RECHTBANK GRONINGEN Sector Civielrecht zaaknr.: 133373/FA RK 12-826 beschikking d.d. 26 juni 2012 in de zaak van: [naam 1], wonende te [adres], verzoeker, hierna te noemen de man, advocaat mr. H.G.B. van der Wal, en [naam 2], wonende te [adres], hierna te noemen de vrouw, in rechte niet verschenen. PROCESVERLOOP De man heeft op 17 april 2012 ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingediend waarin hij heeft verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een omgangsregeling tussen de man en het minderjarige kind van partijen vast te stellen welke recht doet aan het belang van het minderjarige kind;
- de vrouw een informatieregeling op te leggen waarbij zij de man een keer per half jaar schriftelijk informeert over de algemene ontwikkeling, de lichamelijke en de geestelijke gezondheid en schoolvordering van het minderjarige kind onder toevoeging van een recente foto van het minderjarige kind. De rechtbank heeft de zaak behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 10 mei
- Verschenen en gehoord is de raadsman van de man. Tevens was aanwezig mevrouw A.I. van Dijk namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen. Op 11 mei 2012 is ter griffie van de rechtbank een faxbericht binnengekomen van de advocaat van de man. RECHTSOVERWEGINGEN Vaststaande feiten partijen hebben een affectieve relatie gehad; uit deze relatie is geboren: *[naam 3], op [datum], erkend door de man op [datum]; de vrouw heeft het gezag over voornoemde minderjarige; de minderjarige heeft het hoofdverblijf bij de vrouw; bij beschikking d.d. 9 juni 2005 heeft de rechtbank het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen afgewezen. Beoordeling door de rechtbank De omgangsregeling De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 1:377e BW). De informatie In artikel 1:377b BW is bepaald dat de ouder die met het gezag is belast, gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Ingevolge lid 2 van voornoemd artikel kan de rechter, zowel op verzoek als ambtshalve, bepalen dat het artikel buiten toepassing blijft. Het verloop De man heeft in zijn verzoekschrift een verloop geschetst van zijn pogingen om in overleg met de vrouw een omgangsregeling vast te stellen met [de minderjarige], waaronder een eerdere gerechtelijke procedure zeven jaar geleden, waarin op basis van een raadsonderzoek zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen. Hij heeft recent opnieuw geprobeerd buitengerechtelijk tot een regeling te komen en pas toen dit niet lukte, heeft hij besloten tot deze procedure. Hij stelt nu voorlopig begeleide contacten voor, met uiteindelijk streven een reguliere omgangsregeling. Voorts wil hij graag op de hoogte blijven van het wel en wee van [de minderjarige], middels de door hem verzochte informatieregeling. De vrouw heeft geen verweer gevoerd en is ter zitting niet verschenen. De man is evenmin ter zitting verschenen. Daar was wel zijn advocaat, maar die had voor de zitting geen contact meer gehad met de man. Bij brief van 11 mei 2012 heeft de advocaat van de man de rechtbank bericht dat de oproep voor de zitting, die door de advocaat was doorgestuurd, waarschijnlijk was bezorgd op een verkeerd adres. Hij verzoekt de rechtbank een nieuwe zitting te bepalen. Geen aanhouding De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden en opnieuw een zitting te plannen. Daartoe wordt overwogen dat de oproep voor de zitting de advocaat van de man heeft bereikt, en dat het vervolgens op diens weg ligt om er voor te zorgen dat ook de man op de hoogte geraakt van de geplande zitting. Door enkel de oproep per post door te sturen, en niet voor de zitting nog persoonlijk contact te hebben met zijn cliënt om één en ander te bespreken, heeft de advocaat het risico genomen dat indien de verzending verkeerd zou gaan, zijn cliënt niet op de hoogte zou zijn. Dit risico dient voor rekening van de advocaat, en daarmee voor de man, te blijven. Beoordeling Onder de nu ontstane situatie heeft de rechtbank als informatie alleen hetgeen door de man is verwoord in zijn verzoekschrift van 17 april
- Immers, noch de man, noch de vrouw zijn door de rechtbank gehoord, en [de minderjarige] was daarvoor nog te jong. De advocaat van de man heeft ter zitting inhoudelijk namens de man ten opzichte van het verzoekschrift geen extra dingen naar voren gebracht. Uit hetgeen de man in zijn verzoek naar voren heeft gebracht, en wat door de vrouw dus niet is bestreden, leidt de rechtbank af dat er in een verder verleden tussen de man en de vrouw strijd is geweest over de omgangsregeling met [de minderjarige], en dat het niet is gelukt om destijds een regeling tot stand te brengen welke recht deed aan het belang van [de minderjarige]. Dit brengt met zich dat nu beoordeeld zou moeten worden of die situatie zich zodanig in positieve zin heeft gewijzigd dat omgang met de man nu wel in het belang van [de minderjarige] zou zijn. Met de informatie die nu voorhanden is is de rechtbank daartoe niet in staat. Nu beide partijen niet ter zitting zijn verschenen ziet de rechtbank geen aanleiding de Raad te verzoeken een onderzoek te doen om nadere informatie te verkrijgen. Onder deze omstandigheden is het voor de rechtbank niet mogelijk om het belang van de minderjarige [de minderjarige] in de beoordeling van het verzoek van de man te betrekken. Om die reden zal de rechtbank de verzoeken van de man afwijzen. BESLISSING wijst de verzoeken af. Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Klijn en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 26 juni 2012 in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier. De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld. Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden, of - voor zover het een beschikking betreft, waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken - op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is betekend en door plaatsing van een uittreksel daarvan in de Staatscourant openlijk bekend is gemaakt. Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.