Reg. nr: Awb 05 - 360 Uitspraakdatum: 3 maart 2005 RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht Voorzieningenrechter U I T S P R A A K (artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht) op een verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van: Stichting Multiple Choice, gevestigd te Beverwijk, verzoekster, gemachtigde: mr. G.A.M. van Atteveld, -- tegen -- Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 1 februari 2005, verzonden op 2 februari 2005, heeft verweerder geweigerd verzoekster subsidie te verlenen voor het jaar 2005 (januari tot en met december). Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 8 februari 2005 bezwaar gemaakt. Bij brief van 8 februari 2005 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 februari 2005, alwaar het bestuur van verzoekster zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn voorzitter, R.R. Reinhardt, penningmeester L.A. Glasgow, en secretaris A.L. Ingancio. Tevens is verschenen bovengenoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, mr.drs. B.G. van Empel. Voorts waren aanwezig [werknemer 1] en drs. [werknemer 2], beleidsmedewer-kers bij verweerder. Ter zitting van 23 februari 2005 is, desgevraagd, door de gemachtigde van verweerder aange-geven dat hij bereid is te overleggen in hoeverre aan de kant van verweerder nog ruimte zou zijn voor een laatste gesprek met verzoekster. Bij faxbericht van 23 februari 2005 heeft verweerder aangegeven dat hij geen vertrouwen meer heeft in een nader gesprek. Verzocht wordt om uitspraak te doen. Bij faxbericht van 25 februari 2005 is aan partijen medegedeeld dat het onderzoek in deze zaak is gesloten en dat uiterlijk 4 maart 2005 uitspraak zal worden gedaan. Na de sluiting van het onderzoek heeft verzoekster de voorlopige cijfers over 2004 ingezon-den. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzie-ningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard. 2.2. Verzoekster is een stichting die zich blijkens de akte van oprichting van 28 juni 1996 het algemene doel stelt binnen het kader van het minderhedenbeleid van de provincie Noord-Holland, een bijdrage te leveren aan de integratie, participatie en emancipatie van minderheden in de Nederlandse samenleving. Binnen de provincie worden naast verzoekster vier andere zogenaamde steunfuncties gesubsidieerd. 2.3. Aan verzoekster is in de voorafgaande jaren subsidie verstrekt op basis van artikel 4:23, derde lid sub c, Awb. De criteria voor het in aanmerking komen voor deze budgetsubsidie staan vermeld in de Algemene subsidieverordening Noord-Holland 1998 en in de Nota sociaal beleidskader 2005-2008 en het Uitvoeringsprogramma sociaal beleid 2005-2008. 2.4. In september 2003 heeft verweerder besloten bij de door hem gesubsidieerde steun-functies een audit (financieel en beleidsmatig onderzoek) te laten uitvoeren. Het eindrapport ‘evaluatie van de steunfuncties-instellingen Noord-Holland’is op 13 april 2004 met verzoekster besproken. Uit de audit is onder meer gebleken dat de financiële positie van verzoekster zorgwekkend is. In opdracht van verweerder heeft BDO Accountants & Adviseurs een financieel onderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van het onderzoek zijn per brief van 17 augustus 2004 aan verzoekster medegedeeld. In deze brief zijn nadere afspraken gemaakt, waaronder verbeteringen ten aanzien van de bedrijfsvoering en de boekhouding; per twee maanden moet een voortgangsrapportage worden opgesteld en deze dient ter bespreking aan verweerder te worden aangeboden. Voorts zullen de besluiten wat betreft de subsidiering in 2005 maandelijks worden genomen en niet jaarlijks. 2.5. Op 15 oktober 2004 heeft verweerder de eerste tweemaandelijkse voortgangsrapportage ontvangen. Verweerder is, ook nadat daarover een toelichting is gevraagd, van mening dat deze rapportage onvoldoende helder is om inzicht te kunnen bieden in de verbeteringen en/of verslechteringen in de situatie van verzoekster. 2.6. Op 8 november 2004 heeft verweerder het subsidieverzoek met een activiteitenbegroting voor 2005 ontvangen. Verweerder heeft hierin een discrepantie geconstateerd tussen de prognose 2005 van 14 oktober 2004 en de begroting 2005 van 5 november 2004. Verzoekster heeft - tot op heden - niet een door het bestuur definitieve geaccordeerde begroting 2005 in-gediend. 2.7. Een tweede tweemaandelijkse rapportage van 10 december 2004 is op 15 december 2004 door verweerder ontvangen. Verweerder is van mening dat deze rapportage onvoldoende inzicht biedt. Aanvullende gegevens zijn op 30 december 2004 ontvangen. 2.8. Op 17 december 2004 heeft tussen partijen een bestuurlijk overleg plaatsgevonden. In de uitnodiging voor dit gesprek heeft verweerder verzoekster erop gewezen dat onder meer een indringend gesprek zal plaatsvinden over de onzekere (financiële) situatie waarin verzoekster lijkt te verkeren. Bij dit overleg waren behalve het bestuur van verzoekster, met uit-zondering van haar voorzitter, en medewerkers van verweerder, ook mevr. R. Kruisinga, ge-deputeerde, aanwezig. Tevens was op verzoek van verzoekster dhr. [S.] aan-wezig, financieel adviseur. In dat gesprek is afgesproken dat verzoekster de jaarrekening vervroegd bij de provincie zal indienen. Deze zal geaccordeerd door het bestuur en inclusief de accountantsverklaring, uiterlijk 1 maart 2005 worden ingediend. Afsluitende conclusie is dat verzoekster zich bewust is van de ernst van de situatie en de volledige verantwoordelijkheid draagt. 2.9. Op 19 januari 2005 heeft verweerder een brief ontvangen van de registeraccountant Van der Laak, waarin hij vermeldt dat degene die namens het kantoor deelnam aan het ge-sprek op 17 december 2004 niet verbonden is aan zijn kantoor. Voorts heeft hij aangegeven dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de door verzoekster geschetste financiële situatie. Hij heeft met onmiddellijke ingang de opdracht tot accountantscontrole en overige dienstverlening aan verzoekster teruggegeven. Verweerder was inmiddels ook in het bezit gekomen van een brief van Van der Laak van 17 januari 2005 gericht aan verzoekster waarin hij de financiële situatie schetst, de opdracht teruggeeft en melding maakt dat hij aan de betreffende beroepsorganisatie, het NIVRA, zal voorleggen of de geconstateerde fraude in aanmerking komt voor melding bij het daarvoor bestemde meldpunt. 2.10. Mede naar aanleiding van deze brieven heeft verweerder op 25 januari 2005 een spoedoverleg gehouden waarbij partijen aanwezig waren.Verweerder heeft aangegeven dat hij geen vertrouwen meer in het bestuur heeft. Het voornemen is bekend gemaakt om het subsidieverzoek voor 2005 te weigeren, gevolgd door het thans bestreden besluit. 2.11. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.12. Ingevolge artikel 4:35, tweede lid, onder a, Awb kan de subsidieverlening in ieder ge-val worden geweigerd indien de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid. 2.13. Mede gelet op nadere toelichting van de kant van verweerder ter zitting berust de mo-tivering van het besluit om de subsidie op grond van de hierboven geciteerde bepaling te weigeren in de kern op de overwegingen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.