RECHTBANK GRONINGEN Sector Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 10/785 en AWB 10/807 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van De Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Groningen, verzoeker, gemachtigde: mr. T.A.M. van den Ende, ten aanzien van de besluiten van: -20 juli 2010, kenmerk: CZ/TSZ-3014692 en -27 juli 2010, kenmerk: CZ/TSZ-3015526 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder, gemachtigde: dr. R.W. Segaar. 1. Feiten en zaaksverloop Bij aanvraag van 28 december 2009 heeft verzoeker zich tot verweerder gewend met het verzoek hem vergunning te verlenen voor het uitvoeren van transcatheter hartklepinterventies (THI’s). Op 29 juni 2010 heeft de Hoofdinspecteur Curatieve Gezondheidszorg van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, aan verweerder advies uitgebracht naar aanleiding van de door verzoeker, en 14 andere centra, ingediende aanvragen. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft verweerder verzoeker de gevraagde vergunning geweigerd. Hij heeft verzoeker daarbij medegedeeld dat hij de periode tot en met 1 augustus 2010 kan gebruiken om zijn werkzaamheden met betrekking tot THI’s af te bouwen. Bij brief van 27 juli 2010 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat er een administratieve vergissing heeft plaatsgevonden waardoor alle vergunningaanvragende instellingen de brief van 20 juli 2010 later hebben ontvangen dan de bedoeling was. Om die reden heeft verweerder de termijn waarbinnen de werkzaamheden afgebouwd dienen te worden verlengd tot en met 15 augustus 2010. Hij heeft daarbij medegedeeld dat verzoeker met ingang van 16 augustus 2010 geen THI’s meer mag verrichten en patiënten voor deze verrichting dient door te sturen naar de vergunninghoudende instellingen. Tegen de besluiten van verweerder van 20 juli 2010 en 27 juli 2010, heeft verzoeker bij brief van 4 augustus 2010 bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift van 3 augustus 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen toegezonden. Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting op 12 augustus 2010. Verzoeker heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen, vergezeld van prof. dr. M. Mariani, dr. B.J.G.L. de Smet en drs. F.C.A. Jaspers. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door dr. R.W. Segaar, vergezeld van J.M. Hellemans. 2. Rechtsoverwegingen 2.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid Op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Artikel 1:3, eerste lid, Awb verstaat onder besluit: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank ziet zich ambtshalve allereerst geplaatst voor beantwoording van de vraag of het door verzoeker ingediende bezwaarschrift zich richt tegen besluiten als vorenbedoeld. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord is het bezwaar niet-ontvankelijk te achten en dient het verzoek om voorlopige voorziening om die reden te worden afgewezen. Het besluit van 20 juli 2010 betreft de afwijzing van de door verzoeker ingediende aanvraag om bepaalde medische verrichtingen te mogen doen. Aan verzoeker is de tijd gegund zijn activiteiten tot en met 1 augustus 2010 af te bouwen. Bij brief van 27 juli 2010 heeft verweerder die termijn verlengd tot en met 15 augustus 2010. Artikel 2, eerste lid, Wet Bijzondere Medische Verrichtingen (WBMV) bepaalt dat het, in dit geval, verboden is bedoelde verrichtingen te doen zonder vergunning. Op grond van artikel 6, vierde lid, WBMV mag, indien bij het in werking treden van een regeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, de daarin aangegeven verrichtingen reeds werden uitgevoerd onderscheidenlijk de daarin bedoelde apparatuur reeds werd gebruikt, niet in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet, mits hieraan geen uitbreiding wordt gegeven, dit worden voortgezet gedurende drie maanden. Verweerder kan desgevraagd deze termijn verlengen. De voorzieningenrechter vat de in de brieven van 20 juli 2010 en 27 juli 2010 gegunde termijnen op als termijnen bedoeld in vorengenoemd artikel 6, vierde lid, WBMV. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevatten beide brieven derhalve besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb. Dat de weigering vergunning te verlenen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb inhoudt is evident. Zonder in het bezit te zijn van de vereiste vergunning mogen de betreffende handelingen immers in beginsel niet worden verricht. Het tegen het besluit van 20 juli 2010 (waarbij vergunning is geweigerd en een termijn is gegund tot en met 1 augustus 2010) en het besluit van 27 juli 2010 (waarbij de termijn is verlengd tot en met 15 augustus 2010) gemaakte bezwaar, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelet op het vorenoverwogene ontvankelijk te achten. Van overige beletselen die de ontvankelijkheid in de weg zouden kunnen staan is niet gebleken. 2.2. Beoordeling Dat verzoeker een spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 Awb heeft dat het treffen van een voorlopige voorziening in beginsel rechtvaardigt acht de voorzieningenrechter vanzelfsprekend. De bestreden besluiten hebben immers tot gevolg dat hij per 16 augustus 2010 de betreffende handelingen niet meer zal mogen verrichten. Partijen betwisten dat overigens niet. De vraag of het vorenstaande betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening ingewilligd dient te worden is daarmee echter geenszins beantwoord. Gelet op de aard van de bestreden besluiten en de vereiste materiële connexiteit die dient te bestaan tussen een te treffen voorlopige voorziening en de bestreden besluiten, zou in dit geval een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen die inhoudt dat verzoeker, gedurende een bepaalde periode, wordt behandeld als ware hij in het bezit van de vereiste vergunning. Zodanige voorlopige voorziening gaat echter ver en dient in beginsel slechts te worden getroffen indien het evident is dat de bestreden besluiten geen stand zullen kunnen houden en verzoeker de gevraagde vergunning zal moeten worden verleend. Daarnaast kan sprake zijn van (zeer) bijzondere omstandigheden die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen. De voorzieningenrechter is, gelet op de complexiteit, de omstandigheid dat door meerdere centra procedures zijn aangespannen en het door verzoeker aangevoerde, van oordeel dat het niet evident is dat verweerder verzoeker de gevraagde vergunning had dienen te verlenen of had kunnen weigeren. De onderhavige voorlopige voorzieningsprocedure leent zich in dit concrete geval, gelet op het vorenstaande, ook niet goed voor beantwoording van die vraag. De vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. Verzoeker heeft in zijn uitvoerig gemotiveerde bezwaarschrift, van 15 pagina’s, gesteld dat de bestreden besluiten de rechtmatigheidstoets niet zullen kunnen doorstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bezwaarschriftprocedure, juist gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, bij uitstek geschikt is om te beoordelen of verweerder de gevraagde vergunning op goede grond heeft geweigerd. Het voert te ver om daarover in de thans aanhangige procedure een oordeel te kunnen vormen. Feit is dat verweerder het aantal centra dat de betreffende handelingen mogen verrichten wenst te beperken tot vijf en dat hij vijf centra daartoe vergunning heeft verleend. Verzoeker is zodanige vergunning niet verleend. Feit is eveneens dat (in ieder geval een aantal van) de ziekenhuizen waaraan vergunning is geweigerd daarin niet berusten en bij verweerder bezwaar hebben gemaakt en/of bij de rechtbank(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.