beslissing RECHTBANK GRONINGEN MEERVOUDIGE KAMER Zaaknummer: 133333 / HA RK 12-112 Datum beslissing: 6 juni 2012 Beslissing op het schriftelijke verzoek van [A], de [B] en [C], woonplaats gekozen op het adres [adres], [woonplaats] (hierna: verzoekers) tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van mr. T.F. Bruinenberg. 1. Procesverloop 1.1. Bij brief van 10 april 2012 hebben verzoekers een verzoek ingediend tot wraking van mr. T.F. Bruinenberg, rechter in de bestuurssector van deze rechtbank, in het geschil met zaaknummer AWB 12/175 BESLU G, waarbij verzoekers als partij zijn betrokken. 1.2. Mr. Bruinenberg heeft bij brief van 16 april 2012 medegedeeld niet in de wraking te berusten. 1.3. Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. E.J. Oostdijk en mr. E.M.J. Brink. 1.4. Bij brief van 8 mei 2012 hebben verzoekers een nadere toelichting op het verzoek tot wraking van mr. Bruinenberg gegeven. 1.5. Op 24 mei 2012 is het wrakingverzoek ter zitting behandeld. Mr. Bruinenberg is, zoals hij bij brief van 2 mei 2012 heeft bericht, in verband met andere verplichtingen niet ter zitting verschenen. [A] en [C] zijn wel zijn ter zitting verschenen. 2. Het standpunt van verzoekers 2.1. Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun wrakingverzoek aangevoerd dat mr. Bruinenberg de schijn van partijdigheid heeft gewekt door geen gebruik te maken van de mogelijkheid om met redenen omkleed zich schriftelijk uit te laten over de door ver¬zoekers gestelde vragen en evenmin binnen de gestelde termijn van twee weken inhoudelijk te willen reageren, noch aanhouding daarvan te vragen. Daarbij hebben verzoekers aange¬geven dat door de rechtbank het door hen ingediende verzoekschrift ten onrechte als beroepschrift is aange¬merkt, hetgeen maakt dat de uitspraak van 6 maart 2012 nietig is. Dientengevolge hebben zij griffierecht moeten voldoen, hetgeen naar de mening van verzoekers een vorm van persoonlijke zelfverrijking is. 3. Het standpunt van mr. Bruinenberg 3.1. Mr. Bruinenberg heeft aangevoerd dat er geen rechtsregel bestaat die een rechter verplicht binnen een door een partij gestelde termijn op vragen van die partij te antwoorden. Door dit na te laten is dan ook niet de schijn van onpartijdigheid gewekt. Het staat partijen vrij om ter zitting vragen te stellen en opmerkingen te maken, hetgeen betekent dat al het¬geen door verzoekers bij brief naar voren is gebracht ter zitting kan worden besproken. 4. Beoordeling 4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Awb en artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. 4.2. In artikel 8:15 Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. 4.3. De rechtbank begrijpt de wrakinggronden van verzoekers aldus dat zij aan hun verzoek tot wraking van mr. Bruinenberg ten grondslag hebben gelegd dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.