RECHTBANK GRONINGEN SECTOR CIVIEL MEERVOUDIGE KAMER Datum uitspraak: dinsdag 11 februari 2003 Reg. Nr. 61120/ HA ZA 02-704 VONNIS Inzake: [reclamant], wonende [adres], r e c l a m a n t tegen het Plan van Toedeling als bedoeld in artikel 196 van de Landinrichtingswet, gemachtigde mr. A.E.Noordhuis, en de gemeente Bedum, zetelende te Bedum, gevolmachtigden dhr. W.Haaijer en dhr.A.Spinder, door Bugemeester en Wethouders van de gemeente Bedum schriftelijk daartoe gevolmachtigd, [belanghebbenden 2], beiden wonende [adres], [belanghebbenden 3], beiden wonende [adres], allen b e l a n g h e b b e n d e n, tegen de Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling Sauwerd. PROCESVERLOOP Reclamant heeft tijdig een drietal bezwaren tegen het Plan van Toedeling (PvT) voor de ruilverkaveling Sauwerd ingediend. Deze bezwaren zijn op 2 augustus 2001, 13 december 2001, 17 januari 2001 en 17 september 2001 behandeld door de Landinrichtingscommissie (LiC) voor deze ruilverkaveling. Die behandeling heeft niet tot oplossing van de bezwaren geleid, waarna deze bezwaren zijn verwezen naar de rechter-commissaris (RC) voor de onderhavige ruilverkaveling. De RC heeft de bezwaren behandeld op 11 oktober 2002, doch deze behandeling leidde evenmin tot een oplossing, waarna de bezwaren zijn verwezen naar de terechtzitting van deze kamer. De rechtbank heeft de bezwaren behandeld ter terechtzitting van 31 oktober 2002, welke behandeling is voortgezet op 19 december 2002. Tijdens de behandeling ter terechtzitting verschenen reclamant, vergezeld van diens gemachtigde mr. A.E. Noordhuis, W. Haaijer en A. Spinder, namens de gemeente Bedum gevolmachtigd, de belanghebbende [J.], mede optredende namens de overige belanghebbenden [belanghebbende 2], [belanghebbenden 3], alsmede de LiC en CLiC, vertegenwoordigd door mr. Schuurmans en mr. Haring. Tot de processtukken behoren het ingediende bezwaarschrift van reclamant, het proces-verbaal van de behandeling door de LiC van de bezwaren, het proces-verbaal van de behandeling ten overstaan van de RC, de door mr. Noordhuis tijdens de behandeling ten overstaan van de RC en de rechtbank overgelegde pleitnotities en produkties, de pleitnotities van mr. Schuurmans en Haring en de namens de gemeente Bedum overgelegde schriftelijke aantekeningen. RECHTSOVERWEGINGEN De ingediende bezwaren. Reclamant heeft in het door hem ingediende bezwaarschrift een drietal bezwaren tegen het PvT voor de onderhavige ruilverkaveling ontwikkeld. Deze bezwaren zijn: a. reclamant meent dat de hem toegedeelde kavel onvoldoende is ontsloten; b. reclamant is van mening dat zijn toedeling niet beantwoordt aan zijn inbreng; c. reclamant is van mening dat de toedeling een onterechte korting op zijn inbreng impliceert, waarmee hij anders wordt behandeld dan een andere belanghebbende, de gemeente Bedum. Deze bezwaren zijn naar de opvatting van reclamant op te lossen door hem kavel nummer 050.043, een strook grasland aan de westzijde van zijn kavel nummer 050.001, toe te delen, dan wel tenminste het deel dat langs zijn kavel is gelegen en het gedeelte dat tussen evenbedoeld gedeelte en de openbare weg aan de zuidzijde van Onderwierum ligt, aan hem toe te delen een en ander zoals weergegeven op een aan het bezwaarschrift gehechte kaart. Vaststaande feiten. Reclamant is woonachtig te Onderwierum en oefent niet beroepsmatig agrarische activiteiten uit. Bij zijn woning heeft hij ongeveer 2 hectare grasland.Hierop houdt hij kleinvee en paarden. De toegangsweg naar zijn woning is de Lijkweg. Deze weg was eigendom van reclamant en is door hem ingebracht in de ruilverkaveling. Volgens het vastgestelde begrenzingenplan is de Lijkweg toegewezen aan de gemeente Bedum. Reclamant maakte gebruik van deze weg om van en naar zijn woning te komen te voet, dan wel met de auto. In het bestemmingsplan buitengebied is voor de Lijkweg de bestemming "verkeersdoeleinden" opgenomen. Geldigheid richtlijnen voor het Plan van Toedeling. Door en namens reclamant is een aantal verweren naar voren gebracht, waarvan als zijnde het meest verstrekkend het verweer met betrekking tot de geldigheid van de richtlijnen voor het Plan van toedeling door de rechtbank eerst zal worden behandeld. Standpunt reclamant Het PvT komt tot stand doordat eerst richtlijnen voor de toedeling worden uitgevaardigd door de Centrale Landinrichtingscommissie (CLiC) op de voet van het bepaalde in artikel 195 van de Landinrichtingswet (LiW). Het ontwerp PvT wordt opgesteld door de LiC met inachtneming van de LiW en van die richtlijnen (art.196 LiW). Voor de ter inzagelegging van het PvT behoeft het de goedkeuring van de CLiC op grond van artikel 199 lid 1 LiW. Het vaststellen van deze richtlijnen zou door de CLiC aan de secretaris van de CLiC zijn gemandateerd. Uit de ter beschikking van reclamant gekomen gegevens is niet onomstotelijk af te leiden dat er mandaat is verleend. De mandaatverlening door de CLiC aan de secretaris met mandaatinhoud en plaats, datum en vereiste handtekeningen ontbreken. Vooralsnog betwist reclamant de mandaatverlening. Mocht wel op de juiste formele wijze zijn gemandateerd dan geldt volgens reclamant het volgende. De richtlijnen voor het PvT worden door hem beschouwd als wetgeving en wetgeving komt in het geheel niet voor mandaatverlening in aanmerking. Het betreft immers taken die de wetgever specifiek aan de CLiC heeft toebedeeld. Gezien de brede samenstelling van de CLiC heeft beoordeling van richtlijnen en goedkeuring van het PvT een meerwaarde boven vaststelling door de secretaris. Daarbij komt bovendien dat tot secretaris ex lege de directeur van de landinrichtingsdienst is aangesteld, waardoor vaststelling van belangrijke toedelingsbeslissingen aan een -vanuit het ministerie van Landbouw - hiërarchisch aangestuurde ambtenaar is voorbehouden, hetgeen duidelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest (KB 11 september 1985, Stbl.521 art.3 leden 1 en 3, zoals nadien gewijzigd.) De bevoegdheid van de CLiC tot taakoverdracht aan haar secretaris is in strijd met artikel 8 lid 3 LiW, dan wel in strijd met de bedoeling van de wetgever. Standpunt Landinrichtingscommissie Tijdens de vergadering van de CLiC van 28 juni 1996 is het mandaatbesluit genomen. Er heeft toen een rechtsgeldige mandaatverlening aan de secretaris van de CLiC plaatsgevonden. Beoordeling rechtbank Artikel 195 lid 1 LiW geeft aan dat de CLiC voor het PvT richtlijnen vaststelt. Volgens het tweede lid van dit artikel bevatten deze richtlijnen uitgangspunten voor:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.