Rechtbank Groningen – ECLI:NL:RBGRO:2008:BC5453
RECHTBANK GRONINGEN Sector kanton Locatie Groningen Zaak\rolnummer: 261667/05-5559 Vonnis d.d. 23 januari 2008 inzake de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland NV, gevestigd te Amsterdam, eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, hierna Dexia te noemen, gemachtigde Kroes & Partners, gerechtsdeurwaarders te Meppel, tegen [gedaagden], beiden wonende te [adres], gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, hierna [gedaagden] te noemen, gemachtigde mr. G.A. Versteegh, advocaat te Groningen.
PROCESGANG Dexia heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat [gedaagden] door de rechtbank Groningen, sector civiel worden veroordeeld tot betaling van € 25.298,68 vermeerderd met rente en kosten. [gedaagden] hebben de vordering bestreden. In reconventie vorderen zij dat Dexia wordt veroordeeld tot betaling van € 10.617,00 vermeerderd met rente alsmede dat de tussen partijen op 27 april 2000 en 8 juli 1999 gesloten overeenkomsten primair nietig worden verklaard dan wel subsidiair worden ontbonden. Meer subsidiair, namelijk voor het geval de vordering van Dexia geheel of gedeeltelijk mocht worden toegewezen, vorderen zij Dexia te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de veroordeling in conventie en deze te compenseren met de vordering in conventie.
Dexia heeft in conventie gerepliceerd onder voorwaardelijke wijziging van haar eis, inhoudende dat [gedaagden] voor het geval de conventionele vordering wordt afgewezen en de reconventionele vordering wordt toegewezen worden veroordeeld tot betaling van het verschil tussen de aankoopwaarde van de aangekochte effecten en de waarde daarvan op de datum van de gehele of gedeeltelijke vernietiging of ontbinding van de op 27 april 2000 gesloten overeenkomst. Dexia heeft voorts geantwoord in reconventie. [gedaagden] hebben geconcludeerd voor dupliek in conventie en voor repliek in reconventie, waarbij zij hun primaire vordering aldus hebben vermeerderd dat zij naast vernietiging tevens nietigverklaring van genoemde overeenkomsten vorderen.
Nadat Dexia had geconcludeerd voor dupliek in reconventie, heeft de rechtbank Groningen, sector civiel, zich bij vonnis van 11 mei 2005 onbevoegd verklaard om van het geschil kennis en de zaak in de stand waarin deze zich bevond (het wijzen van vonnis) verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank.
Vervolgens heeft het Gerechtshof te Amsterdam op 25 januari 2007 de zogenaamde Duisenberg-regeling algemeen verbindend verklaard, waarna de procedure op de voet van artikel 1015 Rv is geschorst. De procedure is hervat nadat [gedaagden] hadden laten weten dat zij niet aan deze regeling gebonden willen zijn.
Het vonnis is (nader) bepaald op heden.
OVERWEGINGEN in conventie en in reconventie De vaststaande feiten 1. Als gesteld en niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist kan van het volgende worden uitgegaan.
Dexia is de rechtsopvolgster van Bank Labouchere NV. Waar hierna wordt gesproken over Dexia wordt haar rechtsvoorganger daaronder begrepen.
Tussen Dexia enerzijds en [gedaagden] anderzijds is op 24 mei 1996 een overeenkomst (contractnummer 70900569) tot stand gekomen ten behoeve van het product WinstVerdubbelaar. Deze overeenkomst is, na ommekomst van de looptijd van 5 jaar, op of omstreeks 23 mei 2001 beëindigd met een (na verkoop van de aandelen) voor [gedaagden] positief resultaat van € 31.662,85.
Tussen partijen is voorts op 8 juli 1999 (contractnummer 74216932) een overeenkomst gesloten met betrekking tot het product WinstVerDriedubbelaar. Hierop zijn van toepassing de bijzondere voorwaarden effectenlease. De looptijd van de overeen komst bedraagt 36 maanden. Het totaalbedrag van de aankoopbedragen van de effecten bedraagt € 11.546,85, het totaalbedrag aan te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst € 2.422,76. De overeengekomen lease-som bedraagt derhalve in totaal € 13.969,61. Dat bedrag moest worden voldaan in 36 gelijke maandelijkse termijnen van € 67,30, een eenmalig bedrag van € 45,38 omstreeks de 35e maand en € 11.501,47 aan het einde van de looptijd. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagden] na betaling van al hetgeen zij krachtens de overeenkomst aan Dexia verschuldigd zijn, automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden zouden worden.
Deze overeenkomst is op 7 juli 2002 verlengd met 36 maanden. In de betreffende overeenkomst is bepaald dat naast het ongewijzigde totaalbedrag van de aankoopwaarden (€ 11.546,85), het totaalbedrag aan te betalen rente tijdens de looptijd van de verlengingsovereenkomst € 2.424,96 bedraagt, zodat de overeengekomen lease-som derhalve in totaal € 13.971,81 bedraagt. Dat bedrag moest worden voldaan in 36 gelijke maandelijkse termijnen van € 67,36, een eenmalig bedrag van € 50,00 omstreeks de 35e maand en € 11.496,85 aan het einde van de looptijd.
Tussen partijen is bovendien op 27 april 2000 nog een overeenkomst gesloten ten behoeve van het product WinstVerDriedubbelaar (contractnummer 74485942). Ook hierop zijn van toepassing de bijzondere voorwaarden effectenlease en de looptijd van de overeenkomst bedraagt eveneens 36 maanden. Het totaalbedrag van de aankoopbedragen van de effecten bedraagt € 39.056,82, het totaalbedrag aan te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst € 8.195,04. De overeengekomen lease-som bedraagt derhalve in totaal € 47.251,86. Dat bedrag moest worden voldaan in 36 gelijke maandelijkse termijnen van € 227,64, een eenmalig bedrag van € 45,38 omstreeks de 35e maand en € 39.011,44 aan het einde van de looptijd. Ook in dit geval zijn partijen overeengekomen dat [gedaagden] na betaling van al hetgeen zij krachtens de overeenkomst aan Dexia verschuldigd zijn, automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden zouden worden.
Na het verstrijken van de looptijd van deze overeenkomst zijn de effecten op of omstreeks 28 april 2003 door Dexia verkocht. De opbrengst bedroeg in totaal € 16.747,74. Dexia heeft [gedaagden] vervolgens een eindafrekening toegezonden, inhoudende dat zij nog € 22.536,72 verschuldigd zijn (het verschil tussen de opbrengst ad € 16.747,74 en het bedrag dat [gedaagden] in de ogen van Dexia nog verschuldigd waren, namelijk € 39.284,46).
Het geschil 2. Uit de processtukken volgt dat partijen er in essentie over verdeeld zijn of: a. er sprake is van strijd met de Wet op het consumentenkrediet; b. er sprake is van dwaling, misbruik van omstandigheden, misleidende informatie (reclame) en/of bedrog; c. Dexia is tekortgeschoten in haar verplichting om de aandelen daadwerkelijk te werven en op naam van [gedaagden] in haar administratie te registreren; d. op Dexia een zorgplicht rust en zo ja, of zij deze heeft geschonden; e. of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door [gedaagden] de risicovolle producten aan te bieden zonder te informeren naar zijn financiële situatie, beleggingservaringen en zonder hem te wijzen op de risico's.
De beoordeling 4. Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.
Het beroep op strijd met de Wet op het consumentenkrediet 7. In het geval van een nietige overeenkomst ontstaan daaruit voor beide partijen verplichtingen. Enerzijds zal Dexia de reeds geleverde prestaties ongedaan dienen te maken, omdat er dan sprake is van onverschuldigde betaling. Anderzijds zal in dat geval, op grond van art. 6:278 BW, de waardedaling van de geleasede effecten voor rekening van [gedaagden] komen. Beide verplichtingen dienen te worden beoordeeld en (zonodig) beperkt (eventueel tot nihil) met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW). Die maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de daarbij in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden van het individuele geval zijn dezelfde als die welke dienen te gelden zonder toepasselijkheid van de Wck. Het beroep op de Wck kan daarom in beginsel niet tot een ander oordeel leiden omtrent de (door elk van partijen te dragen) gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomst, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep. De toepasselijkheid van de Wck kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in het midden blijven.
Het beroep op dwaling 8. Naar het oordeel van de kantonrechter is het voor de beoordeling van het beroep op dwaling niet relevant of [gedaagden] al dan niet een advertentie en/of brochure hebben gezien. In beide gevallen (wel of geen brochure/advertentie) hadden [gedaagden] namelijk een nader onderzoek in moeten stellen naar hetgeen waartoe zij zich contractueel zouden verbinden. Gesteld noch gebleken is echter dat zij dat hebben gedaan.
Het beroep op misbruik van omstandigheden 12. Van misbruik van omstandigheden is sprake, zo is bepaald in artikel 3:44 lid 4 BW, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen zij weet of moet begrijpen haar daarvan zou behoren te weerhouden. Uit deze definitie volgt dat voor misbruik van omstandigheden onder andere vereist is dat er aan de zijde van [gedaagden] sprake was van bijzondere omstandigheden waarmee Dexia bekend was en waardoor [gedaagden] tot het aangaan van de overeenkomst zouden zijn bewogen. Het enkele feit dat [gedaagden] onervaren waren op het gebied van beleggingen brengt niet met zich mee dat Dexia door het aangaan van de overeenkomst misbruik heeft gemaakt van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW.
Het beroep op misleidende reclame 13. [gedaagden] stellen dat zij geen advertentie of brochure van Dexia hebben gelezen. Uitgaande van de juistheid van die stelling, hetgeen Dexia overigens betwist, kunnen de overeenkomsten dan ook niet tot stand zijn gekomen onder invloed van misleidende reclame. Ook dit verweer faalt derhalve.
Het beroep op bedrog 14. Uit de in artikel 3:44 lid 3 BW gegeven definitie van bedrog volgt dat er sprake moet zijn van een opzettelijk gedane onjuiste mededeling, het opzettelijk verzwijgen van een feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen of van een andere kunstgreep. Aangezien [gedaagden] ter zake van het door hen gestelde bedrog geen specifieke argumenten hebben aangevoerd, kan in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen naar het oordeel van de kantonrechter niet anders worden geoordeeld dan dat (ook) van bedrog geen sprake is.
Het beroep dat Dexia tekort is geschoten in haar verplichting om de aandelen daadwerkelijk te werven en op naam van [gedaagden] in haar administratie te registreren 15. Op geen enkele wijze is gebleken dat [gedaagden] hierdoor zouden zijn benadeeld. Zou Dexia op dit punt derhalve tekort zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten, kan dit naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet het door [gedaagden] gewenste rechtsgevolg (ontbinding van de overeenkomsten) hebben.
De zorgplicht 16. Het voorgaande laat onverlet dat Dexia tekort kan zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht.
De consequenties 21. Het niet nakomen van de zorgplicht brengt mee dat Dexia aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [gedaagden] ondervonden negatieve gevolgen. Daarbij moet echter ook de eigen verantwoordelijkheid van [gedaagden] in aanmerking worden genomen. Het onverkort toepassen van alle tussen partijen geldende bedingen zal dan ook tot onaanvaardbare gevolgen leiden.
Categorie 1: 75% tot 85% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer. Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:
Categorie 2: 55% tot 65% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer.
Dit is de categorie voor een ieder die niet onder één van de andere categorieën valt.
Categorie 3: 30% tot 40% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer.
Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:
Categorie 4: 5% tot 15% van het nadeel voor rekening van Dexia en het resterend percentage voor rekening van de afnemer. Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:
BESLISSING De kantonrechter: gelast partijen, Dexia deugdelijk vertegenwoordigd en [gedaagden] in persoon, te verschijnen voor de kantonrechter voor het verstrekken van nadere inlichtingen en om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden en wel op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen datum en tijdstip; verwijst de zaak naar de rolzitting van 20 februari 2008 te 11.00 uur; vóór of uiterlijk op die zitting kunnen beide partijen schriftelijk aan de sector kanton opgeven op welke dagen zij in de twee maanden volgende op die rolzitting verhinderd zijn, voor welke opgave geen nader uitstel zal worden verleend; op deze zitting zal dan worden bepaald wanneer en waar de comparitie van partijen zal plaatsvinden; na dagbepaling zal in beginsel geen uitstel meer worden verleend; houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.R. van Baak-Klijnsma, kantonrechter, en op 23 januari 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier. typ: MH