Zaaknr/rolnr: 79914/HA ZA 01-1723 Vonnisdatum: 10 december 2002 303/CW VONNIS VAN DE RECHTBANK TE HAARLEM, ENKELVOUDIGE KAMER, in de zaak van: A.J. H-B., wonende te [woonplaats], eisende partij, advocaat mr. N.M. Jansen te Amersfoort, procureur mr. J. Brons, -- tegen -- de naamloze vennootschap N.V. NOORD-HOLLANDSCHE VAN 1816, ALGEMENE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, gevestigd en kantoorhoudende te Oudkarspel, gedaagde partij, advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar, procureur mr. R. Mulder. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als H-B respectievelijk Noordhollandsche. 1. De loop van het geding 1.1 Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd: ? de inleidende dagvaarding van 7 december 2001, met aangehecht 8 producties; ? de conclusie van eis; ? de conclusie van antwoord, met 17 producties; ? de conclusie van repliek, met 18 producties; ? de conclusie van dupliek. 1.2 Nu partijen in hun processtukken in overwegende mate bedragen in guldens hebben vermeld, zal de rechtbank in de rechtsoverwegingen van dit vonnis de bedragen even-eens in guldens vermelden. Voor zover de rechtbank tot een veroordeling tot betaling van een geldbedrag komt, zal onder de rechtsoverwegingen de omrekening van gul-dens in euro's worden vermeld. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit ge-ding het volgende vast: a. H-B en haar echtgenoot zijn bestuurders en enige aandeelhouders van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B. & De H. B.V. (hierna aan te dui-den als 'de BV'). Vanaf eind 1995 hebben zij als enige werknemers van de BV een administratiekantoor gedreven (hierna als 'de onderneming' aan te duiden). De functie van H-B bestond daarbij uit het op parttime basis verrichten van admini-stratief/ondersteunende werkzaamheden. b. Op 18 maart 1997 is H-B in haar bij een kruispunt stilstaande auto van achteren aangereden door een auto die werd bestuurd door L.C. B. (naar dit voorval zal hierna worden verwezen met 'de aanrijding'). c. Noordhollandsche is de verzekeraar ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzeke-ring Motorrijtuigen (WAM) van de auto van L.C. B. d. Bij brief d.d. 2 juni 1997 heeft Noordhollandsche de volledige aansprakelijkheid van haar verzekerde voor deze aanrijding erkend. e. Een door de schaderegelaar van de verzekeraar van H-B opgemaakt 'rapport inza-ke letselschade' d.d. 22 mei 1997 maakt onder 'predispositie' melding van het vol-gende: Cliënte kende reeds voor het ongeval nekklachten, waarbij zij ook last had van tintelingen in de linker hand en vingers, hoofdpijn en pijn in beide schouders. De huisarts heeft deze klachten geweten aan een combinatie van spanningen en stress. De klachten zijn behandeld met fysiotherapie, volgens cliënte met succes. Kort voor het ongeval was cliënte klachtenvrij en uitbehandeld. f. Een rapportage van GAK Nederland B.V. (hierna: het GAK) d.d. 4 juni 1998 ter-zake een onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van H-B heeft als conclusie dat deze 80 tot 100% bedraagt. g. Bij beslissing d.d. 9 juni 1998 heeft het GAK namens het Landelijk instituut soci-ale verzekeringen (Lisv) aan H-B op basis van een arbeidsongeschiktheidspercen-tage van 80 tot 100% met ingang van 17 maart 1998 een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) van 70% toege-kend. h. Dr. J.W. Stenvers, neuroloog te Amsterdam, heeft omtrent de medische klachten van H-B een rapportage d.d. 29 juni 1999 opgesteld. Deze aan de medisch advi-seur van de schaderegelaar van H-B gerichte rapportage begint met de volgende openingszin: Op 18-6-1999 onderzocht ik op uw verzoek, gedaan in overleg met de medisch adviseur van de wederpartij de 41-jarige mevrouw A.J. H-B.(…) ? In antwoord op daartoe strekkende vragen vermeldt deze rapportage onder meer het volgende: (…) Bij het ongeval d.d. 18-3-1997 heeft betrokkene een postwhiplash-syndroom opgelopen met pijn en drukpijn, maar geen cervicale bewegingsbeperking en geen ernstige en cognitieve functiestoornissen. (…) Betrokkene heeft thans nog altijd pijn links aan het achterhoofd, uitstralend langs de nek naar de linker schouder. Ze heeft last van de ogen en met name ziet ze bij veel licht rondom alle voorwerpen zwarte draaiingen. Betrokkene is duizelig bij veel licht of veel lawaai. Betrokkene kan minder goed lezen dan voor het ongeval. Ze is emotioneel labiel en prikkelbaarder sinds het ongeval. Ze slaapt slecht sinds het ongeval. Bij neurologisch onderzoek is er als enige bij-zonderheid drukpijn suboccipitaal en op de linker musculus trapezius. (…) Andere factoren spelen geen rol. De huidige klachten en afwijkingen zouden niet ontstaan zijn indien betrokkene het onderhavige ongeval niet overkomen was. (…) Er kan mijns inziens 2 jaar en 3 maanden na het ongeval gesproken worden van een eindtoe-stand. (…) Er is mijns inziens sprake van een blijvende invaliditeit. Het percentage blijvende functionele invaliditeit schat ik op 5% van de gehele mens. Dit percentage is gebaseerd op het gehele beeld en met name op pijn bij postwhiplashsyndroom. (…) Er is bij betrokkene sprake van een verminderde belastbaarheid van de nek en schoudergordel. Als gevolg hiervan kan betrokkene niet meer langdurig aaneengesloten voorovergebogen zit-tend of staand werk verrichten. Ook kan ze niet meer dan incidenteel boven het hoofd werken of zwaar tillen. Ze is beperkt wat betreft reiken, duwen, trekken en dragen en er is sprake van een verminderde vibratiebelasting. Ook kan betrokkene minder goed lezen of op een beeld-scherm kijken. Als gevolg van deze beperkingen zijn er geen specificieke beperkingen ten aanzien van de activiteiten in het algemeen dagelijks leven. Uiteraard wordt betrokkene be-lemmerd in haar werkzaamheden bestaande uit administratieve werkzaamheden. Betrokkene kan minder goed zwaar huishoudelijk werk verrichten. Als gevolg van de ongevalsgevolgen kan ze geen orgel meer spelen en niet meer borduren en ook geen golf meer spelen. Ze kan minder goed met de kinderen spelen. (…) i. Ter begroting van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen heeft het Ad-viesbureau Van Dalen & Van der Eijk B.V. (hierna Van Dalen & Van der Eijk te noemen) in opdracht van (de schaderegelaar van) H-B een onderzoek naar de ex-ploitatiemogelijkheden van de onderneming uitgevoerd en de bevindingen hiervan in een rapport d.d. 29 december 2000 weergegeven. In antwoord op de gestelde onderzoeksvragen vermeldt dit rapport onder meer het volgende: Mevrouw H-B verrichte voor het ongeval algemene administratieve werkzaamheden die voor-al bestonden uit het invoeren van boekhoudkundige gegevens in het boekhoudprogramma Cash. Zij deed dit in een BV waarvan zij zelf 50% van de aandelen hield (thans 49%). De eco-nomische waarde van haar arbeid is in beginsel gelijk aan de loonkosten die men in het eco-nomisch verkeer betaalt aan een administratief medewerker volgens de CAO. Rond 1996 be-droeg dit ongeveer ƒ 21,50 bruto per uur. (…) Mevrouw H-B zou zonder ongeval een netto salaris uit de onderneming genieten dat voor haar werkzaamheden en haar dienstverband van 75% uiteindelijk ongeveer ƒ 31.700,-- in het jaar 2000 zou bedragen. Daarnaast zou zij een aandeel van 49% in de winst van de BV hebben, wat bij uitkering van dividend zou leiden tot circa ƒ 8.000 netto per jaar. De jaarschade vanaf 2002 is ongeveer te begroten op ƒ 19.710 per jaar. In de jaren tussen het moment van het ongeval en 31 december 2001 zal de netto schade ongeveer te begroten zijn op ƒ 56.147. (…) j. Naast een bedrag ter vergoeding van de auto-schade heeft Noordhollandsche als voorschot onder algemene titel in totaal ƒ 16.000,-- aan H-B betaald. 3. De vordering 3.1 H-B vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Noordhollandsche zal veroordelen: 1. tot betaling van het bedrag groot ƒ 543.422,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 1997, subsidiair vanaf de dag dat de bewuste schade heeft voorgedaan, meer subsidiair vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der al-gehele voldoening; 2. met bepaling dat Noordhollandsche bij wijziging van het stelsel AAW/WAO/WAZ welke leidt tot vermindering of beëindiging van de op deze wet gebaseerde uitkering van H-B en ook bij een vermindering of beëindiging uit an-dere hoofde van de aan H-B toegekende uitkering aan H-B tot aan haar vijfenzes-tigste jaar maandelijks, althans per kwartaal, althans per een door de rechtbank vast te stellen termijn een zodanige betaling zal doen dat de negatieve gevolgen van deze stelselwijziging, althans deze vermindering of beëindiging voor H-B netto door Noordhollandsche zullen worden gecompenseerd; 3. met bepaling dat bij een eventuele wijziging van de dekking van de ziektekosten-verzekering, die leidt tot een eigen bijdrage of een eigen risico voor H-B of een buiten vergoeding laten van de kosten van fysiotherapeutische of medische behan-delingen in verband met ongevalsletsel, Noordhollandsche aan H-B jaarlijks een zodanige betaling zal doen, dat de negatieve gevolgen van deze wijziging voor H-B netto zullen worden gecompenseerd; 4. met de bepaling dat Noordhollandsche in geval de belastingdienst de bedragen of enig deel daarvan, welke door Noordhollandsche aan H-B worden betaald ter zake van verlies van arbeidsvermogen, inclusief de pensioenschade, zou belasten met inkomensbelasting en/of loon- en/of premieheffing, op eerste aanmaning van H-B aan Noordhollandsche zal vergoeden met de bevoegdheid van Noordhollandsche om op eigen kosten, op naam van H-B het standpunt van de belastingdienst tot in hoogste instantie in rechte te bestrijden; 5. tot betaling van de belasting- en pensioenschade, welke H-B ten gevolge van het onderhavige ongeval heeft geleden en zal lijden, en nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 6. in de kosten van deze procedure. 3.2 H-B legt aan deze vordering ten grondslag dat de aanrijding bij haar ernstig letsel heeft veroorzaakt. Blijkens de op verzoek van beide partijen opgemaakte rapportage van dr. Stenvers (hiervoor geciteerd onder 2.h.), zo stelt H-B, bestaat dit letsel uit een 'post whiplash syndroom', waarbij de blijvende invaliditeit op 5% van de gehele mens wordt geschat. In deze rapportage wordt verder gesteld dat deze klachten niet zouden zijn ontstaan indien H-B de huidige aanrijding niet was overkomen, zodat daarmee volgens H-B het causaal verband tussen beide is gegeven. 3.3 De gevorderde schadevergoeding bestaat in de eerste plaats uit arbeidsvermogens-schade. In dit verband stelt H-B dat zij als gevolg van het door de aanrijding opgelo-pen letsel arbeidsongeschikt is geworden. H-B is hierdoor niet in staat om haar admi-nistratieve werkzaamheden ten behoeve van de onderneming voort te zetten, terwijl ander werk binnen dit bedrijf niet voorhanden is. In het onder 2.i. genoemde rapport van Van Dalen & Van der Eijk is de netto arbeidsvermogensschade vanaf de datum van het ongeval tot en met 2001 op ƒ 56.147,-- becijferd. Uitgaande van een netto-schade van ƒ 19.710,-- per jaar wordt deze schadepost vanaf 2002 tot het vijfenzestig-ste levensjaar van H-B begroot op ƒ 295.671,68. Volgens H-B bedraagt haar totale ar-beidsvermogensschade - exclusief eventuele belasting- en pensioenschade - derhalve ƒ 351.818,68. 3.4 Verder maakt H-B aanspraak op schadevergoeding wegens verlies van zelfwerkzaam-heid. Daartoe voert H-B aan dat zij vanwege door het letsel veroorzaakte klachten niet langer in staat is om zwaardere werkzaamheden in het huishouden te verrichten. Of-schoon de Thuiszorg Zaanstreek/Waterland in een verklaring d.d. 7 mei 1998 de be-hoefte aan hulp bij huishoudelijke taken op 3 uur per week heeft gesteld stijgt deze behoefte hier inmiddels bovenuit, omdat de klachten van H-B in de loop van de tijd toenemen. In verband met financiële beperkingen, privacy binnen het gezin en de continuïteit voorziet de echtgenoot in de bedoelde hulp. Op basis van een commerci-eel uurtarief van ƒ 28,-- zijn de kosten van huishoudelijke hulp in de periode vanaf de aanrijding tot en met 2001 begroot op ƒ 24.150,--. Vanaf 2002 tot het vijfenzeventig-ste levensjaar van H-B worden deze kosten op ƒ 129.953,88 geraamd. In totaal be-draagt deze kostenpost derhalve ƒ 154.103,88. 3.5 De door het letsel veroorzaakte klachten en beperkingen rechtvaardigen volgens H-B voorts een immateriële schadevergoeding van ƒ 30.000,--. 3.6 H-B vordert tenslotte een bedrag van ƒ 7.500,-- aan diverse met het letsel samenhan-gende kosten. Dit betreft ƒ 1.772,-- aan kosten van een nieuwe bril, ƒ 1.801,28 in ver-band met de door haar beperkingen noodzakelijk geworden vervanging van de deur van de garagebox, reiskosten, telefoon-, porto- en kopieerkosten alsmede de kosten van pijnstillers en hoofdkussens. 4. Het verweer 4.1 Noordhollandsche betwist dat er bij H-B sprake is van het door haar gestelde letsel alsmede dat dit letsel door de aanrijding is veroorzaakt. In dit verband betoogt Noordhollandsche vooraleerst dat het aan de vordering ten grondslag gelegde rapport van dr. Stenvers geheel buiten haar om tot stand is gekomen. Naar de stelling van Noordhollandsche waren de schaderegelaars van partijen het er weliswaar over eens dat een medische expertise diende plaats te vinden, maar heeft de medisch adviseur aan de zijde van H-B vervolgens aan dr. Stenvers opdracht gegeven voor het door hem verrichte onderzoek zonder dat tussen partijen overeenstemming was bereikt over de persoon van de deskundige en zonder dat Noordhollandsche de deskundige vragen heeft kunnen stellen. Ook stelt Noordhollandsche dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van het medisch dossier waarop dit onderzoek is gebaseerd. Onder verwijzing naar EHRM 18 maart 1997, NJ 1998/278 ('Mantovanelli') heeft Noordhollandsche zich op het standpunt gesteld dat de bedoelde rapportage aldus in strijd met het in arti-kel 6 EVRM neergelegde beginsel van hoor en wederhoor tot stand is gekomen en om die reden niet toelaatbaar is. Ter onderbouwing van haar betwisting voert Noordhollandsche verder aan dat H-B reeds voorafgaand aan de aanrijding last had van nekklachten en dat de stelling dat zij hiervan (korte tijd) voor de aanrijding was hersteld niet met bewijsstukken is onderbouwd. 4.2 Voorts betwist Noordhollandsche de gestelde arbeidsvermogensschade door in de eerste plaats te bestrijden dat H-B haar werkzaamheden ten behoeve van het admini-stratiekantoor niet meer kan voortzetten. De aard en de omvang van de werkzaamhe-den die H-B ten tijde van de aanrijding stelt te hebben verricht worden in dit verband betwist. De onder 2.f. genoemde rapportage van het GAK dient in de visie van Noordhollandsche buiten beschouwing te worden gelaten omdat zij op de totstandko-ming daarvan geen invloed heeft kunnen uitoefenen. Ten aanzien van het rapport van Van Dalen & Van der Eijk B.V. geldt naar de mening van Noordhollandsche evenzeer dat dit rapport eenzijdig tot stand is gekomen en om die reden niet tot (doorslagge-vend) bewijs van de beweerde schade kan dienen. In dit rapport wordt, aldus Noordhollandsche, bovendien ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de scha-de van de BV en die van H-B. De BV - jegens welke er geen sprake is van onrecht-matig handelen - kan als werkgever van H-B immers haar schade verhalen voor zover deze binnen het toepassingsbereik van de ingevolge artikelen 6:107 en 6:107a BW toegekende verhaalsrechten valt. 4.3 Bij gebreke van een concrete onderbouwing betwist Noordhollandsche verder het bestaan en het causaal verband van de schade terzake verlies aan zelfwerkzaamheid, immateriële schade en diversen. Naar de mening van Noordhollandsche is de schade van H-B met betaling van de voorschotten volledig vergoed. Ook de vorderingen in-zake de stelselwijzing sociale zekerheid en wijzing van het pensioenstelsel dienen in de visie van Noordhollandsche te worden afgewezen omdat hiervoor geen grond be-staat. De gevorderde wettelijke rente kan tenslotte niet onverkort over alle toewijsbare posten worden toegewezen, aldus - nog steeds - Noordhollandsche. 5. Beoordeling van het geschil Ten aanzien van het gestelde letsel 5.1 Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of en zo ja welk letsel H-B ten gevolge van de aanrijding heeft opgelopen. 5.2 H-B heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vraag dient te worden beantwoord op basis van de onder 2.h. genoemde rapportage van dr. Stenvers omdat deze rapportage op verzoek van beide partijen zou zijn opgemaakt. Bij repliek heeft H-B bovendien betoogd dat deze rapportage Noordhollandsche bindt, omdat zij hier geen enkel in-houdelijk bezwaar tegen heeft gemaakt terwijl zij wel van het deskundigenonderzoek op de hoogte was. 5.3 H-B heeft hiermee onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat Noordhollandsche uit hoofde van enigerlei tussen partijen gesloten overeenkomst ge-houden is zich bij de conclusies van dr. Stenvers neer te leggen. Voor zover H-B heeft willen betogen dat aan de rapportage van dr. Stenvers een status moet worden toege-kend die vergelijkbaar is met die van een op de voet van artikel 221 (oud) e.v. Rv tot-standgekomen onafhankelijk deskundigenbericht, kan zij ook daarin niet worden ge-volgd. Daargelaten de omstreden vraag of de schadebehandelaars van partijen (aan-vankelijk) overeenstemming hadden bereikt over de persoon van de deskundige, staat als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat Noordhollandsche door dr. Sten-vers niet is betrokken bij het aan de rapportage d.d. 29 juni 1999 ten grondslag liggen-de onderzoek, terwijl artikel 223 lid 5 (oud) Rv bepaalt dat de deskundigen bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Dat de schadebehandelaar van H-B bij brief d.d. 3 juli 2000 aan Noordhollandsche de gelegenheid heeft geboden tot het stellen van nadere vragen aan dr. Stenvers maakt het vorenstaande niet anders, aangezien dr. Stenvers zijn onder-zoek op dat moment reeds had voltooid en zijn (definitieve) rapportage had opge-maakt. In aanmerking genomen dat dr. Stenvers H-B blijkens de rapportage op 18 juni 1999 heeft onderzocht, valt zonder een nadere toelichting bovendien niet in te zien waarom niet kon worden tegemoetgekomen aan het op 21 mei 1999 door Noordhollandsche telefonisch geuite bezwaar tegen dr. Stenvers, nu zij daarbij tevens heeft aangegeven dat zij wel kon instemmen met een onderzoek door de - eveneens door H-B voorgestelde - neuroloog dr. Vos. 5.4 De rapportage van dr. Stenvers dient derhalve, gelet op de totstandkoming daarvan, als een rapport van een eigen deskundige van H-B te worden aangemerkt. Ingevolge artikel 179 lid 1 (oud) Rv is H-B gerechtigd om een dergelijk bewijsstuk ter staving van haar stellingen in het geding te brengen, aan welk recht, anders dan Noordhollandsche lijkt te veronderstellen, het genoemde arrest EHRM van 18 maart 1997 niet afdoet. Dit arrest betreft een andere, hier niet aan de orde zijnde situatie, waarbij terzake een door een Frans gerecht bevolen onafhankelijk deskundigenrapport is geoordeeld dat sprake was van schending van artikel 6 EVRM. 5.5 Noordhollandsche heeft de bevindingen van dr. Stenvers voldoende gemotiveerd betwist, met name door er op te wijzen dat H-B reeds voor het ongeval last had van nekklachten en dat daaraan in de rapportage geen aandacht wordt besteed. Uit de rap-portage valt namelijk niet op te maken dat dr. Stenvers ermee bekend was dat H-B reeds voor de aanrijding last had van nekklachten. Op basis van de (summiere) rap-portage van het GAK d.d. 4 juni 1998 is het causaal verband tussen het letsel van H-B en de aanrijding evenmin aangetoond nu deze rapportage geacht moet worden te zijn opgemaakt voor een ander doel dan het vaststellen van de aansprakelijkheid voor het letsel van de verzekerde. Ter beslissing van het onder 5.1 genoemde geschilpunt acht de rechtbank daarom een deskundigenonderzoek noodzakelijk. 5.6 De rechtbank is voornemens aan de te benoemen deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.