RECHTBANK GRONINGEN parketnummer: 030014-99 datum uitspraak: donderdag 6 juni 2002 op tegenspraak raadslieden: mrs. Dams, Doorenbos en Haan VONNIS van de rechtbank te Groningen, meervoudige economische kamer, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], [adres] Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11, 15, 23 en 24 april 2002 en 14, 15, 22 en 23 mei 2002. TENLASTELEGGING De inhoud van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Wijziging tenlastelegging De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging als volgt zal worden gewijzigd: Bij feit 1 dient na de woorden "zulks terwijl verdachte" en voor de woorden "(telkens) tot bovenomschreven strafbare/strafbaar feit(en)" (telkens) te worden ingevoegd ", tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen," Deze vordering is door de rechtbank ter terechtzitting, gehoord de verdachte en diens raadslieden, toegewezen. FEIT 1 Het onder 1 tenlastegelegde feit heeft betrekking op de volgende vier onderdelen: - De overschrijding van de emissienorm - De proefoven - Het melden van blazers - De uitworp van SO2 als gevolg van mobiele fakkels en blazers De rechtbank zal hieronder bij de bespreking van de verweren die met betrekking tot feit 1 zijn gevoerd telkens aangeven op welk onderdeel van de tenlastelegging het verweer ziet. GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING De proefoven / De uitworp van SO2 als gevolg van mobiele fakkels en blazers In het onder 1 tenlastegelegde wordt de verdachte onder andere verweten - kort samengevat - dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan een door het bedrijf ESD gepleegde verboden gedraging, te weten het zich in of omstreeks de periode van 1 september 1995 tot en met 28 april 1998 (althans...) in de gemeente Delfzijl (althans...) meermalen opzettelijk gedragen in strijd met een aantal vergunningsvoorschriften, immers werd telkens - in strijd met het in genoemd voorschrift 7.1.7. bepaalde - het procesgas afkomstig van de proefoven niet - alvorens te worden verbrand - ten behoeve van de ontzwaveling behandeld in de ontzwavelingsinstallatie. Verder wordt de verdachte verweten - opnieuw kort samengevat - dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan een door het bedrijf ESD gepleegde verboden gedraging, te weten het zich in of omstreeks de periode van 1 september 1995 tot en met 28 april 1998 (althans...) in de gemeente Delfzijl (althans...) meermalen opzettelijk gedragen in strijd met een aantal vergunningsvoorschriften, immers was in het jaar 1995 en/of in het jaar 1996 en/of in het jaar 1997 en/of in het jaar 1998 telkens in de wekelijkse berekeningen de uitworp van SO2 als gevolg van het gebruik van mobiele fakkels en/of van blazers niet meegerekend. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging op genoemde punten onvoldoende duidelijk is, omdat telkens een nadere feitelijke aanduiding van het tijdstip van de aan ESD verweten gedraging geheel ontbreekt. De dagvaarding zou daarom partieel nietig verklaard moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat de tijdsaanduiding in de tenlastelegging, gelet op de aard van het delict en de overige omstandigheden van het geval, voldoende specifiek is en dat uit de tenlastelegging voldoende duidelijk blijkt waarvoor verdachte terecht moest staan en waartegen hij zich diende te verdedigen. De rechtbank verwerpt het verweer. ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie in drieërlei opzicht het vervolgingsrecht heeft verspeeld: 1) de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden; 2) het vertrouwen is gewekt door de Provincie én het OM dat ten aanzien van de emissienorm niet zou worden vervolgd; 3) met overschrijding van de emissienorm is materieel ingestemd door het OM. Ter terechtzitting heeft de verdediging deze standpunten nader uiteengezet en onderbouwd. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. 1) DE REDELIJKE TERMIJN VAN ARTIKEL 6 EVRM Alle onderdelen van de tenlastelegging De verdachte heeft aanspraak op een berechting binnen een redelijke termijn vanaf het moment dat vanwege de Staat jegens betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend - en in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen - dat het OM een strafvervolging tegen hem zal instellen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de datum 1 juli 1997 in het onderhavige geval als beginpunt van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd. Zij heeft dit gebaseerd op een brief van de officier van justitie aan Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen d.d. 6 februari 1997. Hierin schrijft de officier van justitie: "Ik heb kennisgenomen van uw opvatting met betrekking tot het voorgestelde stappenplan. Zoals u bekend is, laat uw opvatting onverlet mijn bevoegdheden terzake de strafrechtelijke handhaving van de milieuvoorschriften. Voor gebruikmaking van deze bevoegdheden zal temeer aanleiding zijn indien de in het stappenplan genoemde problemen met betrekking tot de ontzwavelingsinstallatie en de waterzuiveringsinstallatie per 1 juli 1997 - welke datum ik als absolute grens zie - onverhoopt niet tot het verleden zullen behoren." De rechtbank is van oordeel dat de datum 1 juli 1997 niet als beginpunt van de redelijke termijn kan worden beschouwd. In de eerste plaats is genoemde brief niet gericht aan ESD, maar aan Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, zodat van een "handeling jegens de betrokkene" geen sprake is. In de tweede plaats heeft de officier van justitie zich in de brief niet op dusdanige wijze uitgelaten dat de verdachte daaraan in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het OM daadwerkelijk een strafvervolging zou instellen. De vraag is welke datum dan wel als beginpunt van de redelijke termijn kan worden beschouwd. Uit het dossier blijkt dat er op 28 april 1998 een huiszoeking heeft plaatsgevonden op het bedrijfsterrein van ESD en dat er op 14 juni 1999 voor het eerst iemand, te weten [betrokkene 1], als vertegenwoordiger van het bedrijf ESD als verdachte is gehoord. De rechtbank is van oordeel dat op laatstgenoemde datum de redelijke termijn is aangevangen. Op die datum bleek immers dat de huiszoeking kennelijk dusdanig veel materiaal ter ondersteuning van de vermoedens van de officier van justitie had opgeleverd dat er reden was om het bedrijf als verdachte aan te merken. Aan het verhoor van [betrokkene 1] in combinatie met de huiszoeking die daaraan voorafgaand plaatsvond, heeft verdachte dan ook in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat het OM tegen hem, als directeur van het bedrijf ESD, ook een strafvervolging zou instellen. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. In het onderhavige geval is er een periode van 3 jaar verstreken tussen de dag waarop voor het eerst iemand namens het bedrijf ESD is gehoord en de dag waarop het eindvonnis is uitgesproken. Gelet op de complexiteit van de zaak, op de vele onderzoekshandelingen die zijn verricht - waarvan een groot deel op verzoek van de verdediging - en op de verzoeken tot uitstel die door de verdedediging zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat die termijn alleszins redelijk is te achten. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat niet gezegd kan worden dat de justitiële autoriteiten onvoldoende voortvarendheid hebben betracht bij de vervolging van verdachte. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. 2) HET VERTROUWENSBEGINSEL De overschrijding van de emissienorm De verdediging heeft aangevoerd dat uit diverse stukken welke door haar zijn genoemd in haar pleitnotities kan blijken dat de officier van justitie zeer nauw betrokken is geweest bij het door de provincie ten aanzien van ESD gevoerde beleid met betrekking tot de emissienorm. Door deze grote mate van betrokkenheid zou de officier van justitie het vertrouwen hebben gewekt dat het beleid van het bevoegd gezag - dat inhield dat tot op zekere hoogte geaccepteerd werd dat er sprake was van een overschrijding van de emissienorm - door hem werd ondersteund. Door vervolgens tot vervolging ten aanzien van de overschrijding van de emissienorm over te gaan, heeft de officier van justitie, aldus de verdediging, het vertrouwensbeginsel geschonden. De rechtbank stelt allereerst vast dat dit verweer slechts betrekking kan hebben op het eerste gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde feit, te weten de overschrijding van de emissienorm. Zo er al sprake zou zijn van een bepaald "gewekt vertrouwen", dan is dat zodanig ingebed in de overschrijding van de emissienorm dat het zich niet uitstrekt tot de andere onderdelen van de tenlastelegging. Verder is de rechtbank van oordeel dat het door de verdediging gestelde vertrouwen hooguit betrekking kan hebben op de beslissing van de officier van justitie om tot vervolging wegens overschrijding van de emissienorm over te gaan, maar niet op zijn beslissing om gebruik te maken van zijn bevoegheden tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek terzake van de oorzaken van die overschrijding. Met andere woorden: verdachte heeft er naar het oordeel van de rechtbank nooit op mogen vertrouwen dat de officier van justitie geen gebruik zou maken van zijn onderzoeksbevoegdheden. Wanneer bij de officier van justitie dan vervolgens, gebruik makend van die bevoegdheden, het vermoeden rijst dat er, naast de enkele overschrijding van de emissienorm, ook anderszins sprake is van strafbare feiten, welke in relatie staan tot de overschrijding van de emissienorm, komt de zaak in een ander daglicht te staan en heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank - wat er ook zij van zijn eerdere betrokkenheid - het recht om alsnog tot vervolging (ook ten aanzien van de overschrijding van de emissienorm) over te gaan. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat - zowel in de brief d.d. 6 februari 1997 van de officier van justitie aan Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen als in de brief d.d. 20 maart 1998 van de minister van VROM aan de Waddenvereniging, welke brieven door verdachte [verdachte] tijdens zijn verhoor zijn overgelegd - nadrukkelijk is gewezen op de eigen bevoegdheid van de officier van justitie om gebruik te maken van zijn strafrechtelijke bevoegdheden. De rechtbank verwerpt het verweer. 3) DE MATERIELE INSTEMMING DOOR DE OFFICIER VAN JUSTITIE MET DE OVERSCHRIJDING VAN DE EMISSIENORM De overschrijding van de emissienorm De verdediging heeft aangevoerd dat het OM - door ten aanzien van de revisievergunning en de gedoogbeschikking in te stemmen met een hogere emissienorm dan door de oorspronkelijke vergunning werd voorgeschreven - het vervolgingsrecht heeft verspeeld. Ook ten aanzien van dit verweer stelt de rechtbank vast dat het slechts betrekking kan hebben op het eerste gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde feit, te weten de overschrijding van de emissienorm. Zo er al sprake zou zijn van instemming door de officier van justitie, dan staat die instemming in zodanig verband tot de overschrijding van de emissienorm dat deze zich niet uitstrekt tot de andere onderdelen van de tenlastelegging. Overigens geldt hier - mutatis mutandis - hetzelfde als door de rechtbank reeds met betrekking tot het hiervoor onder 2 genoemde verweer is overwogen: Ook al zou de officier van justitie hebben ingestemd met een hogere emissienorm dan door de vergunning werd voorgeschreven, dan heeft de officier van justitie daarmee nog niet zijn recht prijsgegeven om onderzoek te doen naar de oorzaken van de overschrijding van de emissienorm. Wanneer bij de officier van justitie dan vervolgens, gebruik makend van zijn onderzoeksbevoegdheden, het vermoeden rijst dat er, naast de enkele overschrijding van de emissienorm, ook anderszins sprake is van strafbare feiten, welke in relatie staan tot de overschrijding van de emissienorm, heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank - wat er ook zij van een eventuele instemming met een hogere emissienorm - het recht om tot vervolging (ook ten aanzien van de overschrijding van de emissienorm) over te gaan. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. VRIJSPRAAK De overschrijding van de emissienorm De verdediging heeft in de eerste plaats het verweer gevoerd dat ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen emissiecijfers geen bewezenverklaring kan volgen. Zij heeft dit standpunt als volgt toegelicht, zakelijk weergegeven: "De vergunningsvoorschriften laten de mogelijkheid open om het voortschrijdend jaargemiddelde op een andere manier te berekenen dan door ESD werd gedaan. ESD heeft met de provincie bepaalde rekenmethoden afgesproken en dienovereenkomstig gerapporteerd. Omdat het verwijt in de tenlastelegging zich niet toespitst op het emissiecijfer dat ESD heeft gerapporteerd, maar op de werkelijke emissie, berekend conform de vergunning, moet om tot een bewezenverklaring te komen worden aangetoond wat die werkelijke emissie was, terwijl voorts moet worden aangetoond dat de berekening van de emissiecijfers in de tenlastelegging de enige juiste berekening volgens het vergunningsvoorschrift is." De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat ESD - door een keuze te maken voor een bepaalde rekenmethode en daarover afspraken te maken met de provincie - aan de door haar gerapporteerde emissiecijfers gehouden kan worden. Deze gerapporteerde emissiecijfers dienen dan ook te worden beschouwd als betrekking hebbend op de emissie waarop de tenlastelegging ziet. In de tweede plaats heeft de verdediging het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat ESD "opzettelijk" de emissienorm heeft overschreden. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Allereerst merkt de rechtbank op dat ESD, althans de verantwoordelijke personen binnen ESD, een eigen verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de naleving van de vergunningsvoorschriften die losstaat van de houding van het bevoegd gezag. De vergunningsvoorschriften met betrekking tot de toegestane emissie zijn helder en duidelijk en uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verantwoordelijke personen binnen ESD hiervan op de hoogte waren. Ondanks dat de emissienorm die in de vergunning was voorgeschreven niet werd gehaald, is men toch doorgegaan met produceren. Aldus heeft ESD willens en wetens gehandeld in strijd met de vergunningsvoorschriften. In de derde plaats heeft de verdediging het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat er ten aanzien van de overschrijding van de emissienorm spake was van feitelijk leidinggeven en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging is sprake als de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat de emissienorm niet gehaald werd tijdens de periode dat hij directeur was. Daarnaast heeft hij nagelaten afdoende maatregelen te treffen teneinde overschrijding van de emissienorm te voorkomen. Nu verdachte dergelijke maatregelen niet heeft genomen, kan feitelijk leidinggeven naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overschrijding van de emissienorm bewezen worden verklaard. Nu ESD echter terzake van de overschrijding van de emissienorm is ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de rechtbank een rechtvaardigingsgrond (overmacht in de zin van noodtoestand) aanwezig achtte, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte leiding heeft gegeven aan een "verboden gedraging" en zal zij de verdachte vrijspreken van het eerste onderdeel van de tenlastelegging. Het melden van blazers Nu de rechtspersoon ESD is vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging, dient verdachte eveneens vrijuit te gaan. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. De uitworp van SO2 als gevolg van mobiele fakkels en blazers Ook van dit onderdeel van de tenlastelegging is ESD vrijgesproken, zodat ook hiervoor geldt dat ten aanzien van verdachte een vrijspraak zal worden uitgesproken door de rechtbank. BEWEZENVERKLARING De proefoven De verdediging heeft het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat ESD "opzettelijk" het procesgas afkomstig van de proefoven niet ten behoeve van de ontzwaveling heeft behandeld in de ontzwavelingsinstallatie. De rechtbank verwerpt dit verweer. Allereerst merkt de rechtbank op dat ESD, althans de verantwoordelijke personen binnen ESD, een eigen verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de naleving van de vergunningsvoorschriften die losstaat van de houding van het bevoegd gezag. De vergunningsvoorschriften met betrekking tot de proefoven zijn helder en duidelijk. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat niet alle verantwoordelijke personen binnen ESD van het vergunningsvoorschrift met betrekking tot de proefoven op de hoogte waren. De rechtbank is echter van oordeel dat zij hier wel van op de hoogte hadden kunnen zijn en dat zij hiervan ook op de hoogte hadden behoren te zijn. Door zich niet op de hoogte te stellen van de vergunningsvoorschriften en wel af en toe gebruik te maken van de proefoven - terwijl deze in strijd met de vergunning niet was aangesloten op de ontzwavelingsinstallatie - heeft men op z'n minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat een vergunningsvoorschrift zou worden overtreden. De verdediging heeft verder het verweer gevoerd dat niet bewezen kan worden dat er ten aanzien van de proefoven sprake was van feitelijk leidinggeven en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging is sprake als de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat de proefoven volgens de vergunning aangesloten diende te worden op de ontzwavelingsinstallatie. Daarnaast heeft hij maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank kan feitelijk leidinggeven ook ten aanzien van de proefoven bewezen worden verklaard. Door de verdediging is in de zaak tegen de rechtspersoon ESD het verweer gevoerd dat artikel 18.18 van de Wet milieubeheer geen voorschrift bevat dat kan worden overtreden en dat daarom hetgeen bewezen dient te worden niet kan worden gekwalificeerd als een "overtreding van een bij of krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer gesteld voorschrift", zoals artikel 1a onder 1 van de Wet op de economische delicten bepaalt. De verdediging heeft dit verweer als volgt toegelicht, zakelijk weergegeven: "Onderdeel 1 van de tenlastelegging is toegesneden op artikel 18.18 van de Wet milieubeheer juncto artikel 1a, aanhef en onder 1 van de Wet op de economische delicten. In deze laatste bepaling lezen we: "Economische delicten zijn eveneens: 1 overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, artikel 18.18." De stelling is dus dat ESD het voorschrift van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer - preciezer gezegd: een bij of krachtens artikel 18.18 gesteld voorschrift - heeft overtreden. Het is echter niet mogelijk om het bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer gestelde voorschrift te overtreden. Dit voorschrift bevat immers niet meer dan een proclamatie. Het bevat geen norm die door een doen of nalaten kan worden overtreden. Artikel 18.18 van de Wet milieubeheer luidt: "Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing is verboden." Dat is een heldere tekst, maar geen norm die kan worden overtreden. Artikel 18.18 van de Wet milieubeheer zegt slechts dat de overtreding van andere voorschriften - namelijk die, welke aan een verleende vergunning of ontheffing zijn verbonden - verboden is. Artikel 18.18 is echter niet de wettelijke grondslag van de voorschriften van de vergunning of ontheffing. Anders gezegd: overtreding van het "bij"artikel 18.18 gestelde voorschrift zelf is niet mogelijk, want dat voorschrift is slechts een proclamatie die betrekking heeft op de overtreding van andere voorschriften. En "krachtens" artikel 18.18 van de Wet milieubeheer zijn verder geen voorschriften gesteld, zodat ook een overtreding van zulke voorschriften niet aan de orde kan komen." De rechtbank is van oordeel dat, indien dit verweer op zou gaan, verdachte [verdachte] zou moeten worden vrijgesproken, aangezien er dan geen sprake is van feitelijk leidinggeven aan een "verboden gedraging", zoals is tenlastegelegd. De rechtbank constateert met de verdediging dat, wanneer genoemde voorschriften uit de Wet op de economische delicten en de Wet milieubeheer zuiver taalkundig worden benaderd, inderdaad sprake is van "kortsluiting"; het ene voorschrift sluit taalkundig gezien niet op het andere aan. Echter, wanneer wordt gekeken naar de bedoeling van de wetgever, de strekking van genoemde voorschriften en de systematiek van de wetgeving, is alleszins duidelijk waar het om gaat, te weten het strafbaar stellen van handelingen in strijd met de verplichtingen die zijn opgenomen in een aan ESD - in het verband van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer - verleende vergunning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat - ondanks dat de kwalificatie strikt taalkundig bezien niet helemaal juist is - in de zaak tegen ESD toch tot het kwalificeren van het tweede onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde feit kan worden overgegaan. Nu ten aanzien van ESD tot kwalificatie kan worden overgegaan is er op ook dit punt geen reden om verdachte [verdachte] vrij te spreken. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tweede onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. de besloten vennootschap [ESD] B.V., in of omstreeks de periode van 1 september 1995 tot en met 28 april 1998 , althans in 1995 en/of in 1996 en of in 1997 en of in 1998, in de gemeente Delfzijl, althans in het arrondissement Groningen, althans in Nederland, terwijl aan genoemde besloten vennootschap door gedeputeerde staten van de provincie Groningen bij besluit van 26 september 1989 een vergunning krachtens de Hinderwet en de Wet inzake de luchtverontreiniging (welke vergunning wordt gelijkgesteld met een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer), althans een vergunning, was verleend tot het uitbreiden van en/of het veranderen van de gebezigde werkwijze van een aan de [adres] te of nabij Farmsum in de gemeente Delfzijl gelegen inrichting voor het vervaardigen van siliciumcarbide (carborundum) met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.000 kg. per jaar of meer, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 4 van bijlage I van het (sinds 1 maart 1993 geldende) Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, althans een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en III van voornoemd besluit, zich meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft gedragen in strijd met (o.a.) de (het) volgende voorschrift(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.