← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2026:981

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11146651 \ CV EXPL 24-4752 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. T. Mimpen, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats] ,

  1. [gedaagde 2], te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , gemachtigde: mr. K. Wevers. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 november 2024- de akte van [eiseres] van 5 januari 2025- de akte van [gedaagden] van 12 februari 2025- de mondelinge behandeling van 30 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  4. In het tussenvonnis van 21 november 2024 is het volgende overwogen: “Ten aanzien van de gefactureerde uren geldt het volgende. [eiseres] heeft haar factuur onderbouwd met een rooster voor de maand augustus 2021 en overzichten van de geklokte uren van de zorgverleners die in augustus 2021 zorg aan [naam 1] hebben verleend. [eiseres] heeft gefactureerd volgens de ingeroosterde uren. De daadwerkelijk verleende zorguren zijn er zelfs nog meer, aldus [eiseres] . [gedaagden] heeft in aanloop van de procedure meerdere keren verzocht om een overzicht van de daadwerkelijk verleende zorguren. Het overzicht van de geklokte uren van de zorgverleners is in aanloop naar de mondelinge behandeling verstrekt. [gedaagden] heeft deze gegevens niet eerder tot zijn beschikking gehad. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] vervolgens gesteld dat een aantal uren aantoonbaar niet juist zijn geklokt. Zo is er op 2 augustus 2021 geen zorg aan [naam 1] verleend, omdat [gedaagde 1] ’s middags met hem bij het slaapcentrum was en is [gedaagde 1] op 8 augustus 2021 eerder thuis gekomen (en heeft hij de betreffende zorgverlener eerder afgelost) vanwege een ongelukje met [naam 1] . [gedaagden] heeft aangegeven dat hij over documenten beschikt waarmee hij zijn standpunt kan onderbouwen, bijvoorbeeld een bevestiging van de afspraak in het slaapcentrum. Gelet op het feit dat [gedaagden] kort voor de zitting pas de beschikking heeft gekregen over de overzichten van de geklokte uren, zal de kantonrechter hem in de gelegenheid stellen om bij akte aan te geven en te onderbouwen welke uren volgens hem niet juist zijn geklokt.” 2.
  5. [gedaagden] heeft vervolgens op 5 januari 2025 een akte genomen waarin hij aanvoert dat zo goed als mogelijk is geprobeerd om bewijs te vergaren. Echter, oude zorgverleners wilden geen verklaring opstellen of ondertekenen en doordat het nu al een aantal jaar geleden is, is het onmogelijk om voor concrete uren en dagen na te gaan hoe het exact zit. [gedaagden] verwijst naar bijlagen die betrekking hebben op 16 september 2021 en 3 augustus 2021, maar deze zitten niet aan de akte gehecht. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2025 zijn deze bijlagen door [gedaagden] (nogmaals) overlegd. 2.
  6. [eiseres] reageert per akte van 12 februari 2025 op de akte van [gedaagden] Zij komt tot de conclusie dat [gedaagden] de juistheid van het aantal gefactureerde uren niet gemotiveerd heeft betwist. 2.
  7. De kantonrechter is, gelet op de door partijen overgelegde aktes en hetgeen zij hebben toegelicht tijdens de laatste mondelinge behandeling, van oordeel dat [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het door [eiseres] gedeclareerde aantal uren juist is. Van de dagen die [gedaagden] in twijfel trekt, te weten 2 augustus 2021 en 8 augustus 2021, levert hij geen onderbouwing van zijn standpunt dat er op deze dagen geen of minder zorg door [eiseres] is verleend. De tijdens de mondelinge behandeling overgelegde en in zijn akte benoemde documenten hebben betrekking op andere dagen. Dat er een wijziging heeft plaatsgevonden in het aantal gewerkte uren, zoals dat geregeld pas om 8 uur werd begonnen in plaats van 7 uur en er eerder kon worden gestopt, is door [gedaagden] niet geconcretiseerd en onderbouwd. Kortom, [gedaagden] is er niet in geslaagd te onderbouwen dat door [eiseres] meer uren zijn gefactureerd dan overeengekomen en gewerkt. De conclusie is dan ook dat [gedaagden] de factuur van [eiseres] zal moeten betalen. Eveneens dient hij de wettelijke rente zoals is gevorderd en niet gemotiveerd is weersproken te betalen. 2.
  8. [eiseres] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagden] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 650,26 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. 2.
  9. Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom - buitengerechtelijke incassokosten € € 5.505,25 650,26 + Totaal € 6.155,51 2.
  10. [gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 114,71 - griffierecht € 524,00 - salaris gemachtigde € 1.017,00 (3 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.790,71 2.
  11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De kantonrechter 3.
  12. veroordeelt [gedaagden] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.505,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 oktober 2021, tot de dag van volledige betaling, 3.
  13. veroordeelt [gedaagden] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 650,26 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 27 maart 2024, tot de dag van volledige betaling, 3.
  14. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.790,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  15. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.
  16. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op 14 januari
  17. 32548 / 66349

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.