vonnis RECHTBANK HAARLEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 150822 / KG ZA 08-587 Vonnis in kort geding van 4 december 2008 in de zaak van 1. [Eiser], wonende te Beverwijk, 2. [Eiseres], wonende te Beverwijk, eisers, advocaat mr. E. Bongers, tegen [De notaris], wonende te Aerdenhout, gedaagde, advocaat mr. S.M. Bordewijk. Partijen zullen hierna [eisers] en [de notaris] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de mondelinge behandeling - de pleitnota van [eisers] - de pleitnota van [de notaris]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Het huwelijk van de ouders van [eisers], [de vader] en [de moeder] is op 1 november 1993 ontbonden. Door [de notaris] is op 31 december 1993 een akte van deling/levering opgesteld, waarin de vader en de moeder verklaren alle tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen toe te delen aan de moeder. Bij deze akte is voorts [het huis] aan de moeder in eigendom geleverd. De door de moeder aan de vader verschuldigde uitkering wegens overbedeling werd door middel van verrekening voldaan. 2.2. De moeder is op 21 februari 2000 overleden. Bij testament van 28 juli 1983 heeft zij [eisers] tot enige erfgenamen benoemd. 2.3. [eisers] hebben op 11 september 2000 op verzoek van hun vader een door [de notaris] opgestelde overeenkomst/volmacht (hierna: “de volmacht”) ondertekend. In de volmacht was onder meer tot uitdrukking gebracht dat de vader alle bezittingen van de moeder had gefinancierd en dat al deze bezittingen om die reden toekwamen aan de vader en op diens naam dienden te worden gesteld. [eisers] hebben over de inhoud van de volmacht geen contact gehad met [de notaris]. 2.4. Eveneens op 11 september 2000 is bij een door [de notaris] verleden akte van levering het huis aan de vader geleverd. Blijkens de akte heeft de vader de koopprijs ten bedrage van ƒ 350.000,-- verrekend met zijn vorderingen op de nalatenschap. 2.5. [eisers] hebben een procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank tegen [de notaris] en schadevergoeding gevorderd ter zake van (primair) jegens hen gepleegd bedrog en (subsidiair) schending van de op [de notaris] rustende beroepsverplichtingen. De vorderingen zijn bij vonnis van 4 mei 2005 afgewezen. Bij arrest van 29 mei 2008 heeft het Gerechtshof te Amsterdam het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [eisers] tot schadevergoeding, op te maken bij staat, alsnog toegewezen. Dit arrest luidt, voor zover hier relevant: “(…) 4.20 Wat betreft de mededelingen van de vader van begin september 2000, heeft evenzeer te gelden dat de notaris onvoldoende concrete feiten aanvoert die de gevolgtrekking wettigen dat de vader bij het overlijden van de moeder een vordering op de moeder had, laat staan een vordering met een beloop dat in de buurt kwam van de helft van de waarde van het woonhuis. (…) 4.29 De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat het standpunt van de notaris dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, niet houdbaar is. Het hof blijft er dus bij dat de notaris zich schuldig gemaakt heeft aan bedrog bij het opstellen van de volmachtakte, waarmee de primaire grondslag van de vordering van de kinderen gegeven is. De notaris behoort de door dit bedrog aan de kinderen toegebrachte schade te vergoeden. 4.30 Daarenboven stelt het hof vast dat – wanneer de primaire grondslag buiten beschouwing zou worden gelaten – de subsidiaire grondslag genoegzaam is komen vast te staan. De notaris heeft immers onzorgvuldig jegens de kinderen gehandeld bij het opstellen van de volmachtakte en het verkrijgen van handtekening van de kinderen op die akte, (…). (…) 4.37 Ook in dit verband wordt het verweer van de notaris dus verworpen. Daarmee is vast komen te staan dat de notaris beroepsfouten heeft begaan en daardoor onzorgvuldig jegens de kinderen heeft gehandeld bij het opstellen van de volmachtakte en het verkrijgen van de handtekening van de kinderen op die akte. Aldus heeft de notaris zich – ook indien wordt afgezien van het bedrog – verplicht de door voormeld onzorgvuldig handelen aan de kinderen toegebrachte schade te vergoeden. (…) 4.40 Zonder vrucht beroept de notaris zich op een schadebeperkingsplicht van de kinderen. Dat de kinderen de vader tot rekening en verantwoording konden nopen en de volmacht op grond van dwaling of bedrog konden vernietigen, staat niet in de weg aan de aanspraak van de kinderen. In redelijkheid waren en zijn de kinderen jegens de notaris niet gehouden te pogen hun schade met deze middelen te verminderen, nu juist het bedrog respectievelijk het onzorgvuldig handelen van de notaris tot die schade heeft geleid. (…)” 2.6. Tegen dit arrest is door [de notaris] cassatieberoep ingesteld. De cassatiemiddelen komen – kort gezegd – op tegen het oordeel van het hof dat [de notaris] bedrog heeft gepleegd en dat er op [eisers] geen schadebeperkingsverplichting rustte. Niet langer wordt in cassatie bestreden dat [de notaris] onzorgvuldig heeft gehandeld. 2.7. Volgens een waardebepaling van het huis, opgemaakt op verzoek van [eisers] door SBGroep Makelaars wordt de onderhandse verkoopwaarde van het huis, vrij van huur, per september 2000 geschat op een bedrag van EUR 525.000,--. Door Van Amersfoort Makelaardij o.g. is op verzoek van [de notaris] een taxatierapport opgemaakt, waarin de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur, per september 2000 wordt bepaald op een bedrag van EUR 320.000,--. 3. Het geschil 3.1. [eisers] vorderen, bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van [de notaris] tot betaling van een voorschot van EUR 450.000,-- op de uiteindelijk verschuldigde schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [de notaris] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. [eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat, nu door het hof bedrog cq onzorgvuldig handelen van [de notaris] is vastgesteld en daarmee diens schadevergoedingsplicht, [de notaris] hun een voorschot op de uiteindelijk vast te stellen schadevergoeding dient te betalen. 4.2. Voor toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom is in kort geding slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. 4.3. Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de vordering geldt het volgende. 4.4. Voor het bestaan van de vordering is van belang vast te stellen dat, gelet op het arrest van het hof en het cassatieberoep, zoals onder 2.5 en 2.6 weergegeven en omschreven, het onzorgvuldig handelen van [de notaris] als vaststaand dient te worden aangenomen en daarmee diens verplichting de kinderen schade te vergoeden. Over de hoogte van de schade verschillen partijen daarentegen van mening. 4.5. [eisers] stellen dat de volgende onderdelen de hoogte van de schade bepalen, namelijk dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.