Rechtbank Haarlem – ECLI:NL:RBHAA:2008:BD9845
RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 07/2830 Uitspraakdatum: 11 augustus 2008 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X te Z, eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2007 de aanslag IB/PVV 2002 verminderd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 6.357 negatief.
Eiser heeft tegen deze uitspraak bij brief van 17 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 19 april 2007, beroep ingesteld.
Bij brief van 22 mei 2007 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2008.
Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde mr. A. Namens verweerder is verschenen mr. B.
2.2. Eiser heeft een belang van 100 % in X Holding BV (hierna: de BV), alsmede een vordering op de BV.
In het jaar 2002 is deze vordering met € 42.500 afgewaardeerd.
2.3. Eiser heeft aangifte IB/PVV 2002 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.607 negatief. Daarin is begrepen een bedrag van € 42.500 negatief wegens opbrengst uit ter beschikkingstelling, als gevolg van afwaardering van een vordering op de BV.
2.4. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag de afwaardering volledig gecorrigeerd. Bij uitspraak op bezwaar is de helft van de afwaardering alsnog in aftrek toegelaten.
3.2. Eiser stelt zich op het standpunt dat in casu sprake is van een (negatief) resultaat uit overige werkzaamheid. Dit resultaat moet gelet op artikel 3.95 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) worden bepaald alsof deze werkzaamheid een onderneming vormt. Dit leidt ertoe dat, ook in geval van gemeenschap van goederen, voor de vaststelling aan wie het in geschil zijnde inkomensbestanddeel dient te worden toegerekend, beslissend is wie de bestuursbevoegdheid heeft over het betreffende vermogensbestanddeel.
3.3. Verweerder is eveneens van mening dat in casu sprake is van een (negatief) resultaat uit overige werkzaamheid maar is van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag in hoeverre dit (negatieve) resultaat aan eiser kan worden toegerekend aansluiting moet worden gezocht bij de omstandigheid dat eiser in gemeenschap van goederen is gehuwd, hetgeen betekent dat het resultaat uit de vordering aan eiser en zijn echtgenote ieder voor de helft moet worden toegerekend. De bestuursbevoegdheid is daarbij niet van belang.
4.2. Ingevolge artikel 3.92, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 wordt onder een resultaat uit overige werkzaamheid mede verstaan: het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voor zover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens, dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft.
Dit betekent dat ten aanzien van de vordering die eiser op de BV heeft artikel 3.92, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 van toepassing is. Uit artikel 3.95 Wet IB 2001 volgt dat het resultaat moet worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van het winstregime. Dit artikel luidt als volgt: “Bij de bepaling van het resultaat zijn de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, 3.25 tot en met 3.30a, eerste tot en met elfde lid, 3.55 tot en met 3.58, 3.59, eerste en tweede lid, en 3.60 tot en met 3.62 van overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.”
4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het resultaat van het rendabel maken van de vordering kwalificeert als resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank zal partijen hierin volgen nu dit standpunt niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
4.4.1. Nu vast staat dat het resultaat van het rendabel maken van de vordering dient te worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden, dient nog de vraag te worden beantwoord aan wie het resultaat moet worden toegerekend. Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt in artikel 2.17 van de Wet IB 2001 niet aangemerkt als een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, ten aanzien waarvan belastingplichtigen kunnen kiezen in welke verhouding deze bij hen in aanmerking moet worden genomen. Ingevolge de hoofdregel van artikel 2.17, eerste lid, Wet IB 2001 worden inkomensbestanddelen in aanmerking genomen bij degene door wie ze zijn genoten of op wie ze drukken.
4.4.2. Degene die fiscaalrechtelijk inkomsten geniet is naar vaste jurisprudentie in de regel degene aan wie het voordeel rechtstreeks toevloeit. Doorgaans zal dat degene zijn die bestuursbevoegdheid heeft ter zake van de goederen die deze inkomsten opleveren dan wel degene die zulke goederen gebruikt of aanwendt in het kader van zijn onderneming of zijn werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet IB 2001.
Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2006 (V-N 2006/15.15) waarin onder meer het volgende is geoordeeld: “3.3.2. Voorzover de belastingheffing met betrekking tot inkomsten uit vermogen is gebaseerd op het bepaalde in artikel 33 van de Wet (IB 1964) kan de civielrechtelijke gerechtigdheid van deze echtgenoten tot de gemeenschap geen aanknopingspunt bieden voor de heffing. Weliswaar zijn de echtgenoten gezamenlijk gerechtigd tot het geheel van de goederen die tot die gemeenschap behoren, doch aan die omstandigheid is geen argument te ontlenen ter beantwoording van de vraag wie van de echtgenoten de eventuele inkomsten uit die goederen geniet. Bij de beoordeling of inkomsten zijn genoten in de zin van voornoemd wetsartikel is doorslaggevend of daadwerkelijk over de inkomsten kan worden beschikt. In de regel zal dit criterium aansluiten bij de bestuursbevoegdheid ter zake van de goederen die deze inkomsten opleveren. (…)”
4.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering op naam staat van eiser en dat de bestuursbevoegdheid met betrekking tot die vordering bij eiser berust. Dit brengt met zich dat het resultaat van het rendabel maken van de vordering aan eiser moet worden toegerekend en dat hij in casu de afwaardering van die vordering geheel ten laste van zijn belastbare inkomen mag brengen.
Zoals uit bovenvermeld arrest blijkt is de civielrechtelijke gerechtigdheid van de echtgenoten tot de gemeenschap geen aanknopingspunt voor de heffing van inkomstenbelasting. De omstandigheden dat dit arrest is gewezen voor de Wet IB 1964 en dat de heffing van inkomsten uit vermogen in de wet IB 2001 anders is geregeld dan in de Wet IB 1964 betekenen niet dat dit uitgangspunt bij de toepassing van de Wet IB 2001 is gewijzigd.
4.5. Het gelijk is derhalve aan eiser zodat het beroep zal gegrond worden verklaard.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, voorzitter, mr. G.W.J. Harten en mr. C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:
De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.