RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/461705 / KG ZA 26-21 Vonnis in kort geding van 5 februari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] ,
- [eiser 2], wonende te [woonplaats] ,
- [eiser 3], wonende te [woonplaats] , eisende partijen, hierna te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , advocaat: mr. N. van Dijke en mr. S.H.M. van den Elsen, tegen de ontbonden vennootschap [gedaagde], laatstelijk gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 23- de mondelinge behandeling van 5 februari
- 2Het geschil 2.
- [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] vorderen dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. [gedaagde] gebiedt aan de door [eiser 1] , respectievelijk door [eiser 2] en [eiser 3] aan te wijzen notaris te verklaren: dat het op de woning gelegen aan [adres 1] , ten behoeve van [gedaagde] gevestigde hypotheekrecht (in het openbare register van het Kadaster ingeschreven met het kenmerk: [kenmerk 1] ) waardeloos is en mag worden doorgehaald, alsmede, dat het op de woning gelegen aan [adres 2] , ten behoeve van [gedaagde] gevestigde hypotheekrecht (in het openbare register van het Kadaster ingeschreven met het kenmerk: [kenmerk 2] ) waardeloos is en mag worden doorgehaald, alsmede, bepaalt dat het op de woning gelegen aan [adres 1] , ten behoeve van [gedaagde] gevestigde hypotheekrecht (in het openbare register van het Kadaster ingeschreven met het kenmerk: [kenmerk 1] ) waardeloos is in de zin van artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek, alsmede, bepaalt dat het op de woning gelegen aan [adres 2] , ten behoeve van [gedaagde] gevestigde hypotheekrecht (in het openbare register van het Kadaster ingeschreven met het kenmerk: [kenmerk 2] ) waardeloos is in de zin van artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek, alsmede, bepaalt, althans verklaart, dat er geen rechtsmiddel tegen het in dezen te wijzen vonnis open staat en dat de betreffende uitspraak met ingang van de dag van de uitspraak in kracht van gewijsde gaat, alsmede, [gedaagde] veroordeelt in de kosten van [eiser 1] en [eiser 2] en [eiser 3] van dit geding, de kosten van de advocaat van hen en het griffierecht daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de kostenveroordeling binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kostenveroordeling vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een beslissing neemt die de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren. 2.
- [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De beide hypotheken zijn teniet gegaan, nu de onderliggende schulden zijn voldaan. [gedaagde] kan de hypotheken niet meer royeren omdat zij niet meer bestaat. In dat geval is het voor de hypotheekgever mogelijk om op grond van artikel 3:29 BW een verklaring van waardeloosheid te verkrijgen van de voorzieningenrechter. 3De beoordeling 3.
- Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] daarbij een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. spoedeisend belang 3.
- Het spoedeisend belang is evident en volgt uit het feit dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hun woningen niet vrij van hypotheek kunnen leveren terwijl [gedaagde] is opgehouden te bestaan. In dit kader is van belang dat [eiser 1] haar woning reeds heeft verkocht en de notariële levering is gepland op 6 februari 2026 om 10:00 uur. De omstandigheid dat [eiser 2] en [eiser 3] hun woning (nog) niet hebben verkocht c.q. te koop hebben aangeboden, doet er niet aan af dat ook zij een spoedeisend belang bij hun vordering hebben. juridisch kader 3.
- Als een hypotheek teniet is gegaan, is op grond van artikel 3:274 lid 1 BW de schuldeiser verplicht om bij authentieke akte een verklaring af te geven dat de hypotheek is komen te vervallen. Op grond van lid 3 is artikel 3:29 BW van overeenkomstige toepassing indien de verklaring niet wordt afgegeven. Op grond van artikel 3:29 lid 1 BW kan de rechtbank op vordering van de onmiddellijk belanghebbende een inschrijving waardeloos verklaren als de verklaring niet wordt afgegeven. vorderingen tegen [gedaagde] 3.
- [gedaagde] is ontbonden en had op het moment van ontbinding geen baten meer. Op grond van artikel 2:19 lid 4 BW is [gedaagde] opgehouden te bestaan. Een niet bestaande partij kan niet worden gedagvaard of op andere wijze worden betrokken in een procedure. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen tegen [gedaagde] onmiddellijk belanghebbenden 3.
- Ondanks dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tegen [gedaagde] , zijn zij wel aan te merken als onmiddellijk belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 3:29 lid 1 BW. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben daarom een zelfstandig belang om de hypothecaire inschrijvingen waardeloos te laten verklaren. 3.
- Op basis van de stellingen van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] en de door hen – ter onderbouwing daarvan – overgelegde stukken is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat de onderliggende leningen zijn afgelost en dat daarom de hypothecaire inschrijvingen waardeloos zijn. In dit kader acht de voorzieningenrechter het navolgende van belang. 3.
- [eiser 1] heeft gesteld dat [gedaagde] aan haar en aan haar wijlen echtgenoot, [naam 1] , een geldlening van € 21.509,00 heeft verstrekt ten behoeve van hun woning aan [adres 1] en dat daarvoor een hypotheekrecht op de woning is gevestigd. [eiser 1] heeft voorts gesteld dat zij de leensom van € 21.509,00 op 26 juli 2012 in één keer heeft afgelost. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij het destijds opgestelde Excel-overzicht overgelegd, met daarop de in 2012 door [gedaagde] ontvangen en gedane betalingen. In dit overzicht is de aflossing van € 21.509,00 vermeld. Verder heeft zij de aflossingsnota van 20 juli 2012 van [gedaagde] overgelegd. Ook heeft zij de jaarrekening van 2012 van [gedaagde] overgelegd, waaruit een afname van € 21.509,00 van vaste activa blijkt. Uit deze jaarrekening van 2012 blijkt ook dat de uitstaande leningen zijn teruggebracht door deze aflossing. Tot slot verwijst [eiser 1] naar het door haar overgelegde overzicht rekening-courant verhoudingen bij de jaarrekening, waarin een ‘bankoverboeking’ van € 21.509,00 is vermeld. 3.
- [eiser 2] en [eiser 3] hebben gesteld dat [gedaagde] aan hen een geldlening van € 35.855,00 heeft verstrekt ten behoeve van hun woning aan [adres 2] en dat daarvoor een hypotheekrecht op de woning is gevestigd. [eiser 2] en [eiser 3] hebben voorts gesteld dat zij de leensom van € 35.855,00 op 13 augustus 2018 in één keer hebben afgelost. Ter onderbouwing van die stelling hebben zij het destijds opgestelde Excel-overzicht overgelegd, met daarop de in 2018 door [gedaagde] ontvangen en gedane betalingen. In dit overzicht is de aflossing van € 35.855,00 vermeld. Verder hebben zij de aflossingsnota van 8 augustus 2018 van [gedaagde] overgelegd. Ook hebben zij de jaarrekening van 2018 van [gedaagde] overgelegd, waaruit blijkt dat in 2017 nog een bedrag ad € 35.855,00 aan lening openstond en dat die lening per eind 2018 was ingelost. Verder blijkt uit de overgelegde publicatiebalans van 2018 van [gedaagde] dat de vaste activa in 2018 met een bedrag van € 35.855,00 zijn geslonken. 3.
- Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de voorzieningenrechter de inschrijvingen waardeloos zal verklaren als na te melden. kracht van gewijsde 3.
- [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben op voorhand in zowel de dagvaarding als ter zitting verklaard dat zij niet in hoger beroep gaan tegen dit vonnis mits de verklaringen van waardeloosheid wordt toegewezen. Nu deze verklaringen wordt toegewezen, is sprake van berusting zoals bedoeld in artikel 334 Rv. Hierdoor staat geen rechtsmiddel meer open tegen dit vonnis en gaat het vonnis per heden in kracht van gewijsde. Hierdoor is het direct mogelijk om deze verklaringen in te schrijven zoals bedoeld in artikel 3:29 lid 4 BW. Proceskosten 3.
- [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] dienen hun eigen proceskosten te betalen nu zij niet-ontvankelijk zijn verklaard tegen [gedaagde] en omdat een niet bestaande partij niet in de proceskosten veroordeeld kan worden. 4De beslissing De voorzieningenrechter 4.
- verklaart [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk in hun vorderingen tegen [gedaagde] , 4.
- verklaart de hypothecaire inschrijving op de woning gelegen aan [adres 1] , ten behoeve van [gedaagde] gevestigde hypotheekrecht (in het openbare register van het Kadaster ingeschreven met het kenmerk: [kenmerk 1] ) waardeloos in de zin van artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek, 4.
- verklaart de hypothecaire inschrijving op de woning gelegen aan [adres 2] , ten behoeve van [gedaagde] gevestigde hypotheekrecht (in het openbare register van het Kadaster ingeschreven met het kenmerk: [kenmerk 2] ) waardeloos in de zin van artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek, 4.
- bepaalt dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hun eigen proceskosten dragen, 4.
- verklaart dat er geen rechtsmiddel tegen dit vonnis open staat en dat de uitspraak met ingang van de dag van de uitspraak in kracht van gewijsde gaat, 4.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 5 februari
- 771