RECHTBANK GRONINGEN Sector civielrecht Meervoudige familiekamer Zaaknummer 89270/FA RK 06-1643 Beschikking d.d. 19 december 2006 in de zaak van: RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen, 9743 AD Groningen, Friesestraatweg 213B, v e r z o e k e r, hierna te noemen de Raad, en moeder, niet in rechte verschenen. PROCESVERLOOP Bij verzoekschrift d.d. 7 september 2006 heeft de Raad verzocht moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over het minderjarige kind A., met benoeming van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam (verder te noemen de WSS), tot voogdes. De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 november 2006. Daarbij zijn de pleegvader, de heer R.C.M. Wouters namens de Raad en mevrouw R.M. Mensinga namens de WSS verschenen en gehoord. Moeder is - hoewel daartoe op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen - niet verschenen. Ter griffie is op 14 november 2006 een brief van [A.] ontvangen. RECHTSOVERWEGINGEN vaststaande feiten: Moeder is op 28 februari 1993 in de gemeente Lelystad bevallen van [A.]. De biologische vader van [A.] is onbekend. Moeder heeft het gezag over [A.]. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Assen d.d. 15 mei 2004 is [A.] onder toezicht van de WSS gesteld. Bij beschikking van dezelfde datum is tevens een (spoed-) machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] in een voorziening voor pleegzorg afgegeven. [A.] is op 9 juni 2005 in een perspectiefbiedend pleeggezin geplaatst. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn steeds verlengd. De ondertoezichtstelling loopt door tot 26 april 2007 en de machtiging tot uithuisplaatsing is met ingang van 19 mei 2006 geldig voor de duur van de ondertoezichtstelling. Op 10 februari 2006 heeft de WSS de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van een verderstrekkende maatregel ten aanzien van [A.]. De Raad heeft een onderzoek ingesteld en heeft naar aanleiding daarvan op 24 augustus 2006 rapport en advies uitgebracht. De Raad heeft onder meer het volgende gesteld, geconcludeerd en verzocht en heeft hierbij ter zitting gepersisteerd: Moeder is onmachtig om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [A.] te vervullen. De maatregel van ondertoezichtstelling is onvoldoende om de bedreiging in de ontwikkeling van [A.] als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Het belang van [A.] verzet zich niet tegen ontheffing van het gezag van moeder. [A.] functioneert op een laag niveau; hij heeft een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand en gedragsproblemen in het autistisch spectrum. [A.] heeft sedert zijn plaatsing in zijn huidige pleeggezin een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zijn toekomstperspectief ligt in dat pleeggezin. Gezien het verleden van [A.] - hij heeft een zwervend bestaand geleid - en zijn problematiek, is het niet wenselijk het bindingsproces te onderbreken. [A.] is een kwetsbaar kind dat extra zorg behoeft. Moeder bagatelliseert de ernst van de problematiek van [A.] en acht deze extra zorg niet noodzakelijk. In het kader van de ondertoezichtstelling is geprobeerd om moeder bij de ontwikkeling van [A.] te betrekken. Moeder is de gemaakte afspraken niet nagekomen en heeft het contact met de gezinsvoogdes afgehouden. Moeder heeft tweeëneenhalf jaar rondgezworven en was daardoor voor de gezinsvoogdes niet bereikbaar. In voormelde periode heeft moeder op geen enkele wijze haar ouderlijk gezag uitgeoefend. Hierdoor is het niet mogelijk geweest haar te betrekken bij de belangrijke beslissingen, die omtrent [A.] genomen moesten worden. Moeder is niet in staat gebleken iets aan haar situatie te veranderen. Zij geeft de schuld aan de betrokken instanties en stelt dat deze haar tegenwerken. Niet te verwachten valt dat er op middellange termijn verbetering in de situatie van moeder zal optreden. Door haar handelwijze konden de doelen met betrekking tot moeder in het kader van de ondertoezichtstelling niet worden gehaald. Moeder is het niet eens met de plaatsing van [A.] in het pleeggezin. Zij heeft te kennen gegeven [A.] zelf verder te willen opvoeden, ondanks dat zij daartoe de basale middelen ontbeert. Moeder heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met de verzochte ontheffing. Ontheffing van het gezag van moeder zorgt bij alle betrokkenen voor duidelijkheid omtrent het toekomstperspectief van [A.]. Er zijn geen negatieve effecten van de ontheffing voor [A.] te verwachten. Zowel de pleegouders als de gezinsvoogdes zijn bereid mee te werken aan herstel van het contact tussen moeder en [A.]. standpunt van de pleegouders: Het gaat goed met [A.]. Het is een rustig kind. Gedurende het eerste jaar dat hij in het pleeggezin verbleef had [A.] regelmatig fysieke problemen en moest hij in het ziekenhuis worden behandeld. Momenteel is daarvan geen sprake meer. Extra begeleiding voor de problematiek van [A.] is niet nodig. In het gezin wordt regelmatig over moeder gesproken. Het is in het belang van [A.], dat hij weer contact met zijn moeder heeft. De pleegouders zijn bereid zich daarvoor in te zetten. standpunt van de WSS: Het is niet gelukt om (regelmatig) contact met moeder te krijgen. Moeder leidt een zwervend bestaan. Het is in het belang van [A.], dat het contact met moeder wordt hersteld. De WSS zal moeder benaderen en haar ondersteunen bij de totstandkoming van het contact met [A.]. beoordeling: Op grond van art. 1: 266 BW kan de rechtbank een ouder van het ouderlijk gezag over een of meer van zijn/haar kinderen ontheffen indien deze ongeschikt of onmachtig is zijn/haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het belang van de minderjarige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.