196 € 3.957
Voor 2015: op 20 augustus 2018 en op 31 december 2020.
Voor 2016: op 20 augustus 2018, op 3 januari 2021 en op 23 oktober 2021.
Voor 2017: op 3 januari 2021, op 23 oktober 2021 en op 31 december 2022.
Voor 2019: op 7 februari 2023.
Voor 2015: bij uitspraak op bezwaar van 2 mei 2019 met betrekking tot de aangifte van 20 augustus 2018 en bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 met betrekking tot de aangifte van 31 december 2020.
Voor 2016: bij uitspraak op bezwaar van 2 mei 2019 met betrekking tot de aangifte van 20 augustus 2018, bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 met betrekking tot de aangiften van 3 januari 2021 en 23 oktober 2021.
Voor 2017: bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 met betrekking tot de aangiften van 3 januari 2021, 23 oktober 2021 en 31 december 2022.
Voor 2019: bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2023.
De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat ze buiten de bezwaartermijn zijn ontvangen. De verzoeken om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank Vooraf inzake de ontvankelijkheid van de bezwaren en de rechtstreeks beroepen 12. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende (in de vorm van aangiften) niet-ontvankelijk verklaard, omdat ze te laat zijn ingediend. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint te lopen op de dag na de datum van de aanslag. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is.
Vooraf inzake het schorsingsverzoek 16. Belanghebbende heeft verzocht om schorsing van het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64 van de Awb om hem in de gelegenheid te stellen de reconstructie van de administratie voor de jaren 2015, 2016, 2019 en 2020 af te ronden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te schorsen. De rechtbank heeft daarbij het volgende meegewogen. Belanghebbende heeft inmiddels al enige jaren de tijd gehad om zijn administratie inzichtelijk te krijgen en stukken daaruit te overleggen. Een verder uitstel om belanghebbende in de gelegenheid te stellen om alsnog een reconstructie van de administratie voor de verzochte jaren te overleggen acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Temeer omdat van meet af aan duidelijk was dat de gebrekkige administratie van belanghebbende het springende punt in de discussie tussen de Belastingdienst en belanghebbende was. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat belanghebbende in het kader van de reconstructie voor het jaar 2017 vlak voor de zitting de nodige stukken heeft overgelegd, die tegenstrijdigheden bevatten ten opzichte van eerder overgelegde stukken, niet volledig zijn en geen nieuwe inzichten opleveren met betrekking tot de aan de orde zijnde geschilpunten.
Geschil 17. De rechtbank beoordeelt de volgende geschilpunten:
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard voor de jaren 2015, 2016 en 2019?
Zijn de aanslagen IB/PVV en ZVW voor de jaren 2015, 2016, 2017, 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen opgelegd?
Heeft de inspecteur de verzuimboetes voor de jaren 2015, 2016, 2019 en 2020 terecht niet ambtshalve verminderd?
De bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard voor de jaren 2015, 2016 en 2019.
De aanslagen voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd, maar voor 2019 wel.
De verzuimboetes terecht niet ambtshalve zijn verminderd.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard voor de jaren 2015, 2016 en 2019?
Zijn de aanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld?
2015, 2016 en 2019 20. Voor deze jaren is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat houdt in dat de inspecteur de aanslagen moet baseren op een redelijke schatting. Die schatting mag niet willekeurig zijn. Belanghebbende moet vervolgens overtuigend aantonen dat en in hoeverre de ambtshalve opgelegde (geschatte) aanslagen onjuist zijn.
Daarom is bij het bepalen van het belastbaar inkomen door de inspecteur onterecht geen rekening gehouden met een MKB-winstaftrek van 14%. De inspecteur heeft zich de zitting op het standpunt gesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de redelijke schatting, omdat de belastbare winst in werkelijkheid nog hoger ligt dan wat in aanmerking is genomen. De rechtbank vat dit op als een beroep op interne compensatie en volgt de inspecteur hierin. Uit de uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 op pagina 7 volgt dat de inspecteur de belastbare winst voor 2015 heeft berekend op € 13.298 en voor 2016 op € 23.522 en op welke wijze hij dit heeft gedaan. De inspecteur heeft daarmee voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit valt af te leiden dat de redelijke schatting die hij heeft gedaan voor de jaren 2015 en 2016, ondanks dat uit is gegaan van de verkeerde bron, eerder te laag dan te hoog is.
2017 26. Voor 2017 claimt belanghebbende een verlies van € 69.974. De inspecteur heeft dit verlies niet geaccepteerd, omdat belanghebbende bij het boekenonderzoek de kosten niet heeft onderbouwd.
2020 28. Voor 2020 heeft de inspecteur de aanslag opgelegd overeenkomstig de eerste door belanghebbende ingediende aangifte. Belanghebbende heeft op 7 februari 2023 een herziene aangifte ingediend waarbij hij een aftrek eigen woning claimt van € 12.724. De inspecteur heeft deze aftrek niet geaccepteerd, omdat de kosten betrekking hadden op de woning aan de [locatie 2] en belanghebbende niet in deze woning woont.
Zijn de verzuimboetes terecht niet ambtshalve verminderd?
Conclusie en gevolgen 34. De beroepen IB/PVV en ZVW voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2020 zijn ongegrond. Dat betekent dat die aanslagen en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De beroepen IB/PVV en ZVW met betrekking tot 2019 zijn gegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug dat met betrekking tot die beroepen in rekening is gebracht (€ 50) terug. De rechtbank heeft geconstateerd dat ook in zaaknummer 23/8123 griffierecht is geheven, maar omdat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van samenhang met de zaak 23/8120 is door de rechtbank opdracht gegeven om het te veel geheven griffierecht terug te storten. Er is niet verzocht om een proceskostenvergoeding en de rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 15 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. griffier rechter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Artikel 6:11 van de Awb.
In de zin van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
Op de voet van artikel 7:1a van de Awb.
Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311, r.o. 2.4.
Artikel 3.111 Wet IB 2001.
Vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, r.o. 3.5.3.
Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1516, r.o. 2.4.3.
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.