reg. nr: Awb 04 - 293 uitspraakdatum: 26 mei 2005 RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht meervoudige kamer U I T S P R A A K in de zaak van: Stichting De Hoeksteen, gevestigd te Haarlem, eiseres, gemachtigde: mr. Ch.Y. Moons, advocaat te Amsterdam, -- tegen -- het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder, gemachtigde: mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem, derde partijen gemeente Haarlem gemachtigde: mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 'MAB B.V.', gevestigd te Den Haag, gemachtigde: mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Haarlem. 1. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk BMA 2003/537, heeft verweerder aan de sector stedelijke ontwikkeling van de gemeente Haarlem (hierna: de gemeente Haarlem) vergunning verleend als bedoeld in artikel 11 Monumentenwet 1988 voor de sloop van de panden Raaks 14/Zijlvest 25a, plaatselijk bekend als HBS-A, en Jacobstraat 2, plaatselijk bekend als de voormalige Mulo en zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde gewaarmerkte tekening nr. 02082. Bij besluit van 13 augustus 2003, kenmerk BMA 2003/532, heeft het college aan de gemeente Haarlem vergunning verleend als bedoeld in artikel 11 Monumentenwet 1988 voor de gedeeltelijke sloop van de panden Oude Zijlvest 27/Gedempte Voldersgracht 2 (gelegen achter het pand plaatselijk bekend als HBS-B) zoals aangegeven op de bij het besluit gevoegde gewaarmerkte tekening nr. 02083. Bij besluit van 14 augustus 2003, 2003/0479/04, heeft verweerder aan de gemeente Haarlem vergunningen verleend als bedoeld in artikel 37 Monumentenwet 1988, artikel 36 Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing en artikel 8.1.1, eerste lid, Haarlemse Bouwverordening, voor het slopen van de panden Zijlvest 25a, plaatselijk bekend als HBS-A, Raaks 14, betreffende een woning, en Jacobstraat 2, plaatselijk bekend als de voormalige Mulo. Bij besluit van 14 augustus 2003, 2003/0478/04, heeft verweerder aan de gemeente Haarlem vergunningen verleend als bedoeld in artikel 37 Monumentenwet 1988, artikel 36 Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing en artikel 8.1.1, eerste lid, Haarlemse Bouwverordening, voor het slopen van de panden Oude Zijlvest 27 en de Gedempte Voldersgracht 2. Dit betreft het gedeeltelijk slopen van een school en het slopen van een woning, gymzaal en muur aan de Gedempte Voldersgracht 2. Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brieven van 11 september 2003 en 21 september 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 januari 2004, verzonden op 8 januari 2004, kenmerk CS/bo/03/1303/1304/1305/1306, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de besluiten van 13 augustus 2003, nr. BMA 2003/532 en nr. BMA 2003/537 in die zin gewijzigd dat: - de bepaling dat de vergunning niet in werking treedt totdat de bezwaartermijn is verstreken of, als daarvan sprake is, op het bezwaar of beroep beslist is; en - de bepaling dat het niet is toegestaan met de werkzaamheden te beginnen voordat positief is beslist op de in te dienen aanvraag voor de bouwvergunning, vervallen. De bestreden besluiten worden voor het overige gehandhaafd. Dit is in overeenstemming met het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 29 december 2003. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 februari 2004 beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 21 april 2005, alwaar namens Stichting De Hoeksteen is verschenen, M.J. Rietvink, vice-voorzitter. Namens verweerder, alsmede namens de gemeente Haarlem is verschenen mr. B.C. Romijn, gemachtigde. Namens de besloten vennootschap 'MAB B.V.' (hierna: MAB), mr. M.H.J. van Driel, gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1. De hier in geding zijnde panden liggen in een beschermd stadsgezicht. Aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) is verzocht om de panden aan te merken als beschermd monument op grond van de Monumentenwet 1988. Bij besluiten van 17 april 2003 heeft de Staatssecretaris de verzoeken afgewezen. Hiertegen zijn bezwaarschriften ingediend. De Staatssecretaris heeft nog geen beslissing op de bezwaren genomen. Door deze omstandigheden zijn voor het slopen van deze panden bij besluiten van 13 augustus 2003 en 14 augustus 2003, vergunningen verleend op grond van het bepaalde in: artikel 36 van de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing (WSDV); artikel 37 van de Monumentenwet 1988; artikel 11 van de Monumentenwet 1988; artikel 8.1.1, eerste lid, Haarlemse bouwverordening (HBV). 2.2. De sloopvergunningen zijn nodig voor het realiseren van het zogenaamde Raaksproject. Dit project houdt in grote lijnen in dat de voormalige HBS-B aan de Oude Zijlvest verbouwd wordt tot appartementen, aan de Gedempte Voldersgracht nieuwbouw komt - te weten appartementen - en ondergrondse parkeergelegenheid gerealiseerd wordt (één openbare parkeergelegenheid en één parkeergelegenheid ten behoeve van de bewoners van de nieuw te bouwen appartementen). Daarnaast zijn er plannen om een bioscoop te bouwen. 2.3. Bij de bestreden besluiten is vergunning verleend voor de sloop van de volgende panden: de voormalige HBS-A, de voormalige Mulo, de binnenzijde en een deel van de voormalige HBS-B, de woning, muur en gymzaal achter de voormalige HBS-B. 2.4. De rechtbank stelt vast dat de woning, muur en gymzaal achter de voormalige HBS-B reeds zijn gesloopt. Het object van het beroep is hiermee weggevallen. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dan ook dat eiseres ten aanzien hiervan geen procesbelang meer heeft. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een processueel belang van eiseres bij de behandeling van het beroep voor zover het betrekking heeft op voornoemde panden. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres dan ook niet-ontvankelijk voor zover dit beroep betrekking heeft op de sloopvergunningen afgegeven voor de woning, muur en gymzaal achter de voormalige HBS-B. Voor zover het beroep de sloop van de overige panden betreft, overweegt de rechtbank als volgt. 2.5. Eiseres betoogt dat de bestreden sloopvergunningen ten onrechte zijn verleend. Het beroep van eiseres strekt ertoe te voorkomen dat er een onomkeerbare situatie ontstaat. Zo een situatie moet worden voorkomen, omdat de toekomstige planologische situatie immers nog niet is uitgekristaliseerd, aangezien het uitwerkingsplan nog niet voor alle plandelen onherroepelijk is alsook gelet op de onzekerheid over de feitelijke invulling van het terrein waarop de te slopen panden zijn gesitueerd, aldus eiseres. 2.6. Ten aanzien van de sloopvergunningen van 14 augustus 2003. Deze sloopvergunningen zijn verleend op grond van artikel 36 van de WSDV, artikel 37 van de Monumentenwet 1988 en artikel 8.1.1., eerste lid, HBV. 2.7. In artikel 36 WSDV is het volgende bepaald: In het gebied, dat is begrepen in een stadsvernieuwingsplan is het verboden te slopen zonder vergunning van burgemeester en wethouders. De artikelen 20-28 zijn van overeenkomstige toepassing. 2.8. In artikel 37 Monumentenwet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald 1. In beschermd stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). 3. De artikelen 21 tot en met 23 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing zijn van toepassing. 2.9. Gelet op artikel 36 WSDV en artikel 37 Monumentenwet en de daarin van toepassing verklaard artikelen uit de WSDV, zijn met name de artikelen 21 en 22 WSDV in de onderhavige procedure van belang. In artikel 21 WSDV is het volgende bepaald: 1. De sloopvergunning mag worden geweigerd, indien bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, doch deze vergunning nog niet is aangevraagd. 2. De sloopvergunning moet worden geweigerd, indien vergunning voor het slopen van het bouwwerk ingevolge de Monumentenwet 1988, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze vergunning niet is verleend. Artikel 22 WSDV luidt als volgt: 1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om sloopvergunning binnen twaalf weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. De artikelen 46, vierde tot en met zevende lid, en 47 van de Woningwet zijn van overeenkomstige toepassing. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders de beslissing aanhouden, indien voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk bouwvergunning is aangevraagd, doch op de aanvrage nog niet is beslist. 3. De aanhouding duurt totdat onherroepelijk op de aanvrage om bouwvergunning, bedoeld in het tweede lid, is beslist. 2.10. De rechtbank stelt allereerst vast dat de imperatieve weigeringsgrond van artikel 21, tweede lid, WSDV, niet aanwezig is nu verweerder bij besluiten van 13 augustus 2003 de benodigde vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 heeft verleend, en voor het slopen geen vergunning op grond van een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist. 2.11. De rechtbank onderscheidt bij de verdere toetsing de volgende gebouwen: a. de voormalige HBS-A en de voormalige Mulo, b. de voormalige HBS-B, woning, gymzaal en muur. 2.12. Ten aanzien van de vervangende bouw van de onder a. genoemde panden zijn nog geen bouwvergunningen aangevraagd. Dit betekent dat voor dit onderdeel geen aanhoudingsbevoegdheid als opgenomen in artikel 22, tweede lid, WSDV, bestond. De rechtbank beperkt zich dan ook tot de vraag of verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de betreffende sloopvergunning te weigeren. 2.13. Verweerder heeft aangegeven van deze weigeringsbevoegdheid geen gebruik te hebben gemaakt gelet op de omvang van het project en de daarmee samenhangende planning, waarin onder meer is begrepen de sanering van de grond. Weigering van de sloopvergunning totdat alle bouwvergunningen zouden zijn aangevraagd zou de voortgang van het project te zeer blokkeren. 2.14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de weigeringsbevoegdheid nu geenszins vaststaat dat de benodigde bouwvergunningen ook daadwerkelijk kunnen worden verleend. Zij voert daartoe aan dat reëel moet worden geacht dat voornoemde panden een monumentaal karakter hebben. Zij verwijst hiervoor naar de nog lopende procedures ten aanzien van de aanwijzing van de panden als rijksmonument en als gemeentelijk monument. Waarbij in het kader van de aanwijzing als gemeentelijk monument tevens een positief advies van de commissie Welstand en Monumenten van de gemeente Haarlem van 7 september 2004 is afgegeven. Voorts voert eiseres aan dat het planologisch kader nog geenszins vaststaat nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (registratienummer LJN AS3197 op www.rechtspraak.nl), in diens uitspraak van 19 januari 2005, het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ten aanzien van het uitwerkingsplan 'Raaks', gedeeltelijk heeft vernietigd en voorts gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden aan voornoemd uitwerkingsplan. Bovendien is nog onduidelijk welke invulling zal worden gegeven aan het Raaksproject. Tevens voert eiseres aan dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen, Staatsblad 2004, 250 (hierna: BEVI), gelet op de aanwezigheid van een LPG-tankstation aan de Leidsevaart, aanzienlijke beperkingen oplegt ten aanzien van de realisatie van het Raaksproject. Eiseres stelt dat gelet hierop geenszins vaststaat dat de benodigde bouwvergunningen ook daadwerkelijk zullen kunnen worden verleend. 2.15. De rechtbank overweegt dat artikel 21, eerste lid, WSDV - in tegenstelling tot artikel 21, tweede lid, WSDV - geen gesloten systeem is. Verweerder is bevoegd sloopvergunningen te weigeren. Het is aan verweerder om ten aanzien hiervan alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechtbank overweegt dat de belangen bij voornoemde bevoegdheid een sloopvergunning te weigeren, kunnen zijn gelegen in de bescherming van een beschermenswaardig object alsmede in de voorkoming van kaalslag en langdurige leegstand. Voor zover eiseres een beroep doet op het feit dat het uitwerkingsplan nog niet onherroepelijk is stelt de rechtbank vast dat de gebreken op grond waarvan het goedkeuringsbesluit ten aanzien van het uitwerkingsplan bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2005 (registratienummer LJN AS3197 op www.rechtspraak.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.