← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2026:765

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Nijmegen Zaaknummer / rekestnummer: 11955186 \ HA VERZ 25-79 Beschikking van 27 januari 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. W.P. Ganzeboom, tegen VAN DRIEL NIJMEGEN B.V., gevestigd te Oss, verwerende partij, hierna te noemen: Van Driel, procederend in persoon. De zaak in het kort In deze zaak gaat het om de vraag of werkneemster nog achterstallig salaris tegoed heeft van haar voormalig werkgeefster. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat werkneemster haar verzoek, tegenover de gemotiveerde betwisting van werkgeefster, onvoldoende heeft onderbouwd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift - de (bij het verzoekschrift horende) producties van [verzoeker] , ingediend op 12 januari
  2. 1.
  3. De zaak is mondeling behandeld op 13 januari
  4. Verschenen is [verzoeker] , bijgestaan door mr. Ganzeboom. Namens Van Driel zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Mr. Ganzeboom heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, tevens houdende een vermindering van het verzoek en met aanvullende productie
  5. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. 1.
  6. De beschikking is bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
  7. [verzoeker] is op 20 september 2024 in dienst getreden bij Van Driel als taxichauffeur. Haar contracturen bedroegen 65 uur per maand en haar laatstelijk ontvangen salaris was € 15,63 bruto per uur exclusief vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst betrof een overeenkomst voor bepaalde tijd met als einddatum 31 augustus
  8. Van toepassing op de arbeidsovereenkomst is de CAO Zorgvervoer en Taxi (hierna: de cao). 2.
  9. Van Driel heeft op 28 juli 2025 aan [verzoeker] te kennen gegeven dat haar dienstverband niet zou worden verlengd. Het dienstverband is vervolgens geëindigd per 31 augustus
  10. 2.
  11. Na indiening van onderhavig verzoekschrift heeft Van Driel op 25 november 2025 alsnog de transitievergoeding aan [verzoeker] betaald. 3Het verzoek en het verweer 3.
  12. De kantonrechter begrijpt dat [verzoeker] , na wijziging van haar verzoek, samengevat, verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: Primair: het Sociaal Fonds Mobiliteit opdracht te geven om in deze zaak de loonbetaling te controleren en vast te stellen wat aan salaris had moeten worden betaald. Subsidiair: Van Driel te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen het achterstallig salaris van € 1.951,21 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente, onder gelijktijdige overlegging van deugdelijke salarisstroken, met veroordeling van Van Driel in de proceskosten. 3.
  13. Aan het verzoek heeft [verzoeker] samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Maandelijks heeft [verzoeker] meer dan 65 uur (haar contracturen) gewerkt. Volgens [verzoeker] heeft Van Driel de door haar gewerkte uren niet deugdelijk verloond en heeft nog geen afrekening plaatsgevonden van opgebouwde vakantietoeslag. Zij stelt nog recht te hebben op uitbetaling van achterstallig salaris. 3.
  14. Van Driel verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij voert aan dat zij [verzoeker] het salaris waar zij recht op had heeft uitbetaald in overeenstemming met de cao en dat geen sprake is van achterstallig loon. 4De beoordeling 4.
  15. Wat betreft het primaire verzoek van [verzoeker] om het Sociaal Fonds Mobiliteit (hierna: het fonds) in te schakelen overweegt de kantonrechter dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft verklaard dat het geen zin heeft om het fonds in te schakelen, omdat het fonds geen concrete individuele berekeningen maakt. De kantonrechter gaat op basis hiervan ervan uit dat de route via het fonds uiteindelijk niet tot een oplossing van het geschil zal leiden. Bovendien is niet toegelicht waarom dit niet al is gedaan. De kantonrechter kan hoogstens de procedure aanhouden hiervoor of mogelijk het benoemen van het fonds als deskundige, maar dit is door [verzoeker] niet gemotiveerd en gezien het vorenstaande kan dit volgens [verzoeker] zelf tot niets leiden. Daarom zal hij het primaire verzoek, in feite dus een aanhoudingsverzoek of mogelijk een verzoek tot het benoemen van een deskundige, van [verzoeker] afwijzen. 4.
  16. Vervolgens komt de kantonrechter toe aan het subsidiaire verzoek van [verzoeker] , de concrete loonvordering. In dat kader stelt de kantonrechter voorop dat op [verzoeker] , die zich beroept op het rechtsgevolg van haar stelling dat sprake is van achterstallig loon dat Van Driel nog aan haar moet betalen, op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en de bewijslast rust van die stelling. 4.
  17. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verzoeker] loonstroken overgelegd en (een dag vóór de mondelinge behandeling) een aantal door haar zelf opgestelde overzichten van gewerkte uren, opgenomen verlofuren, verloonde uren en door Van Driel uitbetaalde bedragen. Als aanvullende productie 10 heeft [verzoeker] tot slot nog een overzicht in het geding gebracht van gewerkte uren en te verlonen meeruren. 4.
  18. Van Driel heeft haar verweer onderbouwd aan de hand van de uit haar administratie blijkende gegevens die zij in het geding heeft gebracht met een toelichting daarop. Zij heeft hierbij verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen uit de cao en erop gewezen dat [verzoeker] ervoor heeft gekozen dat de door haar boven contract gewerkte uren worden omgezet naar een tijd-voor-tijd (hierna: TVT) saldo. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij hiervoor heeft gekozen en getekend. Van Driel heeft verder toegelicht dat de bij haar in dienst zijnde chauffeurs wisselende uren per maand werken, maar gemiddeld op jaarbasis het aantal contracturen als vermeld in hun arbeidsovereenkomst. Voor [verzoeker] betekent dat dat zij gemiddeld 65 uur per maand heeft moeten werken in de periode dat zij in dienst was van Van Driel. Volgens Van Driel heeft [verzoeker] in sommige maanden minder uren gewerkt dan haar contracturen en is het tekort aan uren van die maanden uit haar TVT-saldo opgenomen. Het restant aan TVT- en verlofuren heeft [verzoeker] op eigen verzoek ingezet tijdens haar dienstverband. Daarnaast heeft Van Driel erop gewezen dat zij in haar berekeningen en de verloning van de uren van [verzoeker] ook rekening heeft gehouden met het in de cao genoemde voorschot, de ziekteperiode van [verzoeker] in maart 2025 en het door [verzoeker] opgenomen onbetaalde verlof in augustus
  19. Van Driel heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het fonds iedere twee jaar controleert of zij de juiste berekeningsmethodes hanteert bij het verlonen van de uren en nog nooit heeft geconstateerd dat de werkwijze die Van Driel hanteert niet klopt. 4.
  20. De kantonrechter overweegt als volgt. Gelet op artikel 150 Rv had [verzoeker] een duidelijke berekening van het door haar gestelde achterstallig salaris moeten aanleveren en inzichtelijk moeten maken hoeveel uren zij heeft gewerkt, hoe de uren feitelijk zijn verloond en hoe deze uren hadden moeten worden verloond. Ook tijdens de mondelinge behandeling is niet inzichtelijk geworden waar de spreekwoordelijke schoen nu precies wringt en hoe haar uren volgens [verzoeker] verloond hadden moeten worden en wat dan de conclusie zou moeten zijn wat betreft het bestaan en de omvang van het gestelde achterstallig salaris. Gelet op de verklaringen van [verzoeker] zelf is gebleken dat de aanvankelijk in het verzoekschrift opgenomen berekening niet klopt en evenmin de in de spreekaantekeningen opgenomen berekening. De vraag is waar de kantonrechter dan van uit dient te gaan. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om hierover duidelijkheid te scheppen. Dit heeft zij nagelaten. Dat de berekening op basis van de cao complex is en dat gewerkt wordt met verschillende administratiesystemen (het BoordComputer Taxi-systeem (BCT-systeem), een werknemersportaal en een agenda/roostersysteem), betekent niet dat [verzoeker] , gelet op de betwisting door Van Driel, kan volstaan met hetgeen zij in deze procedure naar voren en in het geding heeft gebracht. Zij heeft ook nagelaten concreet (met aantallen uren en bedragen) in te gaan op de door Van Driel ingediende overzichten. Haar algemene stelling dat Van Driel onduidelijkheid creëert met de verschillende administratiesystemen en de loonstroken, is in dat kader ontoereikend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] zelf verklaard dat het in productie 10 opgenomen aantal nog te verrekenen meer-uren (115,59 uur), waarop haar gemachtigde de loonvordering heeft gebaseerd, weliswaar verloond moet worden, maar dat niet duidelijk is wat al verloond is. Haar gemachtigde kon hierover ook geen duidelijkheid scheppen. Bovendien is niet gebleken dat, laat staan op welke wijze, in de berekening van (de gemachtigde van) [verzoeker] ook rekening is gehouden met de door Van Driel genoemde verrekeningen (van TVT-uren, verkeersboetes, voorschotten, de ziekteperiode in maart 2025 en het opgenomen onbetaalde verlof in augustus 2025). 4.
  21. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog een bewijsaanbod gedaan, dat inhoudt dat zij op basis van de screenshots die zij van het BCT-systeem heeft gemaakt kan aantonen dat zij in totaal over de periode september 2024 tot en met augustus 2025 747,04 uren (zonder verlof) daadwerkelijk heeft gewerkt. Dit bewijsaanbod ziet echter alleen op wat zij feitelijk zou hebben gewerkt. Dat betekent dat ook als [verzoeker] slaagt in het leveren van dit bewijs, dat nog niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van achterstallig salaris. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de door [verzoeker] feitelijk gewerkte uren al tijdens het dienstverband in discussie waren tussen partijen. Volgens Van Driel hield [verzoeker] zich niet aan de door haar gegeven instructies en opdrachten, waardoor de feitelijke overzichten niet kloppen met te verlonen uren. Gelet op het verweer van Van Driel en het gebrek aan onderbouwing door [verzoeker] , kan het leveren van het bewijs dan ook niet tot toewijzing van het verzoek leiden. De kantonrechter passeert daarom het door [verzoeker] gedane bewijsaanbod. 4.
  22. [verzoeker] had haar verzoek, gelet op de betwisting van Van Driel, nader moeten motiveren en onderbouwen. Omdat zij dat heeft nagelaten, kan niet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van achterstallig salaris en om welk bedrag het dan zou gaan. De kantonrechter zal het verzoek daarom afwijzen als onvoldoende onderbouwd. De nevenverzoeken met betrekking tot de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en de afgifte van loonstroken komen evenmin voor toewijzing in aanmerking. 4.
  23. Omdat [verzoeker] in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten van Van Driel betalen. Aangezien Van Driel in persoon procedeert, worden de proceskosten van Van Driel begroot op € 50,00 aan reis- en verletkosten. 4.
  24. Deze beschikking wordt met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 5De beslissing De kantonrechter 5.
  25. wijst de verzoeken af, 5.
  26. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van Van Driel begroot op € 50,00, 5.
  27. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 27 januari
  28. 41245 \ 560

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.