RECHTBANK GRONINGEN Sector strafrecht parketnummer: 070028-04 datum uitspraak: 29 april 2004 op tegenspraak raadsvrouw: mr. J.A.M. Kwakman VONNIS van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte R.C.P.], geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], thans preventief gedetineerd in de [detentieadres]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 april 2004. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat hij op of omstreeks 15 januari 2004 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen één of meerdere kogels (gericht) heeft afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 15 januari 2004 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en al dan niet met met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (kogel in nek/botbreuk ruggewervel/fractuur ribben/middenrifscheur/(schot)wond door maag/nierletsel/miltletsel/ alvleesklierletsel/kogel in hiel), heeft toegebracht, door, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, één of meerdere kogels (gericht) af te vuren op die [slachtoffer]; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 15 januari 2004 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met met voorbedachten rade [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen één of meerdere kogels (gericht) heeft afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 15 januari 2004 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels gericht heeft afgevuurd op die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. OVERWEGING MET BETREKKING TOT HET BEWIJS Met betrekking tot het bewezenverklaarde overweegt de rechtbank dat opzet en voorbedachte raad gebaseerd kan worden op onder meer de verklaringen die door aangever, getuigen en verdachte bij de politie en voorts - wat verdachte betreft - ter terechtzitting zijn afgelegd. Daaruit komt naar voren dat verdachte zich, na telefonisch overleg met zijn medeverdachte, tezamen met de medeverdachte van tevoren heeft geposteerd in de nabijheid van de coffeeshop, in welke coffeeshop zij vermoedden dat het latere slachtoffer zich bevond. Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich daarbij vooraf voorzien van vuurwapens. Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij en zijn medeverdachte zich in een nabijgelegen steeg hadden geposteerd, zijn vuurwapen heeft doorgeladen zodat het schietklaar was. Voorts heeft verdachte verklaard dat, nadat hij en zijn medeverdachte ongeveer zeven of tien minuten in de steeg hadden staan wachten, zij zagen dat het latere slachtoffer de coffeeshop uitkwam en op diens scooter stapte. Toen het latere slachtoffer verdachte en zijn medeverdachte was genaderd, is door beiden gericht en op korte afstand meermalen op het slachtoffer geschoten. Tijdens het schieten heeft het slachtoffer, nadat hij op de grond was gevallen, zich mede op zijn knieën over een zekere afstand verplaatst. Ook tijdens dat weglopen en wegkruipen van het slachtoffer, hebben verdachte dan wel zijn medeverdachte nog schoten op hem afgevuurd. Daarbij is het slachtoffer van achteren geraakt. Uit het dossier volgt dat het lichaam van het slachtoffer uiteindelijk door acht kogels is geraakt. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn medeverdachte doelgericht hebben gehandeld. Voorts hebben zij daarover van tevoren overleg gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen verklaard dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg het slachtoffer heeft beschoten, waarbij verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. STRAFBAARHEID De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte zich beroept op (psychische) overmacht dan wel op (putatief) noodweer althans noodweerexces. De rechtbank stelt voorop dat zij in haar hierboven vermelde bewijsoverweging heeft overwogen dat er naar haar oordeel sprake is van opzet en voorbedachte raad, waarmee van een situatie van overmacht, noodweer dan wel noodweerexces nauwelijks nog kan worden gesproken. Ten aanzien van het beroep op (putatief) noodweer(exces) overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat op enig moment nadat het latere slachtoffer uit de coffeeshop kwam en op diens scooter stapte, zich daadwerkelijk een noodweersituatie heeft voorgedaan. De enkele verklaring van verdachte dat "hij zag dat [slachtoffer] [i.e. het latere slachtoffer] met diens scooter op zijn broertje [i.e. de medeverdachte] afreed en dat [slachtoffer] met de rechterhand een beweging richting diens rug maakte", waarmee [slachtoffer] - zoals de raadsvrouw ter terechtzitting heeft betoogd - bij verdachte (en zijn medeverdachte) de indruk wekte een wapen te pakken, is, onder de in de bewijsoverweging geschetste omstandigheden, volstrekt onvoldoende voor het aannemen van het bestaan van een situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer tegen de verdachte (en zijn medeverdachte) waartegen verdediging geboden was. Reeds omdat geen sprake was van een handelen ter noodzakelijke verdediging, verwerpt de rechtbank eveneens het beroep op noodweerexces. In het verlengde van het vorenstaande verwerpt de rechtbank eveneens het beroep op putatief noodweer(exces), nu evenmin aannemelijk is geworden dat verdachte (en zijn medeverdachte) op goede grond mocht (mochten) menen te handelen ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Bij dit laatste neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verdachte en zijn medeverdachte het latere slachtoffer bewapend stonden op te wachten. In zoverre waren verdachten en zijn medeverdachte veeleer geprepareerd op een - welke dan ook - te verwachten confrontatie. De rechtbank overweegt omtrent het beroep op (psychische) overmacht als volgt. De rechtbank wil wel aannemen dat verdachte, alsmede zijn medeverdachte, onder een zekere druk hebben gestaan van de zijde van de leverancier op Curaçao van de ingevoerde cocaïne. De extreme reactie waarvoor verdachte en zijn mededader hebben gekozen - te weten het, bewapend, zoeken van de confrontatie met het latere slachtoffer, waarbij zij vrijwel onmiddellijk nadat die confrontatie zich voordeed, gericht meerdere kogels op het slachtoffer hebben afgevuurd - moet evenwel worden gekenschetst als ontoelaatbaar en zeer disproportioneel handelen. Niet is gebleken van een strikte en acute noodzaak om te handelen zoals verdachte en zijn medeverdachte hebben gedaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, in het door hem geschetste belangenconflict waarvoor de leverancier - aldus de verklaring van verdachte - hem stelde, niet gerechtvaardigd heeft kunnen kiezen voor zijn eigen belang ten koste van het belang van het slachtoffer. Bij dit alles overweegt de rechtbank tot slot dat in generlei opzicht aannemelijk is geworden dat verdachte en zijn medeverdachte in de onmogelijkheid verkeerden om op een andere wijze te handelen. De rechtbank verwerpt het beroep op (psychische) overmacht dan ook. De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. KWALIFICATIE Hetgeen de rechtbank als bewezen heeft aangenomen levert het volgende strafbare feit op: Medeplegen van poging tot moord. MOTIVERING STRAF Bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.