ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN parketnummer: 070376-01 datum uitspraak: 21 februari 2002 op tegenspraak raadsvrouw: mr. Marie VONNIS van de arrondissementsrechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres], thans verblijvende in PI De Grittenborgh. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2002. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat …. De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging als volgt nader zal worden omschreven: …. Deze vordering is door de rechtbank, gehoord de verdachte en de raadsvrouw, toegewezen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE / RECHTMATIGHEID VAN HET VERKREGEN BEWIJS Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de raadsvrouw als verweer aangevoerd dat verdachte werd aangehouden en inverzekeringgesteld toen er geen reden was voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van haar cliënt, zulks hetzij rechtstreeks volgend uit het op dat moment voorhanden materiaal, hetzij door het verzuim de zaak al dan niet vrijwillig ter advisering voor te leggen aan een expertisegroep (nader te noemen: de Expertisegroep), bestaande uit deskundigen afkomstig uit drie verschillende - bij seksuele misdrijven betrokken - disciplines die op grond van de Aanwijzing van het College van Procureurs-generaal "Opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidssituaties" in het leven is geroepen. De raadsvrouw is van mening dat het openbaar ministerie hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld en verzoekt primair het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren en subsidiair de na zijn aanhouding gegeven verklaringen van verdachte van het bewijs uit te sluiten. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. De officier van justitie heeft verdachtes aanhouding en inverzekeringstelling gebaseerd op drie aangiften waarin concrete handelingen tussen de slachtoffers en verdachte werden omschreven. De rechtbank is van oordeel dat op dat moment een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte kon worden aangenomen. Hoewel met de resultaten van twee studioverhoren en een medisch onderzoek deze aangiften niet konden worden bevestigd is de rechtbank van oordeel dat, het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte bleef bestaan. In de Aanwijzing van het College van Procureurs-generaal "Opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidssituaties" - die door de raadsvrouw in haar verweer is aangehaald - staat: "Er kunnen indicaties zijn om zeer terughoudend te zijn om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen op grond van een enkele aangifte. Dit is met name het geval als de aangifte vaag en algemeen is." In deze zaak lagen echter drie zeer concrete aangiften ten grondslag aan de beslissing van de officier van justitie om verdachte aan te houden. In deze aangiften worden expliciete ontuchtige handelingen beschreven en wordt de relatie tussen deze handelingen en verdachte gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de officier van justitie zich hierom niet zeer terughoudend op te stellen. Voornoemde aanwijzing verplicht, indien er sprake is van herinneringen van voor het derde levensjaar, "het consulteren van een Expertisegroep alvorens een inschatting te maken van de zaak en de daaropvolgende beslissingen in het opsporingsonderzoek voor te bereiden." Op het moment van aangifte waren twee meisjes respectievelijk 3,5 jaar en bijna 4 jaar oud en vertelden zij hun moeder over recent misbruik door verdachte, zodat er geen sprake is geweest van herinneringen van voor hun derde levensjaar. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde de Expertisegroep voor hen derhalve niet ingeschakeld te worden. De aangiften boden naar het oordeel van de rechtbank namelijk voldoende basis om een inschatting te maken van de zaak en het voorbereiden van de daaropvolgende beslissingen in het opsporingsonderzoek. BEWEZENVERKLARING De rechtbank heeft naar aanleiding van een kennelijke vergissing in de vijftiende regel van het onder 2 ten laste gelegde feit aan het einde van deze regel het woord "en" toegevoegd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: …. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. KWALIFICATIE Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert de volgende strafbare feiten op: De voortgezette handeling van: 1. Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd en 2. Ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 19 september 2001, opgemaakt door R. Vriesema, en de psychologische rapportage d.d. 10 december 2001 opgemaakt door drs. A. Warnaar. De conclusie van het rapport van R. Vriesema luidt, zakelijk weergegeven, dat het tenlastegelegde en bewezenverklaarde aan verdachte slechts in licht verminderde tot verminderde mate kan worden toegerekend. De conclusie van het rapport van drs. A. Warnaar luidt, zakelijk weergegeven, dat het tenlastegelegde en bewezenverklaarde aan verdachte slechts in licht verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt die over in die zin dat zij van oordeel is dat het tenlastegelegde en bewezenverklaarde aan verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. MOTIVERING STRAF Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.