← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2026:473

RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/4373 uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Tiel. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.
  2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juni 2025 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met het besluit van 27 augustus 2025 heeft het college het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Met de brief van 13 september 2025, door de rechtbank ontvangen op 29 september 2025, heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
  4. Uit de dossierstukken blijkt dat verzoeker onder bewind staat bij Liemersbewind uit Zevenaar.
  5. Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
  6. Verzoeker heeft zonder zijn bewindvoerder een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Ook heeft hij geen volmacht van zijn bewindvoerder overgelegd.
  7. De rechtbank heeft aan de bewindvoerder gevraagd of verzoeker in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen en als dit niet het geval is hij bereid is de procedure over te nemen. Hierop heeft deze bij mail van 15 januari 2026 geantwoord dat verzoeker niet in staat is zijn eigen belangen te vertegenwoordigen. Ook heeft de bewindvoerder erop gewezen dat de kantonrechter het verzoek voor ontslag als bewindvoerder en mentor op 21 oktober (de voorzieningenrechter begrijpt dat bedoeld wordt: van het jaar 2025) heeft afgewezen. De voorzieningenrechter begrijpt de reactie van de bewindvoerder zo dat hij niet bereid is de procedure over te nemen.
  8. Uit de reactie van de bewindvoerder volgt dat verzoeker onbekwaam is om zelfstandig te procederen en dat de bewindvoerder niet bereid is om de procedure over te nemen. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen
  9. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.