ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9693
vonnis RECHTBANK HAARLEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 135651 / KG ZA 07-265 Vonnis in kort geding van 6 juli 2007 in de zaak van [EISERES], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], eiseres, procureur mr. E.A.J. Verschuur-van der Voort, tegen [GEDAAGDE], wonende te [woonplaats], gedaagde, procureur mr. F.W. Huizinga.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2.2. Op het inleidend verzoek van de man tot wijziging om de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen, is bij beschikking van 23 maart 2004 van de rechtbank Haarlem, onder wijziging van de beschikking van 5 september 2002, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 2003 bepaald op EUR 2.200,00 per maand. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 16 december 2004 de beschikking van de rechtbank Haarlem van 23 maart 2004 vernietigd en het verzoek van de man alsnog afgewezen.
2.3. De beschikking van 5 september 2002 is op 21 oktober 2003, en nogmaals op 4 december 2006, aan de man betekend.
2.4. Vanaf augustus 2003 heeft de man geen alimentatie meer aan de vrouw betaald.
2.5. De vrouw heeft nadien de volgende incassomaatregelen getroffen:
2.6. De onder 2.5 vermelde incassomaatregelen hebben niet geleid tot voldoening van de vordering wegens niet betaalde alimentatie met uitzondering van de gevorderde verdeling, welke na het vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 juli 2006 heeft geleid tot een eenmalige betaling door de man van een bedrag van EUR 62.605,05.
2.7. De man is directeur/grootaandeelhouder van Torsa Engineering Group B.V. alsmede van Architecten- en Ingenieursbureau Zonderhuis B.V.
3.2. De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de man zijn alimentatieverplichtingen die hij uit hoofde van de beschikking van 5 september 2002 aan de vrouw dient te voldoen, niet nakomt. De vrouw heeft tevergeefs getracht de alimentatiebedragen te incasseren, maar alle verhaalsmogelijkheden zijn door de man gefrustreerd. De vrouw stelt dat geen rechtvaardiging bestaat voor het niet betalen door de man aangezien hij nog actief is als bestuurder van diverse vennootschappen en zij het niet voorstelbaar acht dat de man daaruit geen inkomen ontvangt. Voorts houdt de man, aldus de vrouw, er een leefwijze op na die een behoorlijk inkomen vergt. Uit de reeds eerder tussen partijen gevoerde procedures is de vrouw bekend dat het inkomen dan wel het vermogen van de huidige partner van de man van dusdanige aard is dat het voor de partner niet mogelijk kan zijn al die uitgaven te bekostigen, aldus de vrouw. De vrouw stelt derhalve dat duidelijk sprake is van betalingsonwil aan de kant van de man. De reserves van de vrouw zijn uitgeput zodat zij de alimentatie ook nodig heeft. De vrouw stelt dat het enig werkende middel om de man tot betaling van de vastgestelde bijdrage te bewegen, op dit moment de toepassing van lijfsdwang is.
3.3. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.2. Ten aanzien van de gevorderde lijfsdwang overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Lijfsdwang is een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid ontnomen wordt. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, tenzij de man aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan de beschikking van 5 september 2002 te voldoen.
4.3. Het verweer van de man luidt dat sprake is van betalingsonmacht. Daartoe voert de man aan dat hij thans in het geen geheel geen vermogen meer heeft en dat hij ook niet beschikt over enige vorm van inkomen. De aandelen van de beide vennootschappen waar hij thans nog directeur/grootaandeehouder van is hebben geen waarde, aldus de man. Naar eigen zeggen voert de man op free-lancebasis werkzaamheden uit teneinde zijn inkomen bij elkaar te sprokkelen. Voorts stelt de man dat hij reeds ten tijde van het huwelijk een rekening-courantschuld heeft opgebouwd bij zijn onderneming als gevolg waarvan zijn inkomen voor een aanzienlijk gedeelte is aangewend om de rekening-courantschuld af te lossen. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de man een brief overgelegd van zijn accountant met daarin een opgave van het belastbaar inkomen voor 2004 tot en met 2006.
4.4. Ten aanzien van het verweer van de man overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De betalingsonmacht van de man is met geen enkel stuk onderbouwd, behalve de hiervoor genoemde brief van zijn accountant. Nog afgezien van de eigen stelling van de man dat deze brief een fictieve vermogensopstelling bevat die om fiscale redenen aldus is opgesteld, valt een bevestiging van het mogelijk bestaan van betalingsonmacht uit die brief geenszins af te leiden. De door de man in het geding gebrachte productie is in dat opzicht volstrekt onvoldoende. Voor het overige heeft de man zich beperkt tot blote beweringen die erop neerkomen dat hij niet aan zijn onderhoudsverplichting kan voldoen. Niet duidelijk is geworden waar de man van heeft geleefd. Voorts heeft hij de betwisting van de stelling van de vrouw dat hij met opzet verhaalsmogelijkheden illusoir maakt, op geen enkele wijze onderbouwd. De stelling van de man dat aan de zijde van de vrouw geen sprake is van behoeftigheid is evenmin op enige wijze onderbouwd.
4.5. Nu gebleken is dat de man niet vrijwillig aan de beschikking van 5 september 2002 zal voldoen alsmede niet aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht en voorts aannemelijk is dat er geen vermogensbestanddelen door de vrouw kunnen worden getraceerd waarop zij zich kan verhalen, vormt gijzeling nog het enige executiemiddel dat de vrouw ten dienste staat.
Gelet op het hiervoor overwogene bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval voldoende aanleiding om aan de tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde beschikking van 5 september 2002 het dwangmiddel van lijfsdwang te verbinden.
4.6. In overeenstemming met de wettelijke bepalingen omtrent lijfsdwang in zaken betreffende levensonderhoud zal de vrouw daarom als hierna vermeld verlof worden verleend tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 5 september 2002 door middel van lijfsdwang met bepaling van het bedrag door betaling waarvan en de voorwaarde waaronder de man tenuitvoerlegging van de lijfsdwang kan voorkomen.
4.7. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om, hoewel partijen voormalige echtegenoten zijn, te bepalen dat de man als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure zal dienen te dragen.
4.8. De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar