RECHTBANK HAARLEM Sector Strafrecht Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/666916-07 Uitspraakdatum: 6 maart 2009 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 februari 2009 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te Haarlem, wonende te [adres].
(2006)doorgang te laten vinden en deze afspraak te bevestigen aan het omgangshuis. • Een schriftelijk stuk, zijnde een brief van Bureau Jeugdzorg aan verdachte d.d. 9 mei 2006, inhoudende een schriftelijke aanwijzing dhr. [naam] namens van Bureau Jeugdzorg, namens Bureau aan [verdachte]. • Een schriftelijk stuk, zijnde een brief van Bureau Jeugdzorg aan verdachte d.d. 23 mei 2006, inhoudende een schriftelijke aanwijzing dhr. [naam] namens van Bureau Jeugdzorg, namens Bureau aan [verdachte]. 3.3 Bewijsoverweging Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde nu het vereiste opzet bij verdachte bij het niet naleven van de omgangsregeling ontbreekt. Verdachte wist weliswaar dat zij verschillende rechterlijke beslissingen van de rechtbank Haarlem schond, maar zij verkeerde in de veronderstelling dat zij dit deed in samenspraak met en met instemming van Bureau Jeugdzorg dan wel de Raad voor de Kinderbescherming in verband met de vermoedens van seksueel misbruik. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich vanaf september 2004 is gaan verzetten tegen de afgesproken omgangsregeling in verband met vermoedens van seksueel misbruik van dochter [betrokkene 1] door haar vader. Hoewel de omgangsregeling vervolgens gedurende korte tijd op advies van de door verdachte ingeschakelde [therapeut] en met instemming van Bureau Jeugdzorg en overigens ook met instemming van de vader is stopgezet dan wel opgeschort, volgt uit de verklaring van [getuige] bij de rechter-commissaris dat in oktober of begin november 2004 de omgangsregeling moest worden hervat en dat zij (lees: Bureau Jeugdzorg) verdachte niet heeft geadviseerd de omgangsregeling stop te zetten. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van het voorgaande in ieder geval vanaf 1 december 2004 niet (meer) gezegd kan worden dat het opzet bij verdachte ontbrak om de omgangsregeling niet na te komen. Daarna is verdachte bij diverse gerechtelijke uitspraken opgedragen om aan de omgangsregeling mee te werken, vanaf de beslissing van het Hof Amsterdam d.d. 4 augustus 2005 in de vorm van begeleide omgang op een neutrale plaats namelijk het Omgangshuis, nu voor dit seksueel misbruik onvoldoende aanwijzingen waren. Ook heeft Bureau Jeugdzorg verdachte vanaf mei 2005 in drie schriftelijke aanwijzingen opgedragen de tot stand gekomen omgangsregeling na te komen. Verdachte heeft gedurende de bewezenverklaarde periode noch aan de rechterlijke uitspraken noch aan de schriftelijke aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg gevolg gegeven. Het is dan ook verdachte zelf geweest die heeft besloten de vastgestelde omgangsregeling willens en wetens niet na te leven.
- Strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op: Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, meermalen gepleegd
- Strafbaarheid van verdachte De raadsman heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting een beroep gedaan op psychische overmacht, vanwege de bij verdachte bestaande vermoedens van seksueel misbruik van [betrokkene 1] door aangever. Hoewel daarvan uiteindelijk niet is gebleken, was verdachte er in de ten laste gelegde periode van overtuigd dat sprake was van incest. Zij wilde dit vermoeden goed onderzocht hebben voordat de omgangsregeling zou worden hervat. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de raadsman verwezen naar het rapport van [therapeut] en naar de verschillende signalen die verdachte kreeg, onder andere van de kleuterjuf van haar dochter. Verdachte zou als gevolg van deze omstandigheden hebben blootgestaan aan een dusdanige psychische druk dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank oordeelt dat op grond van de door verdachte gestelde omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat verdachte gedurende de bewezenverklaarde periode onder een zodanige psychische druk heeft gestaan dat in redelijkheid niet van haar gevergd kon worden om de omgangsregeling na te komen. Allereerst is daarbij van belang dat verdachte heeft nagelaten om, zoals haar was geadviseerd, zelf via een rechterlijke beslissing te proberen wijziging te brengen in de vastgestelde omgangsregeling. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de diverse rechters die zich over de zaak hebben gebogen, zich steeds rekenschap hebben gegeven van de bij verdachte bestaande vermoedens van seksueel misbruik en de vermeende angst van [betrokkene 1] voor haar vader. Desalniettemin is geoordeeld dat een (begeleide) omgang van [betrokkene 1] met haar vader in het belang van [betrokkene 1] was. Daarbij is getracht extra waarborgen te bieden door te bepalen dat de omgang in eerste instantie in begeleide vorm zou plaatsvinden. Bureau Jeugdzorg zou op deze omgang toezicht houden en ervoor zorgen dat deze in een veilige omgeving (het Omgangshuis) plaatsvond. Een dergelijke omgang heeft blijkens de schriftelijke aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg ook éénmaal plaatsgevonden, waarna verdachte andermaal haar medewerking aan de omgangsregeling weigerde. De medewerkers van Bureau Jeugdzorg hebben in het gedrag van [betrokkene 1] overigens geen aanleiding gezien om haar niet met haar vader om te laten gaan. Mede in aanmerking genomen dat behalve diverse rechterlijke instanties juist Bureau Jeugdzorg verdachte herhaaldelijk heeft gemaand tot handhaving van de omgangsregeling tussen [betrokkene 1] en haar vader, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte gedurende de bewezenverklaarde periode onder een dusdanige psychische druk stond dat haar opstelling haar niet verweten kan worden omdat in redelijkheid niet gevergd had kunnen worden dat zij daaraan weerstand had geboden. Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
- Motivering van sanctie en van overige beslissingen 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 6.2 Hoofdstraf Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar minderjarige dochter aan het wettig gezag. Daardoor heeft zij de vader van [betrokkene 1] en mogelijk ook [betrokkene 1] zelf leed berokkend en heeft haar opstelling een negatieve invloed gehad op de verhouding tussen vader en dochter. Verder is aannemelijk dat de opstelling van verdachte een negatieve invloed heeft gehad op de geestelijke ontwikkeling van [betrokkene 1]. Door te volharden in het niet-nakomen van de omgangsregeling, heeft verdachte bovendien diverse rechterlijke beschikkingen genegeerd en drie schriftelijke aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg naast zich neergelegd. Het mag duidelijk zijn dat beslissingen van rechterlijke colleges nageleefd dienen te worden. Het feit dat verdachte dit bij herhaling niet heeft gedaan, rekent de rechtbank verdachte dan ook zwaar aan. Anderzijds houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat het ten laste gelegde zich al geruime tijd geleden heeft afgespeeld en dat de dochter van verdachte en aangever momenteel bij haar vader woont, terwijl verdachte niet of nauwelijks omgang met haar heeft. Dit brengt mee dat het gevaar dat verdachte in de nabije toekomst opnieuw een soortgelijk feit zal plegen uiterst beperkt is. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte in het kader van de langslepende civiele procedure ten aanzien van het ten laste gelegde aanzienlijke dwangsommen heeft verbeurd en daarvan in ieder geval een deel heeft voldaan, wat voor iemand met een beperkt inkomen als dat van verdachte een behoorlijke last is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte op deze manier al nadelige gevolgen heeft gedragen van de haar verweten gedragingen. Ten slotte houdt de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat rekening met de hierboven onder
- geconstateerde onzorgvuldigheid. 6.3 Vordering benadeelde partij De benadeelde partij [betrokkene 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 45.448, 38 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat, aangezien beoordeling van deze schade niet van eenvoudige aard is, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.
- Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: Wetboek van Strafrecht: artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 279
- Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder
- vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder
- vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 30 (dertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verklaart de benadeelde partij [betrokkene 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
- Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.M. Rutten, voorzitter, mrs. M. Hoendervoogt en J. Snitker, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier C.M. Brugman, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2009.