RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/6358 (verzoek) en 25/6359 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van op het verzoek en het beroep in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. M.I. Bal), en de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (gemachtigde: mr. H.C.E. de Kiefte). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de algemene raad om aan eiser geen vierde toetskans toe te kennen voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’. 1.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de algemene raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser geen vierde toetskans toe te kennen. De algemene raad heeft onder verwijzing naar zijn beleid ook voldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een extra toetskans. De voorzieningenrechter acht dit beleid redelijk en niet gebleken is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de algemene raad van zijn beleid had moeten afwijken. Het beroep is daarom ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 1 september 2025 heeft de algemene raad besloten om eiser geen vierde toetskans te geven voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’. Bij besluit van 17 december 2025 op het bezwaar van eiser is de algemene raad bij dit besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De algemene raad heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de algemene raad hebben deelgenomen aan de zitting. 2.4. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Waar gaat deze zaak over? 4. Eiser is advocaat-stagiair. Als een advocaat-stagiair na drie werkjaren voldoet aan bepaalde wettelijke vereisten, krijgt diegene van de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) de stageverklaring en wordt daarmee ‘onvoorwaardelijk’ advocaat. Een advocaat-stagiair moet in de opleiding tot advocaat onder meer een aantal toetsen behalen, waaronder de toets ‘de integratieve dag 1’. Dit vak is een oefenrechtbank op basis van een fictieve casus waarbij vooral vaardigheden getoetst worden. Op grond van artikel 3.19, vierde lid, van de Verordening op de advocatuur (de Voda) heeft een advocaat-stagiair per examenonderdeel drie toetskansen. Eiser heeft drie keer een onvoldoende behaald voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’. 4.1. Uit artikel artikel 3.19, zesde lid, van de Voda volgt dat de algemene raad van het vierde lid kan afwijken in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit betreft de hardheidsclausule. Eiser heeft de algemene raad verzocht om hem met toepassing van de hardheidsclausule een extra (vierde) toetskans te bieden voor het examenonderdeel ‘de integratieve dag 1’. 4.2. Bij besluit van 1 september 2025 (het primaire besluit) heeft de algemene raad besloten om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Eiser krijgt dus geen vierde toetskans. Bij besluit van 17 december 2025 heeft de algemene raad het primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Is sprake van een spoedeisend belang? 5. Eiser geeft aan een spoedeisend belang te hebben in deze procedure, omdat hij binnenkort van het tableau geschrapt dreigt te worden. Met een extra toetskans (en het behalen van de toets) kan hij voorkomen dat hij geschrapt wordt. De algemene raad stelt daarentegen dat het weliswaar invoelbaar is dat eiser het als een persoonlijk belang ziet om zo lang mogelijk op het tableau ingeschreven te staan, maar dat deze omstandigheid geen te honoreren spoedeisend belang oplevert. Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst. 5.1. Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de uitspraak in de beroepszaak niet kan worden afgewacht. De uitspraak in beroep kan niet worden afgewacht als er vóórdat een uitspraak is gedaan op het beroep onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. 5.2. De gemachtigde van de algemene raad heeft op zitting toegelicht dat het mogelijk mede van de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze zaak afhangt of eiser al dan niet geschrapt wordt van het tableau. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat eiser, als de uitkomst in deze zaak zou zijn dat hij een extra toetskans krijgt en voor de toets slaagt, nog een mogelijkheid heeft om zijn opleiding af te ronden zonder geschrapt te worden. Onder die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitspraak in beroep niet afgewacht kan worden, omdat anders onomkeerbare gevolgen (schrapping van het tableau) ontstaan vóórdat uitspraak op het beroep is gedaan en eiser met toewijzing van de voorlopige voorziening (mogelijk) zou kunnen voorkomen dat deze gevolgen zich voordoen. Heeft de algemene raad in redelijkheid geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen? 6. Eiser wijst er – kort samengevat – op dat de algemene raad een onvoldoende eigen afweging heeft gemaakt waarom er al dan niet toepassing gegeven moet worden aan de hardheidsclausule. Eiser meent dat een onvoldoende concrete en individuele beoordeling is toegepast. Verder heeft de algemene raad zijn beslissing volgens eiser gebaseerd op beleid, maar heeft er geen kenbare en deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden waarin de belangen van eiser zijn betrokken. 6.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit artikel 3.19, zesde lid, van de Voda volgt dat de algemene raad kan afwijken van het vierde en vijfde lid in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De algemene raad komt bij deze bevoegdheid zowel beleids- als beoordelingsruimte toe. De algemene raad heeft een beleidsregel opgesteld ter invulling van zijn discretionaire bevoegdheid, de ‘Beleidsregel onderwijs en toetsen BA’. Uit de toelichting bij deze beleidsregel volgt het volgende: ‘ De algemene raad gaat zeer restrictief om met de toepassing van deze hardheidsclausule. In het verleden zijn uitsluitend verzoeken ingewilligd waarin:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.