RECHTBANK HAARLEM Sector kanton Locatie Haarlem zaak/rolnr. 348690/AL VERZ 07-2232 datum uitspraak: 25 januari 2008 BESCHIKKING VAN DE KANTONRECHTER inzake [verzoekster] wonende te [woonplaats] verzoekster hierna te noemen: [verzoekster] gemachtigde: mr. S.J. Bruins Slot tegen 1. [verweerder 1] 2. [verweerder 2] 3. de stichting Stichting De Olmenhorst wonende/gevestigd te Lisserbroek verweerders hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] en afzonderlijk: [verweerder 1], [verweerder 2] en de Stichting gemachtigde: mr. R.W. Karskens De procedure Op 31 mei 2007 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van [verzoekster]. [verweerders] hebben een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2007. Partijen hebben hun standpunten op de zitting nader toegelicht. Hiervan heeft de griffier aantekening gehouden. De gemachtigde van [verzoekster] heeft zich bediend van een pleitnota. Op 10 oktober 2007 heeft een descente plaatsgevonden. De griffier heeft een proces-verbaal van de descente opgemaakt. Door beide partijen zijn producties in het geding gebracht. De uitspraak is (nader) bepaald op vandaag. De feiten a. [verzoekster] is beeldend kunstenares. Zij houdt zich onder meer bezig met het in opdracht van derden vervaardigen van beelden, vazen, schalen en andere (kunst)objecten van brons, keramiek, aardewerk en glas. Ook geeft zij workshops en onderwijs op haar vakgebied. b. [verzoekster] oefent haar beroep al meer dan 20 jaar uit in door haar (tot omstreeks 1994 samen met haar ex-echtgenoot [XXX]) gehuurde onroerende zaken die zich bevinden op landgoed De Olmenhorst in Lisserbroek (hierna: De Olmenhorst). c. [verzoekster] en [XXX] zijn de huur aangegaan om daarin een pottenbakkerij en bronsgieterij te vestigen. De huurovereenkomst is nooit op schrift gesteld. d. Het gehuurde bestaat uit: - een zolderruimte op de eerste verdieping met toegangsruimte op de begane grond in het hoofdgebouw van De Olmenhorst en - een op circa 500 meter van het hoofdgebouw gelegen perceel grond van ± 100m². e. Op die grond hebben [verzoekster] en [XXX] met toestemming van de verhuurder (destijds de heer [YYY], eigenaar van het landgoed en de vader van [verweerder 2] en [verweerder 1]) een ovenschuur gebouwd, waarin zij ovens en apparatuur hebben geplaatst voor de verwerking van brons, aardewerk en glas. f. Omstreeks 1985 heeft de heer [YYY] de Stichting opgericht en nadien het beheer van De Olmenhorst bij de Stichting ondergebracht. De heer [YYY] is overleden in 1989 en zijn echtgenote in 2002. g. [verweerders] hebben [verzoekster] in 2003 laten weten de huur (op termijn) te willen (gaan) beëindigen. h. In het kader van de scheiding en deling van de nalatenschap van de heer en mevrouw [YYY] is de eigendom van De Olmenhorst bij notariële akte van 28 december 2006 overgegaan op hun zoons [verweerder 2] en [verweerder 1], in dier voege dat [verweerder 2] eigenaar is geworden van (onder meer) het hoofdgebouw en [verweerder 1] van (onder meer) het perceel grond waarop de ovenschuur staat. i. De huidige exploitatie van De Olmenhorst bestaat onder andere uit: het telen van fruit, het produceren van appelsap en kaas, horeca, detailhandel, het verhuren van ruimten/ateliers en het organiseren en verzorgen van culturele/educatieve activiteiten en evenementen. De Olmenhorst is geopend voor het publiek. Voor een rendabele exploitatie achten [verweerders] een uitbreiding van de activiteiten alsmede een aantal verbouwingen noodzakelijk. j. Bij aangetekende brieven van 28 december 2006 hebben [verweerders] - ieder afzonderlijk - de huur aan [verzoekster] opgezegd tegen 31 maart 2007 op grond van dringend eigen gebruik, waarbij [verzoekster] tevens de ontruiming is aangezegd. k. [verzoekster] heeft niet met de beëindiging van de huur ingestemd en het gehuurde niet ontruimd. l. De huurprijs bedroeg per 1 januari 2007 € 285,79 per maand. [verzoekster] betaalt de huur aan de Stichting. Het verzoek [verzoekster] verzoekt primair niet ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek omdat de huurovereenkomst geen betrekking heeft op bedrijfsruimte waarop artikel 7:230a BW van toepassing is. Subsidiair verzoekt zij verlenging van de ontruimingstermijn tot 31 maart 2008. Ter toelichting op het primaire verzoek stelt [verzoekster] onder meer het volgende. Zij gebruikt het gehuurde voor de uitoefening van een ambachtsbedrijf. Zij vervaardigt (vaak in opdracht) op ambachtelijke wijze (kunst)objecten van brons, aardewerk, keramiek en glas, zoals schalen, vazen, beeldjes, grafmonumenten en herdenkingsobjecten (waaronder urnen). Het gaat niet om kunst op galerieniveau. Hetgeen zij maakt is meer decoratief van aard. Zij ontvangt ook klanten in het gehuurde. De toegangsruimte beneden is vrij toegankelijk; aldaar kunnen door haar en derden gemaakte objecten (zoals schalen, vazen, kopjes, beeldjes e.d.) rechtstreeks worden gekocht. Bezoekers van De Olmenhorst kunnen zo binnenlopen. Verder geeft zij workshops aan cursisten, zowel in het atelier op de zolder als in de ovenschuur, hetgeen zij als dienstverlening aanmerkt. De ovenschuur is aan te merken als een onroerende aanhorigheid van het atelier in het hoofdgebouw. Omdat de huurovereenkomst onder het regime van artikel 7:290 e.v. BW valt, hebben de opzeggingen van 28 december 2006 niet geleid tot beëindiging van de huur. Ter toelichting op haar subsidiaire verzoek stelt [verzoekster] onder meer dat voor haar geen andere passende atelierruimte beschikbaar is en dat zij zich een verhuizing ook niet kan veroorloven. Haar belang bij ontruimingsbescherming weegt zwaarder dan dat van [verweerders] bij ontruiming, aldus [verzoekster]. Het verweer [verweerders] concluderen tot afwijzing van zowel het primaire als het subsidiaire verzoek. Daartoe voeren zij onder meer het volgende aan. Er bestaat niet één huurovereenkomst maar twee, namelijk één voor het zolderatelier, die dateert van 1983 en één voor de ovenschuur, die dateert van 1987. Op beide huurovereenkomsten is artikel 7:230a BW van toepassing. Het zolderatelier was en is nog steeds uitsluitend bestemd voor de vervaardiging van kunstwerken. Het is nooit de bedoeling geweest, en evenmin toegestaan, dat [verzoekster] rechtstreeks vanuit die ruimte kunstwerken zou gaan verkopen. De term ‘atelier’ impliceert een bepaalde beslotenheid; het is dus geen voor het publiek toegankelijk lokaal van waaruit de kunstenaar rechtstreeks goederen levert. [verweerders] betwisten dat er een verkooppunt aanwezig is, en zo dat er al zou zijn, dan heeft [verzoekster] dat alleen ingesteld met het oog op het huurgeschil. De kernactiviteiten van [verzoekster] zijn het in opdracht vervaardigen van kunstobjecten en het geven van workshops. De vrije verkoop van kunstobjecten is daaraan (qua omzet) volledig ondergeschikt. Evident is dat de ovenschuur in ieder geval geen bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW is. De ovenschuur is een schoolvoorbeeld van een ‘overige onroerende zaak’ in de zin van artikel 7:230a BW. De belangenafweging op grond van dat artikel behoort in het voordeel van [verweerders] te worden beslist. Om de exploitatie van De Olmenhorst te verbeteren moet onder meer de gehele zolder in het hoofdgebouw worden aangepast. Het door [verzoekster] gehuurde deel moet worden verbouwd tot kantoorruimte voor de Stichting. [verweerder 1] heeft dringend behoefte aan opslag-, archief- en werkruimte. Daartoe zal de ovenschuur moeten gaan dienen. De beoordeling van het geschil 1. Op de comparitie heeft de kantonrechter [verweerders] gevraagd welke verweerder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.