RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/12243 Uitspraakdatum: 19 september 2007 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen N.V. X, gevestigd te Y, eiseres, gemachtigde: mr. A, en de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, verweerder, gemachtigde: mr. B. 1.Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 met dagtekening 31 augustus 2005 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 2.338.583,26. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2006 de aanslag verminderd tot € 1.238.420,00. Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 november 2006, ontvangen bij de rechtbank op 28 november 2006, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 1 februari 2007. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2007 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde voornoemd, C (medewerker van de afdeling juridische zaken van eiseres) en D. Namens verweerder is verschenen voornoemde gemachtigde. 2.Tussen partijen vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Op 26 mei 1992 hebben de gemeenten Haarlem, E, F en G en het door die gemeenten beheerste openbare lichaam H gezamenlijk de naamloze vennootschap I N.V. opgericht. Het waterleidingbedrijf van genoemd lichaam werd in deze vennootschap ondergebracht. De aandelen van I N.V. werden gehouden door de genoemde gemeenten. Bij gelegenheid van de oprichting is tussen de desbetreffende partijen een aandeelhoudersconvenant opgesteld. Daarvan maakt een artikel 4 onderdeel uit. 2.2. Op 1 juli 1996 hebben de genoemde gemeenten hun aandelen in I N.V. verkocht en overgedragen aan eiseres. In de desbetreffende koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) zijn - voor zover van belang - de artikelen 8, 10, 13 en 18 opgenomen. De inhoud van artikel 10 is - afgezien van een klein, hier niet ter zake doend, tekstueel verschil - gelijkluidend aan de inhoud van artikel 4 van het aandeelhoudersconvenant. I N.V. wordt in het hiernavolgende aangeduid als “de Vennootschap”. De artikelen 8, 10, en 13 luiden – voor zover van belang – als volgt: “Artikel 8 Afstand van recht 8.1 Verkopers doen hierbij, voorzover nodig, ten behoeve van de Vennootschap afstand van alle eigendoms- en andere zakelijke rechten welke zij als grondeigenaar zouden kunnen doen gelden op in de grond van Verkopers aangebrachte of aan te brengen buizen, kabels, leidingen en andere voorzieningen die een functie hebben voor de bedrijfsvoering van de Vennootschap en zullen desgevraagd hun medewerking verlenen aan de overdracht daarvan op naam van Koper of de Vennootschap. 8.2 Verkopers verlenen hierbij machtiging aan Koper om, indien en wanneer Koper zulks verzoekt, alle inschrijvingen in de openbare registers te laten wijzigen overeenkomstig de (rechts)toestand ontstaan na het plaatsvinden van de overgang van de Gemeenschappelijke Regeling Waterleidingbedrijf Zuid Kennemerland in de Vennootschap 1 juli 1992. Verkopers verplichten zich, op eerste verzoek van Koper, hiertoe alle mogelijke medewerking te verlenen. 8.3 De kosten gemoeid met de uitvoering van het in lid 1 en lid 2 bepaalde komen ten laste van Koper. Artikel 10 Gemeentelijke heffingen 10.1 Iedere Gemeente zal aan de Vennootschap vergunningen verlenen voor het gebruik maken van eigendommen, toebehorende aan de betreffende Gemeente danwel van eigendommen van anderen, welke een openbare bestemming hebben en waarvoor de Gemeente op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift gelijke vergunning dient te verlenen, zulks voor het in eigendom hebben, alsmede voor het (doen) leggen, onderhouden, in stand houden, verleggen, vervangen of verwijderen van kabels, leidingen en winningsmiddelen met bijbehorende voorzieningen. 10.2 De Gemeenten verbinden zich hiervoor geen recognities en dergelijke in rekening te brengen aan de Vennootschap. Indien zij daartoe echter wel wettelijk verplicht mochten zijn of worden, verbinden de Gemeenten zich de recognities zo spoedig mogelijk aan de Vennootschap te restitueren. Artikel 13 Waterleidingwerken 13.1 De Vennootschap is gerechtigd om in de wegen, straten, pleinen, wateren en andere onroerende zaken, toebehorende aan of staande onder het beheer van een van de Gemeenten (...) daarin aanwezige waterleidingwerken te hebben, te onderhouden, te vernieuwen en uit te breiden en de daarin door de Vennootschap respectievelijk Koper noodzakelijk geachte nieuwe waterleidingwerken aan te leggen, te hebben en te onderhouden. (...) 13.5 Voorts zullen de Gemeenten en de Vennootschap elkaar tijdig en zonder kosten informeren over voorgenomen aktiviteiten, die van invloed zijn op elkaars taken. Indien hierbij meerdere partijen casu quo nutsbedrijven zijn betrokken zal de betreffende gemeente als coördinator optreden.” 2.3. Krachtens fusie met I N.V. is eiseres in 1997 in de rechten van die vennootschap getreden, waardoor zij de uit de koopovereenkomst voortvloeiende rechten rechtstreeks jegens de betreffende gemeenten geldend kan maken. 2.4. Op 5 maart 2004 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan op het beroep van eiseres tegen 22 door verweerder aan eiseres opgelegde legesheffingen voor het in behandeling nemen van 22 vergunningaanvragen voor het openbreken van en spitten in de aan de gemeente Haarlem in eigendom toebehorende wegen met een openbare bestemming. In deze uitspraak is - voor zover van belang - het volgende overwogen: “5.2. Belanghebbende heeft zich beroepen op vrijstelling van legesheffing, verwijzend naar artikel 10 van de koopovereenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of die bepaling aan de heffing van leges in de weg staat, dient aanknoping te worden gezocht bij de tekst ervan. De tekst van het eerste lid van het artikel leidt tot het oordeel dat het mede betrekking heeft op de werkzaamheden ter zake waarvan belanghebbende de in het geding zijnde vergunningaanvragen heeft ingediend. Het gaat bij elk van die aanvragen immers om het gebruik door belanghebbende van eigendommen van de gemeente Haarlem met een openbare bestemming (...) waarvoor de gemeente Haarlem op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift (...) vergunning dient te verlenen, zulks voor het door belanghebbende (doen) leggen, onderhouden, in stand houden, verleggen, vervangen of verwijderen van kabels en leidingen. 5.3. Dat de desbetreffende werkzaamheden onder de werking van het eerste lid van artikel 10 vallen, volgt voorts uit het feit dat het artikel blijkens het gebruik van de woorden ‘waarvoor de gemeente op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift vergunning dient te verlenen’ aan het desbetreffende publiekrechtelijke voorschrift geen nadere eisen stelt naar aard en strekking. 5.4. Het tweede lid van artikel 10 bepaalt dat ‘hiervoor’ geen gemeentelijke heffingen gelden, dan wel dat deze worden gerestitueerd. Anders dan verweerder betoogt, kan de tekst van het tweede lid niet anders worden verstaan dan dat met ‘hiervoor’ niet alleen wordt bedoeld ‘voor het gebruik van de gemeentelijke eigendommen’, zoals in het eerste lid omschreven, doch tevens ‘voor de publiekrechtelijke vergunningverlening in verband met dat gebruik’. Het zwaartepunt van hetgeen door het eerste lid wordt geregeld, is immers gelegen in de kwestie van die vergunningverlening. Zulks strookt bovendien met het opschrift van artikel 10 (‘gemeentelijke heffingen’) en met de woorden van het tweede lid ‘geen recognities en dergelijke', welke begrippen telkens in het algemeen zijn gesteld en bepaalde heffingen, zoals leges, niet uitzonderen.” 2.5. Met ingang van 1 januari 2005 geldt in de gemeente Haarlem de Verordening precariobelasting (hierna: de Verordening), vastgesteld bij raadsbesluit van 12 november 2004 en gepubliceerd in de Stadskrant van 16 december 2004. De Verordening is gewijzigd bij raadsbesluit van 20 april 2005, gepubliceerd in de Stadskrant van 28 april 2005. De Verordening luidt - voor zover van belang - als volgt: “Artikel 2: belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven van ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening of de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3: belastingplicht 1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel ten behoeve van wie de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn (...)” 3.Geschil 3.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag precariobelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. 3.2. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte een aanslag precariobelasting heeft opgelegd. Ter onderbouwing van dit standpunt brengt eiseres naar voren dat artikel 10 van de koopovereenkomst in de weg staat aan het heffen van precario. Dit artikel sluit heffingen in verband met het gebruik van gemeentegrond immers uit. Dit blijkt niet alleen uit de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2004, maar ook uit het feit dat verweerder niet eerder precariobelasting van eiseres heeft geheven, aldus eiseres. Bovendien is er sprake van een gedoogplicht op grond van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.