RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 07/3726 Uitspraakdatum: 14 januari 2008 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X te Z, eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft met dagtekening 5 september 2006 aan eiser voor het jaar 2003 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen opgelegd. Eiser heeft met dagtekening 15 april 2007, door verweerder ontvangen op 19 april 2007, aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2003 gedaan. Verweerder heeft deze aangifte aangemerkt als bezwaarschrift gericht tegen de aanslag 2003. Verweerder heeft bij brief van 25 april 2007 aangegeven voornemens te zijn het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts stelt hij eiser in deze brief in de gelegenheid om bewijsstukken aan te leveren voor het feit dat de aanslag te hoog is alsmede om zijn bezwaar mondeling toe te lichten en deelt hij mee dat hij gebruik maakt van de wettelijke bevoegdheid om te beslistermijn met vier weken te verlengen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 juni 2007 het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft daartegen bij brief van 4 juni 2007, ontvangen bij de rechtbank op 8 juni 2007, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Op 28 december 2007 is ter griffie een brief van eiser binnengekomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2008 te Haarlem. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A. 2. Geschil Primair is in geschil of het beroep van eiser prematuur is en mitsdien niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien het beroep wel ontvankelijk is, is in geschil of eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Eiser beroept zich erop dat verweerder reeds in de brief van 25 april 2007 heeft aangegeven dat hij voornemens is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Voor eiser is onduidelijk of hij reeds toen in beroep moest gaan. Voor alle zekerheid heeft hij daarom een beroepschrift ingediend. Eiser beschouwt genoemde brief van verweerder, waarin slechts een voornemen wordt geuit doch die kennelijk niet als uitspraak op bezwaar heeft te gelden, als misleiding. Verweerder stelt dat de brief van 25 april 2007 waarin wordt kenbaar gemaakt hoe het bezwaar mogelijk wordt afgehandeld, bedoeld is om eiser nog in te gelegenheid te stellen daartegen argumenten naar voren te brengen. Het is niet mogelijk reeds tegen deze brief in beroep te gaan; de brief bevat ook geen rechtsmiddelenclausule. 3. Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 12 juni 2007. Nu niet is gesteld of gebleken dat deze datum is gelegen vóór de datum van de bekendmaking van die uitspraak, ving, gelet op het bepaalde in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspaak aan met ingang van 13 juni 2007. Het op 7 juni 2007 bij de rechtbank Haarlem binnengekomen beroepschrift is derhalve voor het begin van de beroepstermijn ingediend. 3.2. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft niet-ontvankelijkheid achterwege ten aanzien van een prematuur ingediend beroepschrift als
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.