beschikking RECHTBANK HAARLEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 120835 / 06.53 Beschikking van 7 februari 2006 in de zaak van M. K. K. B., wonende te [woonplaats], verzoeker, procureur mr. M. P.D. de Mönnik te Haarlem, advocaat mr. U.J. van der Veldt te Amsterdam, -- tegen -- Mr. L.J. VAN APELDOORN in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van M. K. K. B., kantoorhoudende te Haarlem, gerekestreerde. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als B. respectievelijk Van Apeldoorn. 1. De loop van de procedure Voor de loop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken: ? het op 12 januari 2006 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift ex artikel 382 e.v. Rv; ? het op 27 januari 2006 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verweerschrift. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het dossier van de surseance van betaling alsmede het faillissementsdossier van B.. Ter terechtzitting van 31 januari 2006 zijn partijen gehoord. Het proces-verbaal van dit verhoor dient als hier ingevoegd te worden beschouwd. 2. De vaststaande feiten Bij beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 28 november 2000 is aan B. voorlopig surseance van betaling verleend. Bij beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 20 februari 2001, ingaande 28 november 2000, is voor de tijd van anderhalf jaar definitief surseance verleend, welke op 3 september 2002, ingaande 28 mei 2002, is verlengd met een half jaar. Bij verzoekschrift van 13 november 2002 heeft Van Apeldoorn de rechtbank, met verwijzing naar artikel 242 lid 1 onder 5 Fw, verzocht de definitieve surseance van betaling van B. in te trekken onder gelijktijdige uitspraak van zijn faillissement. Op 19 november 2002 heeft de behandeling van dit verzoek plaatsgevonden. Bij beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 26 november 2002 is voormeld verzoek toegewezen. Hiertegen heeft B. geen rechtsmiddel ingesteld. Bij vonnis van de rechtbank Haarlem d.d. 28 september 2004 is het verzoek van B. tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. 3. Het verzoek B. verzoekt herroeping van de beschikking van 26 november 2002, waarbij de aan hem verleende definitieve surseance van betaling werd opgeheven met gelijktijdig uitspreken van zijn faillissement. B. legt aan dit verzoek ten grondslag dat Van Apeldoorn heeft verzwegen dat B. de mogelijkheid had om een verzoek te doen als bedoeld in artikel 247a Fw, strekkende tot intrekking van de hem voorlopig verleende surseance onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Eerst op 14 oktober 2005 is hij bekend geworden met deze grond voor herroeping. Bij de behandeling van het verzoek van Van Apeldoorn strekkende tot opheffing van de surseance onder gelijktijdige faillietverklaring van B. zou de rechtbank tot een andere beslissing zijn gekomen, ware zij op de hoogte geweest van dit verzuim van Van Apeldoorn. De verzwijging van Van Apeldoorn kan worden gezien als een gedraging als bedoeld in artikel 382 aanhef en sub a Rv, aldus verzoeker. 4. Het verweer Van Apeldoorn stelt dat zich geen feiten hebben voorgedaan die herroeping ex artikel 382 e.v. Rv van de beschikking van 26 november 2002 rechtvaardigen en concludeert tot afwijzing van het verzoek. 5. Beoordeling Artikel 382 Rv bepaalt dat een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij kan worden herroepen indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.