RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 05/2642 Uitspraakdatum: 18 juni 2007 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X, wonende te Y, eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 9 december 2004 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: navorderingsaanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 258.711. Bij beschikking van gelijke datum is aan eiser een vergrijpboete van ? 55.935 opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 juni 2005 de navorderingsaanslag verminderd door over een deel van het belastbaar inkomen, groot ? 196.962, het bijzonder tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) toe te passen. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de vergrijpboete verminderd tot ? 24.619. Eiser heeft daartegen bij brief van 23 juni 2005, ontvangen bij de rechtbank op 24 juni 2005, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2006 te Haarlem. Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde drs. B. Namens verweerder is verschenen mr. C. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Eiser en zijn echtgenote D zijn beiden directeur en aandeelhouder van [reisbureau] E B.V. (hierna: E), gevestigd aan de a-straat 127 te Y. Op 30 december 1998 heeft E een bedrijfspand aan eiser en zijn echtgenote overgedragen. De verkoopprijs van ƒ 230.100 bleven eiser en zijn echtgenote schuldig. 2.2. De aangifte vennootschapsbelasting van E over het boekjaar 1997/1998 is ondertekend op 30 december 2000 en door verweerder ontvangen op 9 januari 2001. Bij vraag 28 van de Opgaaf bij de aangifte is onder het kopje "Aan dividendbelasting onderworpen winstuitdelingen" een bedrag van ? 196.960 ingevuld. In kolom 7 van Specificatie 3 bij de aangifte is op de eerste regel onder het kopje "Dividend onderworpen aan dividendbelasting en datum betaalbaarstelling" ingevuld "? 196.962 1999". Daaronder is vermeld: "N.B. Mutaties verwerkt in jaarrekening 1997/1998. Geëffectueerd 30-12-1998". 2.3. Eiser heeft voor het jaar 1999 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) gedaan naar een belastbaar inkomen van ? 63.759. De aangifte is ondertekend op 27 maart 2001 en door verweerder ontvangen op 2 april 2001. Bij de aangifte heeft eiser de jaarstukken van E over het boekjaar 1997/1998 gevoegd. In deze jaarstukken is op pagina 10 een dividenduitkering van ? 196.962 vermeld. In het "Overzicht van de rekening-courant X / D" op pagina 15 van de jaarstukken is deze dividenduitkering van ? 196.962 eveneens vermeld. 2.4. Eiser heeft het bedrag van ƒ 196.962 noch in zijn aangifte IB/PVV over 1999 vermeld, noch in een aangifte IB/PVV over enig ander jaar. 2.5. E heeft geen dividendbelasting over het bedrag van ? 196.962 ingehouden en afgedragen. 3. Geschil en standpunten van partijen 3.1. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte heeft opgelegd. Voorts is in geschil of daarbij terecht een vergrijpboete is opgelegd. 3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag en boetebeschikking. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat het belastbare feit zich niet in 1999, maar in 1997 heeft voorgedaan. Subsidiair voert eiser aan dat er geen sprake is van een nieuw feit dat het opleggen van een navorderingsaanslag rechtvaardigt, nu verweerder reeds voor het opleggen van de aanslag van de dividenduitkering op de hoogte was. Voor het opleggen van een boete is dan ook geen plaats, aldus eiser. 3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Verweerder voert daartoe - zakelijk en samengevat weergegeven - aan dat blijkens de vermelding in de aangifte vennootschapsbelasting van E over het boekjaar 1997/1998 aan eiser in 1999 ? 196.962 dividend is betaald. Nu eiser ter zake van dit feit te kwader trouw is, is terecht en op goede gronden een navorderingsaanslag over 1999 opgelegd. Verweerder stelt zich ten aanzien van de opgelegde boete primair op het standpunt dat aan de zijde van eiser ten minste sprake is van voorwaardelijk opzet, waardoor een boete van 50% gerechtvaardigd is. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zodanig lichtvaardig heeft gehandeld dat dit handelen moet worden gekwalificeerd als grove schuld. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Verweerder heeft als nieuw feit aan de navorderingsaanslag ten grondslag gelegd dat E in 1999 dividend heeft uitgekeerd aan eiser, welke dividenduitkering eiser niet in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1999 heeft opgenomen. Eiser bestrijdt dat de dividenduitkering in 1999 is gedaan, en stelt dat deze reeds in 1997 is gedaan. 4.2. Ingevolge artikel 20h in verbinding met artikel 33 van de Wet IB 1964, worden reguliere voordelen beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.