beschikking RECHTBANK GELDERLAND Familie- en jeugdrecht Zittingsplaats Arnhem Zaakgegevens: C/05/447389 / ES RK 25-48 (echtscheiding) C/05/453756 / FA RK 25/2274 (verdeling) Datum uitspraak: 4 februari 2026 beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen in de zaak van [naam vrouw] (hierna: de vrouw), wonende te [woonplaats] , advocaat mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen tegen Zeker Financiële Zorgverlening B.V. (hierna: de bewindvoerder), gevestigd te Almere, in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan: [naam man] (hierna: de man), en de man, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. S. van Beers te Zeist. 1Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen: het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2025; het betekeningsexploot van 14 februari 2025; het betekeningsexploot van 15 februari 2025; het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2025; het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken, ontvangen op 13 juni 2025; het bericht van mr. Boersma (concretisering petitum) van 24 juli 2025; het bericht van mr. Boersma met bijlage (prod 6), ontvangen op 16 december 2025; de vermeerdering zelfstandige verzoeken van de man, met bijlage, ontvangen op 5 januari 2026. 1.2. De zaak is besproken op de zitting met gesloten deuren van 9 januari 2026 in het gerechtsgebouw van de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. Daarbij waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door mr. Boersma; mw. [naam 1] namens de bewindvoerder en de man, bijgestaan door mr. Van Beers. 2De feiten 2.1. De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] . 2.2. Bij beschikking van 16 december 2024 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de man onder bewind gesteld met benoeming van Zeker Financiële Zorgverlening B.V. tot bewindvoerder. 2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 24 april 2025 heeft de rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen en bepaald dat de man met ingang 24 mei 2025 bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [woonplaats] aan [woonadres] , met bevel dat de vrouw de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden. 3Wat ligt voor? 3.1. De vrouw verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: I. tussen de man en de vrouw, gehuwd te [huwelijksplaats] op [huwelijksdatum] , de echtscheiding uit te spreken, subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken; II. te bepalen dat aan de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan [woonadres] toekomt gedurende zes maanden na echtscheiding, voor zover nodig met het bevel dat de man deze woning dient te verlaten en niet verder zal betreden; III. de verdeling te bepalen als volgt: o de man te veroordelen om mee te werken aan verkoop en overdracht van de echtelijke woning aan [woonadres] door opdracht te geven aan [makelaar] , [adres] dan wel een door de rechtbank aan te wijzen erkende en regionaal werkende NVM Makelaar in [woonplaats] of omgeving, met dien verstande dat partijen de aanwijzingen van de makelaar voor het verkoop klaar maken van de woning dienen op te volgen, en waarbij de makelaar de vraag- en laatprijs bepaalt, en voorts de man te veroordelen om mee te werken aan de notariële overdracht van de echtelijke woning aan kopers, waarbij de ten deze af te geven beschikking treedt in de plaats van de medewerking en opdrachtverstrekking aan de door de rechtbank te benoemen makelaar, alsmede in de plaats treedt van de toestemming en medewerking van de man om de notariële overdracht van de woning aan kopers te realiseren; o de overwaarde van de woning, na aftrek van de kosten voor het verkoopklaar maken van de woning, de kosten van de makelaar en overige onbetaald gebleven kosten die verband houden met de eigendom en het gebruik van de woning tot de datum van overdracht aan kopers zijn betaald en afgerekend, zal tussen partijen gelijkelijk 50/50 worden verdeeld; o aan de vrouw wordt toegescheiden rekening [rekeningnummer 1] . De rekeningen [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] worden toegescheiden aan de man; o partijen dienen gezamenlijk belastingaangifte te doen over het fiscale jaar 2025 door tussenkomst van de [belastingadviseur] te Tiel , waarbij de ten deze af te geven beschikking in de plaats treedt voor de toestemming en medewerking van de man om aan de [belastingadviseur] opdracht te geven om de belastingaangifte over 2025 in te dienen. De belastingaanslag zal door de man worden genoten dan wel betaald; o de huishoudelijke inboedel en roerende zaken worden door partijen in onderling overleg gescheiden en verdeeld; IV. althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. 3.2. De bewindvoerder en de man refereren zich ten aanzien van het verzoek van de vrouw onder I en concluderen tot afwijzing van de overige verzoeken van de vrouw. Zij verzoeken bij wege van zelfstandig verzoek, na aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat aan de man het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te [woonplaats] , gelegen aan [woonadres] toekomt, gedurende zes maanden na datum inschrijving echtscheidingsverzoek; II. te bepalen dat conform artikel 3:178 lid 3 BW de verdeling wordt uitgesloten van de echtelijke woning aan het adres [woonadres] te [woonplaats] , voor de duur van 3 jaar, dan wel een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum; III. te bepalen dat de vrouw binnen twee dagen na de in deze te wijzen beschikking openheid van zaken dient te verschaffen in de saldi van de bank- en spaarrekeningen, die op haar naam staan, alsmede te bepalen dat zij een overzicht dient te verstrekken van haar opgebouwde pensioenrechten; IV. te bepalen dat de aanslagen/heffingen en teruggaven tot het jaar van beëindiging fiscaal partnerschap tussen de man en de vrouw gelijkelijk worden gedeeld; V. te bepalen dat de vrouw aan de man verschuldigd is een bedrag van € 1.282,36 uit hoofde van diverse verrekenposten, welk bedrag door de vrouw aan de man binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking dient te worden voldaan, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan de man dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de beschikkingsdatum tot aan de dag der voldoening; VI. te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 7.100 dient te vergoeden aan de gemeenschap, althans te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 3.550 aan de man dient te voldoen. 3.3. De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de bewindvoerder en de man en verzoekt hen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken af te wijzen. Zij verzoekt ook te bepalen dat de bewindvoerder en de man binnen twee dagen na de te wijzen beschikking aan de vrouw dienen af te geven bewijsstukken/afschriften van de saldi op de financiële rekeningen die (mede) op naam van de man zijn gesteld per 10 februari 2025. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van de beoordeling van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Echtscheiding 4.1. Op grond van artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de echtscheiding tussen partijen worden uitgesproken indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. Het is de rechtbank gebleken dat er de afgelopen jaren veel is voorgevallen, maar dat de lezingen van de vrouw en de man over de gebeurtenissen verschillen. Volgens de vrouw was bij de man sprake van een psychische stoornis (schizofrenie) en waanbeelden, waarbij hij erg achterdochtig is over de bedoelingen van hun zoon en in toenemende mate dreigend was naar hen. Ook zou de man kampen met verzameldrang, waardoor de echtelijke woning vol met spullen kwam te staan. Hierdoor is veel strijd en spanning ontstaan. De man is na een escalatie tussen de vrouw, de man en hun zoon vanaf de zomer van 2024 tot en met mei 2025 opgenomen geweest bij Pro Persona, eerst op verplichte en later op vrijwillige basis. De man heeft echter aangevoerd dat deze opname geheel onterecht was. Zoals tijdens de procedure van voorlopige voorzieningen is gebleken, heeft de behandelend psychiater van de man verklaard dat de man geen psychiatrische aandoening heeft. De situatie is echter uiterst gespannen is geraakt wegens dreigend gedrag vanuit de zoon. Volgens de man stond de vrouw volledig onder invloed van haar zoon en had zij niks te vertellen. Daar komt bij dat in de periode dat de man opgenomen was, veel spullen uit de woning zijn gehaald, er een geldbedrag van € 10.000 is verdwenen en de auto van de man en de vrouw is verkocht. De man vermoedt dat hun zoon hier achter zit en zich de verkoopopbrengst van de auto heeft toegeëigend. 4.2. Tijdens de zitting is echter gebleken dat de vrouw en de man, ondanks de beslissing van de rechtbank in de procedure van voorlopige voorzieningen, de afgelopen periode gezamenlijk in de echtelijke woning hebben verbleven. Er is op dit moment geen contact met hun zoon. De verstandhouding tussen de vrouw en de man is verbeterd en hoewel niet langer sprake is van een affectieve relatie, is de rechtbank wel gebleken dat sprake is van wederzijdse verzorging. De rechtbank is daarom tijdens de zitting uitvoerig met de vrouw en de man in gesprek gegaan over hun wens om te scheiden. Het is de rechtbank daarbij niet volledig duidelijk geworden of de vrouw en de man inzien dat een echtscheiding in feite slechts een formaliteit is en geen oplossing zal bieden voor de spanningen in de relatie met hun zoon. De rechtbank constateert echter ook dat zowel de vrouw als de man ter zitting meermaals heeft uitgesproken te willen scheiden. Door de gebeurtenissen in het verleden vrezen de vrouw en de man dat de spanningen mogelijk opnieuw kunnen oplopen. Volgens hen is een scheiding daarom onafwendbaar. Dit zal voor hen beiden rust bieden. De man heeft daarnaast aangegeven dat hij de steun van de vrouw miste in de periode dat de ruzie met hun zoon escaleerde en de man opgenomen werd bij Pro Persona. Hierin voelt hij zich tekort gedaan. Gelet op deze omstandigheden wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste dat sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk in de zin van artikel 1:151 BW. De rechtbank zal daarom de echtscheiding uitspreken. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap 4.3. De vrouw en de man zijn met elkaar op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Dit betekent dat tussen hen de (toen geldende) wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Peildatum 4.4. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 10 februari 2025 ontbonden.Dat betekent in beginsel dat de goederen die de vrouw en de man op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). In dit geval zijn dat de goederen en de schulden die aanwezig waren op 10 februari 2025. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. Omvang van de ontbonden gemeenschap 4.5. De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat zowel de vrouw als de man recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. 4.6. De vrouw en de man hebben de volgende bestanddelen van de gemeenschap naar voren gebracht: de woning gelegen aan [woonadres] te [woonplaats] ; de inboedelgoederen van voormelde woning; de saldi van diverse bankrekeningen: o de bankrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ; o de betaalrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 3] . 4.7. De bewindvoerder heeft onbetwist aangevoerd dat de gezamenlijke betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] en de gezamenlijke spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] reeds voor de peildatum zijn opgeheven. De saldi van deze rekeningen waren op de peildatum dus geen onderdeel meer van de huwelijksgemeenschap.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.