RECHTBANK GRONINGEN Sector Civielrecht zaaknr.: 75392/FA RK 04-2021 beschikking d.d. 7 februari 2006 in de zaak van: de vrouw, procureur mr. F. Gosselaar, en de man, in persoon verschenen. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 10 februari 2005 een tussenbeschikking gegeven. Op 31 augustus 2005 en op 14 oktober 2005 zijn ter griffie brieven d.d. 30 augustus 2005 respectievelijk d.d. 13 oktober 2005, van mr. F. Gosselaar ontvangen. De rechtbank heeft op 8 november 2005 een brief aan de man gericht. RECHTSOVERWEGINGEN De rechtbank neemt hier over hetgeen werd overwogen en beslist in haar beschikking van 10 februari 2005. In voormelde beslissing heeft de rechtbank verstaan dat partijen zich -conform hetgeen zij bij de vorige zitting overeen waren gekomen- al dan niet gezamenlijk tot de GGz zouden wenden om over de ontstane situatie betreffende de (omgang met de) kinderen te praten en te proberen tot afspraken te komen. De rechtbank heeft toen ook een voorlopige omgangsregeli[het kind]sen de man en [het[het kind]rjarige kind van partijen] vastgesteld. Ter uitvoering van de beschikking van 10 februari 2005 heeft mr. Gosselaar bij brief d.d. 13 oktober 2005 verslag van de situatie tot dan gedaan. De man is middels toezending van een afschrift van deze brief van de inhoud daarvan op de hoogte gebracht. Onweersproken is daaruit gebleken dat de vrouw zich tot de GGz heeft gewend, maar dat van de man en de GGz vervolgens niets meer is gehoord. De man is de afspraak om drie weken vakantie met [het kind] door te brengen niet nagekomen, en ook aan de omgangsweekenden met [het kind] heeft hij geen (goede) invulling gegeven. De vrouw stelt dat [het kind] tijdens de omgangsweekenden aan zijn lot over wordt gelaten, terwijl de man zijn eigen gang gaat en [het kind] bij een vriendje moet slapen. Inmiddels is ook de jongste dochter van partijen -na enige tijd bij de man gewoond te hebben- weer bij de vrouw komen te wonen. Refererende aan het door de vrouw ingediende verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige [het kind], alsmede de onweersproken inhoud van de brief van 13 oktober 2005, en het feit dat de man niet meer heeft gereageerd op de dezerzijds aan hem gezonden brief van 8 november 2005, houdt de rechtbank het er voor dat de man kennelijk weinig of geen heil in een omgangsregeling met de minderjarige zoon van partijen ziet. Dit is des te schrijnender nu de vrouw ten tijde van de behandeling van de zaak op laatstgenoemde zitting heeft gesteld dat [het kind] wel zijn vader wenst te zien. Beoordeling geschil De rechtbank zou in verband met de houding van de man het verzochte kunnen afwijzen om [het kind] teleurstellingen te besparen. De rechtbank ziet echter aanleiding te anticiperen op toekomstige wetgeving en zal daarom het verzoek om een omgangsregeling tussen de man en [het kind] te bepalen toewijzen. Naar verwachting zal binnen afzienbare termijn het voorstel van de wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.