RECHTBANK GRONINGEN Sector Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 07/382 WVG Uitspraak in het geschil tussen [eiseres],, wonende te [woonplaats], eiseres gemachtigde: E.Rademaker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haren, verweerder. 1. Onderwerp van geschil Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2007, verzonden 5 maart 2007. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 oktober 2006, verzonden 17 oktober 2006, om haar aanvraag voor een verhuis- en herinrichtingsvergoeding op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) af te wijzen, ongegrond verklaard en het besluit van 13 oktober 2006 gehandhaafd. 2. Zitting Het geschil is behandeld op de zitting van 2 november 2007. Eiseres is daar verschenen bij gemachtigde E. Rademaker. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.A. Rouffaer. 3. Beoordeling van het geschil 3.1. feiten en procesverloop Eiseres, geboren [datum], lijdt aan myasthenia gravis (MG). Zij heeft hierdoor krachtverlies van beide armen en benen, een verstoord evenwicht en ziet altijd dubbel. Zij woonde aanvankelijk te [plaats] in een woning met traplift. Met name vanwege de werkzaamheden -in wisselende diensten- van haar partner (huismeester in een multifunctioneel gebouw te [woonplaats]) en diens gezondheid, is eiseres in 2005 verhuisd naar een ongelijkvloerse eengezinswoning in [woonplaats]. Een aanvraag om de traplift over te zetten werd door verweerder afgewezen. Eiseres zegt er niet voor gekozen te hebben om de traplift op eigen kosten over te (laten) zetten, omdat haar gezondheidstoestand ten tijde van de verhuizing naar [woonplaats] als gevolg van medicijngebruik zodanig stabiel was geworden dat zij al een tijdje nauwelijks gebruik van de traplift hoefde te maken. Kort na de verhuizing naar [woonplaats] namen haar klachten echter in ernst toe en moest worden besloten tot verhuizing naar een gelijkvloers en grotendeels rolstoelgeschikt appartement. In verband hiermee heeft zij op 17 maart 2006 verweerder verzocht om een vergoeding van verhuis- en inrichtingskosten. Verweerder heeft de Hulpverleningsdienst Groningen gevraagd terzake te adviseren. Eiseres is op 4 april 2006 en 4 juli 2006 bezocht door fysiotherapeut M. Vos. Na intern overleg met de arts B. van der Blij is aanvankelijk geadviseerd de aanvraag te honoreren, maar op 9 augustus 2006 werd dit advies herzien door de genoemde arts, omdat eiseres in 2005 naar een niet adequate woning was verhuisd. Bij besluit van 13 oktober 2006, verzonden 17 maart 2006, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres bij de verhuizing van [plaats] naar [woonplaats] rekening had kunnen houden met haar omstandigheden en (te verwachten) berperkingen. Door te verhuizen naar een niet adequate woning heeft eiseres zichzelf volgens verweerder in een positie gebracht dat er problemen zouden ontstaan, terwijl dit niet nodig was geweest. Tegen dit besluit heeft eiseres op 23 november 2006 -aangevuld op 21 december 2006- bezwaar gemaakt. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren mondeling toe te lichten op de hoorzitting van 10 januari 2007. Vervolgens heeft de commissie bezwaarschriften (de commissie) op 23 januari 2007 verweerder geadviseerd. De commissie heeft geconcludeerd dat het bezwaar gegrond is en verweerder geadviseerd het besluit van 13 oktober 2006 te herroepen, primair omdat hetgeen eiseres wordt tegengeworpen -een verhuizing van een vermeend adequate naar een niet adequate woning- . geen steun vindt in de tekst van (artikel 2.5, onder a van) de Verordening voorzieningen gehandicapten (VVG) gemeente Haren. In afwijking van het advies van de commissie heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat de eerste woning in [woonplaats] -een woning met een trap- geen adequate woning voor eiseres was en dat zij dus bij deze verhuizing onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden die voortvloeien uit de handicap. In beroep heeft eiseres aangegeven dat ze het onterecht vindt dat verweerder op basis van een voorgaande verhuizing bepaalt dat zij -eiseres- niet in aanmerking komt voor een verhuiskostenvergoeding. Wanneer zij vanuit [plaats] verhuisd was naar een woning met een traplift in [woonplaats], had zij alsnog moeten verhuizen naar een gelijkvloerse woning, omdat de beperkingen in die tijd fors zijn toegenomen. Eiseres heeft bij de verhuizing van [plaats] naar [woonplaats] niet gekozen voor een gelijkvloerse woning aangezien zij op dat moment weinig tot geen gebruik van de traplift maakte. 3.2. wettelijk kader -voorzover ten tijde in dit geding en hier van belang- Ingevolge artikel 2 van de WVG draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening. Blijkens het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder c, van de WVG wordt -voorzover hier van belang- onder woonvoorziening verstaan: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt. In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de VVG is bepaald: De door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting. In artikel 2.5 van de VVG is voorts bepaald dat de aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1 wordt geweigerd indien de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was. 3.3. rechtsoverwegingen Eiseres is van [plaats] naar [woonplaats] verhuisd om redenen die niet primair met haar gezondheidssituatie te maken gehad zouden hebben. Zij heeft in [woonplaats] een ongelijkvloerse woning, zonder traplift, betrokken. Hoewel verweerder geen (medische) gegevens heeft overgelegd betreffende die periode, lijkt de rechtbank de keus voor een woning met trap, gezien de ziekte van eiseres, niet de meest verstandige. Zelfs als haar situatie op dat moment stabiel was. Eiseres heeft voor die verhuizing dan ook geen vergoeding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.