RECHTBANK GRONINGEN Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer Zaaknummer: AWB 06/1274 BELEI G Uitspraak in het geschil tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: [naam] en het Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling de Blauwe Stad, verweerder, gemachtigde: mr. J.G. Lindeman.
(2x)). De [adres] was en is een openbare doorgaande (provinciale) weg met de daaraan inherente verkeersbewegingen en de planologische functie van deze weg is als zodanig ook niet gewijzigd. Desondanks heeft de realisatie van het project De Blauwe Stad (…) geleid tot een toename van het aantal verkeersbewegingen met de daarbij behorende gebruiksintensiteit.” Vervolgens heeft de SAOZ nogmaals verwezen naar het gedeelte van het advies van januari 2005 dat hierboven is geciteerd. Gezien hierop had eiser ten tijde van de aankoop van zijn woning op de hoogte kunnen zijn van de in het Streekplan Groningen opgenomen visie voor de toekomstige ontwikkeling van 1.500 woningen in het gebied van de Blauwe Stad. Ten tijde van de aankoop van de woning was het, volgens de SAOZ, duidelijk dat de planologische situatie voor omwonenden in ongunstige zin zou wijzigen. De SAOZ schrijft voorts: “De door de nieuwbouw te verwachten toename van het aantal aan een dergelijk aantal extra woningen inherente verkeersbewegingen was dan ook te voorzien. Belanghebbenden hebben een risico genomen door in de onzekerheid van een toekomstige planologische wijziging, waarvan de gevolgen – ook voor de toekomstige verkeerssituatie – nog niet volledig duidelijk waren, hun woningen aan te kopen. Door deze aankoop hebben zij een risico genomen waarvan de gevolgen redelijkerwijs voor hun rekening behoren te blijven (…). Dat op dat moment nog niet bekend was dat de [adres] zou worden afgesloten, doet daar niets aan af.” Gezien het bovenstaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van zogenaamde actieve risicoaanvaarding. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van actieve risicoaanvaarding indien eiser op het moment van de verwerving van de onroerende zaak wist of kon weten dat er een reële kans bestond dat een voor hem negatieve planwijziging zou plaatsvinden. Het te hanteren criterium is of er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende koper, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in negatieve zin zou gaan veranderen. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (zie uitspraken van de AbRS van 20 november 2000, AB 2001/378, LJN: AN6804, en van 26 september 2001, AB 2001/379, BR 2002/326, LJN: AN6805). De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van de AbRS af dat, om (actieve) voorzienbaarheid aan te nemen, er enig relevant ruimtelijk stuk dient te zijn waarin een concrete uitspraak wordt gedaan waaruit afgeleid kan worden dat de bestemming van de gronden in kwestie in de toekomst gewijzigd zal worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van de AbRS van 20 november 2000, AB 2001/378, LJN: AN6804, van 28 november 2001, AB 2002/99, LJN: AN6892, van 2 januari 2002, AB 2002/377, LJN: AS3700, van 20 november 2002, BR 2003/418, LJN:AS3631, en van 31 maart 2004, BR 2004/772, LJN: AO
- Gelet op de door SAOZ genoemde ruimtelijke stukken, kon naar het oordeel van de rechtbank een redelijk denkend en handelend koper vanaf het begin van de jaren 1990 rekening houden met de komst van de Blauwe Stad en daarmee van een aanzienlijk aantal woningen en extra verkeersbewegingen. Op zichzelf wordt dit door eiser ook niet bestreden. Verweerder heeft, in navolging van de SAOZ, het standpunt ingenomen dat het feit dat ten tijde van de verwerving door eiser van de onroerende zaak nog niet bekend was dat de [adres] zou worden afgesloten, voor de voorzienbaarheid geen gevolgen heeft. Ter zitting hebben partijen aan de hand van een kaart uitleg gegeven over de veranderingen in de verkeersituatie. Hierbij is het de rechtbank gebleken dat de afsluiting van de [adres] voor autoverkeer tot gevolg heeft dat de meest voor de hand liggende route van [woonplaats] naar Winschoten en naar de autoweg A7 is doorbroken en dat dit logischerwijze leidt tot een verlegging van de verkeersroute naar de [adres] en de Ekamperweg. Daarnaast is aan de [adres] ook geen rol toegekend als uitgangsweg vanuit de Blauwe Stad. Dit verkeer wordt eveneens afgewikkeld via de [adres] en de Ekamperweg. De gemachtigde van verweerder heeft voorts medegedeeld dat door deze twee nieuwe verkeersstromen het aantal verkeersbewegingen per dag over de [adres] is gestegen van 700 naar
- Uit de situering van de Blauwe Stad volgt bovendien niet dat een afsluiting voor autoverkeer van de [adres], die loopt ten westen van de Blauwe Stad, onvermijdelijk was. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat voor deze afsluiting is gekozen omdat er anders, in verband met wenselijk geacht vaarverkeer, een hoge brug gebouwd zou moeten worden die voor gelduisoverlast zou zorgen. Deze gegevens leiden de rechtbank tot het oordeel dat op basis van de ruimtelijke stukken die dateren van begin jaren 1990 niet voorzienbaar was dat de [adres] voor autoverkeer zou worden afgesloten en dat dit zou leiden tot een vervijfvoudiging van de verkeersdruk op de [adres]. Juist gezien de aanzienlijke mate waarin de verkeersdrukte is toegenomen, acht de rechtbank deze afsluiting wel van belang bij de beoordeling van de voorzienbaarheid. Tussen partijen is niet in geschil dat van de afsluiting van de [adres] voor autoverkeer voor het eerst gewag wordt gemaakt in het bestemmingsplan “Partiële Herziening 2000 van het bestemmingsplan Blauwe Stad”. In paragraaf 2.2 is onder punt 9 het volgende opgenomen: “Er komen geen doorgaande verbindingen voor gemotoriseerd verkeer door het eigenlijke Blauwe Stad-gebied: voor de hoofdontsluiting wordt gebruik gemaakt van bestaande routes om het gebied heen. Wel behoudt de [adres] een functie als fietsverbinding tussen [woonplaats]/Finsterwolde en Winschoten.” Zoals hierboven reeds is vermeld, hebben de gemeenteraden van de drie betrokken gemeenten op 25 januari 2001, 30 januari 2001 en 31 januari 2001 het bestemmingsplan “Partiële Herziening 2000 van het bestemmingsplan Blauwe Stad” vastgesteld. Hieruit volgt dat op 20 september 1994, de datum van verwerving van de onroerende zaak, voor eiser niet voorzienbaar was dat de [adres] voor autoverkeer zou worden afgesloten en dat de daarmee samenhangende planologische schade zou ontstaan. Gezien hetgeen hierboven is overwogen, is de afwijzing door verweerder van eisers verzoek tot toewijzing van planschadevergoeding niet op goede gronden geschied. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, Awb en het bestreden besluit dient vernietigd te worden. Gelet op dit oordeel behoeven de overige gronden van beroep geen bespreking.
- Beslissing De rechtbank Groningen, RECHT DOENDE, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 20 juli 2006; - draagt verweerder op opnieuw in de zaak te voorzien met inachtneming van deze uitspraak; - wijst de Gemeenschappelijke Regeling de Blauwe Stad aan als de rechtspersoon die het betaalde griffierecht ad € 141,- aan eiser dient te vergoeden. Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 23 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr.drs. H.A. Hulst als griffier. De griffier, De rechter, De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.